Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:66

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
17/1731
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Rotterdam is bevoegd ten aanzien van een beroep tegen een besluit dat is genomen op grond van artikel 18 van de Warmtewet. Het College verklaart zich onbevoegd.

Wetsbepaling:

Artikel 4 en artikel 7 van de Bevoegdheidsregeling Bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb)

Artikel 18 van de Warmtewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1731

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2019 in de zaak tussen

Vereniging Eigen Huis, te Amersfoort, appellante,

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster

(gemachtigden: mr. drs. P. van Asperen, mr. S. Pronk en mr. M.P. Man).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: Eneco Warmte & Koude B.V. (Eneco) en Eneco Warmte & Koude Leveringsbedrijf B.V., te Rotterdam

(gemachtigden: mr. C.L. Klapwijk en mr. R.J. de Heer).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft ACM het verzoek van appellante om op grond van de Warmtewet handhavend op te treden tegen Eneco afgewezen.

ACM heeft ingestemd met het verzoek van appellante tot rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft het tegen het bestreden besluit ingediende bezwaarschrift naar het College doorgezonden ter behandeling als beroep.

Bij brief van 10 januari 2019 heeft het College uiteengezet dat niet hij maar de rechtbank exclusief bevoegd is in de betreffende zaak. Het College heeft hierbij partijen gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en hen in de gelegenheid gesteld om binnen een door hem gestelde termijn te verklaren dat zij gebruik willen maken van dit recht. Bij brief van

21 januari 2019 heeft appellante afgezien van het recht ter zitting te worden gehoord. Verweerster en derde-partijen hebben niet binnen de door het College gestelde termijn gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Awb heeft het College bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het College ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het bevoegd is om kennis te nemen van het door ACM, met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb, doorgezonden bezwaarschrift. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

2. Op grond van artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb kan de indiener van een bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Als het bestuursorgaan instemt met het verzoek tot rechtsreeks beroep (derde lid) zendt het bestuursorgaan het bezwaarschrift door aan de bevoegde rechter (vijfde lid). De bevoegde rechter is de rechter die volgens de wettelijke bepalingen inzake beroep voor het instellen van beroep is aangewezen.

3. In artikel 8:6, eerste lid, van de Awb en hoofdstuk 2 van de als Bijlage 2 in deze wet opgenomen Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bevoegdheidsregeling) is geregeld of beroep moet worden ingesteld bij de rechtbank of een andere bestuursrechter, zoals het College. In deze bevoegdheidsregeling is vermeld tegen welke besluiten, genomen op grond van een daarin genoemd wettelijk voorschrift, beroep kan worden ingesteld bij het College. Ingevolge artikel 4 van de bevoegdheidsregeling kan beroep worden ingesteld bij het College tegen een besluit dat is genomen op grond van de Warmtewet, met uitzondering van een op grond van artikel 18 van de Warmtewet genomen besluit. Ingevolge artikel 7 van de bevoegdheidsregeling kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank Rotterdam tegen een besluit dat is genomen op grond van artikel 18 van de Warmtewet.

4. Het bestreden besluit betreft een afwijzing van het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen Eneco vanwege vermeende overtredingen van de Warmtewet. Appellante heeft in haar handhavingsverzoek niet toegelicht welke handhavingsmaatregelen zij verzoekt. Hoofdstuk 4 van de Warmtewet regelt de handhavingsbevoegdheden van ACM ten aanzien van de Warmtewet, waaronder de bevoegdheid van ACM om op grond van artikel 18 van de Warmtewet een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen bij een overtreding van de Warmtewet. Nu appellante niet heeft gespecificeerd welke handhavingsmaatregelen zij verzoekt, ziet haar verzoek mede op handhaving door middel van oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18 van de Warmtewet. De afwijzing van een verzoek om handhavend op te treden op grond van artikel 18 van de Warmtewet dient naar het oordeel van het College tevens te worden aangemerkt als een besluit op grond van artikel 18 van de Warmtewet. Het bestreden besluit dient daarom (mede) te worden aangemerkt als besluit op grond van artikel 18 van de Warmtewet, ten aanzien waarvan de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 7 van de bevoegdheidsregeling exclusief bevoegd is en de bevoegdheid van het College in eerste aanleg op grond van artikel 4 van de bevoegdheidsregeling expliciet is uitgesloten. Dit brengt met zich mee dat het College niet bevoegd is.

5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot rechtstreeks beroep. Het College zal met toepassing van artikel 6:15 van de Awb het verzoek tot rechtstreeks beroep en het bezwaarschrift doorzenden aan de rechtbank Rotterdam. Het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,- zal door het College op grond van artikel 8, derde lid, van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2014 worden gerestitueerd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. R.C. Stam en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L. ten Hove