Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:55

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
18/498
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tuchtklacht door de accountantskamer terecht deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Door klager is niet aannemelijk gemaakt dat de accountant een overdrachtsdossier aan een derde heeft overhandigd, die daar vervolgens een klacht mee heeft opgesteld jegens klager. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/498

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2019 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 2 maart 2018, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen [naam 2] AA (betrokkene).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 2 maart 2018, met nummer 17/1313 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:8).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Appellant en betrokkene zijn verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene staat sedert 1 juni 1994 als accountant-administratieconsulent ingeschreven in het register van (thans) de Nba. Hij houdt als openbaar accountant praktijk onder de naam ‘ [naam 3] ’ te [plaats 2] .

1.3

Betrokkene is van oktober 2002 tot en met december 2003 (toen hij nog verbonden was aan DHS Accountants te Bodegraven) accountant geweest van Conew B.V. Hij heeft in die periode de jaarrekeningen en de aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) over de jaren 1998-2001 verzorgd. Ook heeft betrokkene een tussenbalans per medio 2001 opgesteld. De aangifte Vpb 2001 betrof een verzoek tot ambtshalve vermindering, aangezien er geen aangifte was ingediend en de Belastingdienst ambtshalve een aanslag had opgelegd, waarvan de bezwaartermijn reeds was verstreken. Betrokkene heeft over deze aangifte met de Belastingdienst gecommuniceerd, waarna de Belastingdienst de aanslag, nog ten tijde van de dienstverlening van betrokkene aan Conew, definitief heeft vastgesteld.

1.4

Per november 2004 is appellant (die destijds registeraccountant was) aangetreden als accountant van Conew.

1.5

Op 5 juni 2001 is een aandeelhoudersbesluit inzake uitkering van dividend ondertekend. Conew is vervolgens in een langlopend juridisch conflict geraakt met haar (voormalige) aandeelhouders. In het kader van dat conflict is bij vonnis van 25 januari 2006 van de rechtbank Amsterdam het dividendbesluit van 5 juni 2001 vernietigd.

1.6

In maart 2015 heeft Conew een brief van de Belastingdienst ontvangen, inzake de aangifte Vpb 2012. In de jaarrekening 2012, die ten grondslag ligt aan de aangifte Vpb 2012, is een afwaardering opgenomen van € 1.816.455,- die te maken had met een dividenduitkering in 2001. In die brief van maart 2015 heeft de Belastingdienst opgemerkt:

‘(...) De dividenduitkering die in 2001 door Conew B.V. is uitgekeerd is in de civielrechtelijke procedure nietig verklaard. Als gevolg daarvan is er een vordering ontstaan van Conew B.V. op Jacht&Berg Management en Advies B.V. die fiscaal wordt gekwalificeerd als een schuldig gebleven onbelaste terugbetaling van kapitaal. Uitgaande van de volgende feiten acht ik de in 2001 schuldig gebleven onbelaste terugbetaling van kapitaal reeds in 2001 een uitdeling. (...) Een afwaardering van de vordering wordt dan ook niet gevolgd.’.

1.7

Op 13 juli 2015 heeft mr. M.R.H. van der Kloet namens Conew aan betrokkene een verzoek om informatie gestuurd. De brief luidt:

“In opdracht van onze cliënte Conew B.V. doe ik u dit schrijven toekomen.

Zoals u bekend heeft u destijds de aangifte Vennootschapsbelasting 2001 verzorgd en ingediend van Conew B.V. Daar er een verschil van inzicht bestaat tussen de belastingdienst en de door u ingediende aangifte, willen we u beleefd verzoeken ons enige informatie te doen toekomen om dit dispuut te kunnen beslechten. Graag ontvangen wij (een kopie van) de volgende stukken van u:

1. Het door cliënte verstrekte goedkeuringsbesluit ten aanzien van de aangifte Vpb 2001 en de indiening daarvan;

2. het dividendbesluit van 6 juni dat in de aangifte is opgevoerd;

3. de verdeling naar aandeelhouder van het opgevoerde dividendbedrag;

4. de aanmelding van de vordering op Jacht & Berg Management en Advies B.V. bij de curator (zoals vermeld in uw brief van 22 juli 2003 aan de Belastingdienst);

5. alle andere stukken uit het aangiftedossier welke relevant zijn voor het samenstellen van de aangifte VPB over 2001.

