Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:566

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
19/1472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet wegvervoer goederen, intrekking communautaire vergunning, verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1472

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2019 in de zaak tussen:

[naam 1] B.V. ( [naam 1] BV) te [plaats] , verzoekster,

(gemachtigden: mr. drs. A.C.M Brom MA LLM en [naam 2] ( [naam 2] ))

en

Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerder,

(gemachtigden: mr. M.C. Veltkamp en mr. S. Karroumi)

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2019 (primair besluit) heeft verweerder de op grond van de Wet wegvervoer goederen (Wwg) aan verzoekster verleende communautaire vergunning voor beroepsgoederenvervoer over de weg (vergunning) met ingang van 1 oktober 2019 ingetrokken.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij het College.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens verzoekster is verder nog verschenen ing. P. Houtsma.

Verzoekster heeft stukken ingediend ter ondersteuning van het door haar gestelde spoedeisend belang. Verweerder heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Verzoekster wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de intrekking van haar vergunning wordt geschorst en dat verweerder haar 19 vergunningbewijzen verstrekt waarmee zij beroepsgoederenvervoer over de weg kan blijven verrichten. Zij heeft nu acht chauffeurs in dienst die voor haar rijden. Het spoedeisende belang is dat zij zonder vergunning en zonder vanaf 1 oktober 2019 geldende vergunningbewijzen veel opdrachten van cliënten niet kan uitvoeren, dat haar personeel dan zonder werk komt te zitten en dat zij failliet zal gaan.

1.3.

Verweerder heeft betwist dat sprake is van een spoedeisend belang en stelt dat verzoekster geen gebruik meer maakt van de vergunningpapieren omdat zij niet meer over voertuigen beschikt waarmee zij vergunningplichtig vervoer verricht. Verzoekster heeft haar standpunt dat zij auto’s huurt van [naam 3] B.V. niet met huurovereenkomsten onderbouwd.

1.4.

Ter zitting van de voorzieningenrechter is verzoekster in de gelegenheid gesteld om het door haar gestelde spoedeisende belang binnen een week na de zitting met stukken te onderbouwen, waarop verweerder vervolgens mag reageren. Verzoekster moet in ieder geval stukken overleggen waaruit blijkt dat zij, zoals zij stelt, chauffeurs in dienst en aan het werk heeft en dat zij de auto’s, die zij gebruikt, huurt van [naam 3] B.V. ( [naam 3] ), die de auto’s huurt van [naam 4] B.V. Zij moet met stukken aantonen dat zij, zoals zij stelt, de beschikking heeft over die voertuigen en dat er geen sprake is van een fictieve constructie.

1.5.

Verzoekster heeft met een brief van 17 oktober 2019 stukken met gegevens over september 2019 in het geding gebracht, waaronder rittenstaten, dagrapporten, facturen voor verrichte werkzaamheden en betaalbevestigingen die volgens verzoekster betrekking hebben op loonbetalingen aan chauffeurs. In de brief is vermeld dat door haar in september 2019 vijftien verschillende voertuigen zijn gebruikt waarvoor een communautaire vergunning is vereist of gewenst en dat bij haar negen chauffeurs in vaste dienst zijn, waaronder de eigenaar [naam 2] . Zij stelt daarnaast dat zij in januari tot en met juni 2019 negentien voertuigen heeft gebruikt. In de brief is verder nog vermeld: “De door [naam 3] B.V. betaalde huur voor voertuigen aan [naam 4] B.V. wordt intern in de boekhouding verrekend met [naam 1] B.V., welke deze voertuigen gebruikt, met de bij haar in dienst zijnde chauffeurs, zoals de bijlagen staven.”

1.6.

Verweerder heeft op 25 oktober 2019 in een schriftelijke reactie aangevoerd dat van spoedeisendheid niet is gebleken. Verzoekster heeft met betrekking tot de voertuigen geen overeenkomsten overgelegd waaruit blijkt dat zij die huurt. De stukken bevatten volgens verweerder geen bewijs dat de voertuigen daadwerkelijk ter beschikking staan aan verzoekster. Vergunningbewijzen zijn slechts bedoeld voor de voertuigen waar de onderneming controle op kan uitoefenen en waar zij in bepaalde mate exclusieve zeggenschap over heeft. Uit de brief van 17 oktober 2019 blijkt niet dat de voertuigen ter beschikking staan aan [naam 1] BV. Ze zijn eigendom van [naam 4] B.V. en worden gehuurd door [naam 3] . Niet is gesteld of gebleken dat er tussen [naam 3] en [naam 1] BV een huurovereenkomst is. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de beschikking heeft over de (overigens slechts) vijf voertuigen die in de rittenstaten zijn vermeld.

1.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de door haar verzochte voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft verzoekster ter zitting verzocht om in ieder geval huurovereenkomsten te overleggen waaruit blijkt dat zij de voertuigen huurt. Verzoekster heeft dat niet gedaan en lijkt haar standpunt dat zij die voertuigen huurt, zoals zij ter zitting heeft verklaard, te hebben verlaten. Mede gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, zoals hiervoor onder 1.6 vermeld, kan de voorzieningenrechter op grond van de beschikbare gegevens niet beoordelen of verzoekster, zoals zij stelt, zelfs bij een geldige communautaire vergunning nog recht heeft op vergunningbewijzen. Haar bedrijfsvoering is voor wat betreft het daadwerkelijk ter beschikking hebben van de voertuigen ondoorzichtig en oncontroleerbaar. Het door verzoekster gestelde spoedeisende belang is daarmee onvoldoende onderbouwd.

1.8.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dus niet gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

2. Voor een proceskostenveroordeling, waarom beide partijen hebben verzocht, bestaat geen aanleiding. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder niet in de proceskosten van verzoekster omdat haar verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De voorzieningenrechter veroordeelt verzoekster niet in de proceskosten van verweerder omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

w.g. J.H. de Wildt w.g. J.W.E. Pinckaers