Wij zien uw reactie graag binnen 14 dagen na heden tegemoet. (…)”.

1.8

Betrokkene heeft hierop per brief van 23 juli 2015 als volgt gereageerd:

‘Geachte heer Van der Kloet,

Naar aanleiding van uw brief van 13 juli 2015 inzake Conew B.V. verzoeken wij u alle correspondentie van en aan de Belastingdienst ter zake de aangifte Vennootschapsbelasting 2001 van na 29 juli 2003 aan ons te doen toekomen. Genoemde datum is van het laatste stuk wat wij in ons dossier hebben, nadien is ons niets meer bekend ter zake enig verschil van inzicht, sterker nog ons bezwaar tegen de opgelegde ambtshalve aanslag over 2001 met dagtekening 5 april 2003 is conform de bij de directie van Conew B.V. bekende correspondentie afgewikkeld.(…)’.

1.9

Per brief van 28 juli 2015 heeft mr. Van der Kloet zijn verzoek van 13 juli 2015 herhaald. Hierop heeft betrokkene per brief van 4 september 2015 zijn verzoek herhaald en daaraan toegevoegd eerst inhoudelijk op het verzoek van 13 juli 2015 te reageren als de door hem gevraagde informatie is ontvangen en daaruit enige noodzaak tot reactie zou blijken.

1.10

Op 19 februari 2016 heeft de accountantskamer beslist op een bij klaagschrift van 20 april 2015 ingediende klacht van Thijsius Holding B.V. (de grootaandeelhouder van Jacht & Berg Management en Advies B.V., vertegenwoordigd door [naam 4] ) tegen appellant, aan wie bij die beslissing (met nummer 15/835 Wtra AK) een berisping is opgelegd. Het hoger beroep tegen de uitspraak in die zaak is door het College bij uitspraak van 11 april 2017 ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2017:143).

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt het volgende in.

2.2

In het klaagschrift verwoordt appellant onder het kopje “De tuchtrechtelijke verwijten waarop deze klacht gebaseerd is” allereerst een aantal verwijten aan de klager ( [naam 4] ) in de hiervoor vermelde klachtprocedure met nummer 15/835 Wtra AK, aan wiens klacht betrokkene zijn medewerking heeft verleend en met wiens klacht de accountantskamer werd misleid:

  1. door de bewering dat de jaarrekening in kwestie een materiële onjuistheid zou bevatten in verband met het niet opnemen van een dividendbesluit, waarvan de omvang bekend was;

  2. door de vermelding dat appellant wist dat de vordering niet was ingediend bij de curator van Jacht & Berg Management en Advies B.V. waardoor meineed gepleegd zou zijn;

  3. door de bewering dat een overdrachtsdossier (in 2003) van betrokkene verkregen zou zijn.

Ook verwijt appellant betrokkene het in het kader van die procedure (15/835 Wtra AK) met opzet ten laste leggen van een aantal beschuldigingen aan het adres van appellant, teneinde deze in een kwaad daglicht te plaatsen.

Bovendien verwijt appellant betrokkene dat hij met zijn doorslaggevende medewerking aan de misleiding van de accountantskamer in april 2015 de waarheidsvinding ernstig heeft belemmerd door in deze klachtprocedure beeldvormende informatie achter te houden.

In het aanvullend klaagschrift wordt betrokkene nog verweten dat hij de complete aangifte Vpb van Conew over 2001 ter beschikking heeft gesteld aan [naam 4] , die deze aangifte heeft overgelegd in het kader van de hiervoor vermelde tuchtprocedure.

2.3

Voorts verwijt appellant betrokkene “het vanaf 2003 systematisch negeren van verzoeken van appellant en/of de directie van Conew om de gevraagde informatie - die per definitie toebehoort aan de vennootschap - te willen overleggen c.q. toegezegde hulp en bijstand niet nakomt c.q. volhoudt de gevraagde informatie al verstrekt te hebben c.q. het bestaan hiervan uiteindelijk ontkent.” Appellant stelt in dit verband ook dat betrokkene:

  • -

    de algemene vergadering van aandeelhouders van 19 maart 2015 van Conew heeft voorgehouden dat hij de noodzakelijke hulp en bijstand zou leveren, waarmee een valse verwachting werd gecreëerd, nu hij wist dat weldra (20 april 2015) een klacht tegen appellant ingediend zou worden, hetgeen hij voor de vergadering heeft verzwegen;

  • -

    op 19 januari 2016 tegenover de Klachtencommissie Nba een valse verwachting heeft gecreëerd door middel van zijn bereidverklaring bepaalde stukken (voor 5:00 uur ‘s middags) nogmaals toe te sturen.

2.4

Ten slotte verwijt appellant betrokkene dat hij:

  • -

    de professionele distantie ten opzichte van [naam 6] nooit in acht heeft genomen, waardoor zijn onpartijdigheid ernstig is beïnvloed en zelfs heeft goedgevonden dat in 2003 gebruik gemaakt mocht worden van het telefoonnummer en correspondentieadres van [naam 5] ;

  • -

    naar aanleiding van de destijds te goeder trouw gegeven opdracht van de directie van Conew aan betrokkene om de ambtshalve aanslag als gevolg van hun verzuim van het indienen van een tijdige aangifte vennootschapsbelasting 2001 ongedaan te maken, vervolgens te kwader trouw een valse aangifte heeft ingediend, die uitsluitend in het belang was van zijn principaal, [naam 4] , om de dividendbelastingproblematiek te omzeilen.

2.5

Een en ander betreft volgens appellant schending van de fundamentele beginselen van integriteit, geheimhouding, deskundigheid en zorgvuldigheid (onderscheidenlijk vakbekwaamheid en zorgvuldigheid) en professioneel gedrag (onderscheidenlijk professionaliteit), als bedoeld in de Verordening gedragscode AA’s (VGC)/Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

2.6

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht, voor zover dat ziet op handelen/nalaten van voor 19 juni 2011 en voor zover dat betrekking heeft op handelen/nalaten van betrokkene in de periode van oktober 2002 tot en met december 2003 niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Als eerste grief voert appellant aan dat de accountantskamer in de punten 4.5.1 tot en met 4.5.3 van de bestreden uitspraak ten onrechte concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene medewerking heeft verleend aan het indienen van de klacht in de tuchtprocedure onder nummer 15/835 Wtra AK. Betrokkene heeft beeldvormende informatie achtergehouden zodat de waarheidsvinding ernstig werd belemmerd. Op pagina 29 van de op 20 april 2015 ingediende klacht staat immers vermeld: “Het overdrachtsdossier is van de heer [naam 2] verkregen voor het schrijven van de klacht en was daarom niet eerder bekend met de meineed”. Betrokkene heeft aldus zijn expliciete medewerking verleend aan het indienen van een klacht jegens appellant door de overhandiging van het overdrachtsdossier aan [naam 4] voor het schrijven van de klacht. Ook heeft betrokkene zijn medewerking daaraan verleend door de inbreng van zijn schrijven van 6 mei 2015, waarvan het misleidende karakter is aangetoond en niet is betwist.

4. Als tweede grief voert appellant aan dat hij op 17 augustus 2017 zijn klacht heeft aangevuld, omdat het ter beschikking stellen door betrokkene van zijn dossier aan [naam 4] een schending van de geheimhoudingsplicht inhoudt. Op dit klachtonderdeel is de accountantskamer ten onrechte niet ingegaan, zodat appellant het College verzoekt om een beslissing te nemen over dit onderdeel van de klacht.

5. Betrokkene heeft in reactie op deze grieven betwist dat hij een overdrachtsdossier dan wel enig ander dossier ter beschikking heeft gesteld aan de heer [naam 4] . Mocht het College hier anders over oordelen, dan hecht betrokkene eraan te vermelden dat [naam 4] geen willekeurige derde is, maar de houder (via Thijsius Holding B.V.) van alle gewone aandelen in Conew B.V. Hij is dus direct belanghebbende.

6. Het College volgt de accountantskamer in het oordeel dat appellant zijn klachtonderdeel dat betrokkene medewerking zou hebben verleend aan het indienen van een klacht tegen appellant, onvoldoende heeft onderbouwd. Appellant heeft één pagina overgelegd van de tegen appellant ingediende klacht van 20 april 2015. In welke context de bedoelde zinsnede over het overdrachtsdossier is geplaatst is daardoor niet na te gaan. Alleen het verwijzen naar die zin is, mede gelet op de betwisting daarvan door betrokkene, onvoldoende om aan te nemen dat betrokkene een overdrachtsdossier aan [naam 4] heeft overhandigd. Ten aanzien van de brief van 6 mei 2015, van betrokkene aan appellant, is onduidelijk waar appellant op baseert dat het misleidende karakter van de brief is aangetoond. Voorts heeft appellant niet duidelijk gemaakt wat het verband is tussen deze brief en het (beweerdelijke) overhandigen van een overdrachtsdossier aan [naam 4] . Aangezien appellant het klachtonderdeel onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt was er voor de accountantskamer geen reden om in te gaan op het argument van appellant dat betrokkene met het overhandigen van het overdrachtsdossier zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Grieven één en twee slagen niet.

7. In de derde grief voert appellant aan dat de accountantskamer in punt 4.2.4 van de bestreden uitspraak volkomen overbodig heeft overwogen dat te laat is geklaagd over het handelen van betrokkene voor juni 2011 en de klacht dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De klacht richt zich tegen het handelen van betrokkene dat in 2015 en 2016 escaleert, maar een bestendige gedragslijn volgt vanaf 2003. Louter ter onderbouwing van die gedragslijn zijn de historische feiten de revue gepasseerd. Appellant plaatst het handelen van betrokkene onder het gedeelte van de klacht genoemd ‘De tuchtrechtelijke verwijten waarop deze klacht gebaseerd is’ duidelijk in de context van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants die is ingegaan op 1 januari 2014. Ter zitting heeft appellant bevestigd het eens te zijn met het oordeel van de accountantskamer dat niet meer kan worden geoordeeld over handelen van betrokkene in de periode voor 19 juni 2011. Appellant heeft toegelicht dat het hem gaat om de opmerking van de accountantskamer dat hij zijn klacht te laat zou hebben ingediend, terwijl uit de klacht duidelijk blijkt dat het hem gaat om handelen in 2015 en 2016.

8. Het College is van oordeel dat uit de klacht niet eenduidig blijkt dat deze enkel ziet op de gedragingen van betrokkene in de periode 2015 en 2016. Ook in het gedeelte van de klacht genoemd ‘De tuchtrechtelijke verwijten waarop deze klacht gebaseerd is’ noemt appellant onder meer gedragingen van betrokkene in de jaren 2002 en 2003. De accountantskamer heeft de klacht daarom terecht deels niet-ontvankelijk verklaard, voor zover de klacht ziet op het handelen van voor 19 juni 2011. De grief slaagt niet.

9. Als vierde grief voert appellant ten aanzien van punt 4.5.3 van de bestreden uitspraak aan dat hij nooit heeft beweerd dat betrokkene de auctor intellectualis zou zijn geweest achter de klacht. Over punt 4.5.5 van de bestreden uitspraak voert appellant aan dat uit het proces-verbaal van de zitting bij de accountantskamer blijkt dat in het geheel niet aan de orde is geweest of betrokkene de complete aangifte Vpb van Conew aan [naam 4] ter beschikking heeft gesteld. Voorts bestrijdt appellant de visie van de accountantskamer zoals verwoord in punt 4.6.2 van de bestreden uitspraak, gezien de vaststaande feiten. Ten aanzien van de in dit punt genoemde toezegging op de algemene vergadering van aandeelhouders van 19 maart 2015 verwijst appellant naar hetgeen in de goedgekeurde notulen is opgemerkt. Ten aanzien van de toezegging aan de klachtencommissie betwist appellant dat betrokkene alleen heeft toegezegd stukken toe te zenden voor zover hij daar nog over beschikte. De toezegging was zonder enig voorbehoud.

10. Betrokkene voert aan dat appellant ‘vaststaande feiten’ noemt, maar het gaat om beweringen en meningen. Appellant verwijst naar notulen van de vergadering van 19 maart 2015, echter tegen de inhoud van deze notulen heeft betrokkene bezwaar gemaakt, omdat deze op geen enkele wijze recht doen aan het daar besprokene. Betrokkene heeft meermalen verzocht om een bandopname, aan de hand waarvan eenvoudig kan worden nagegaan wat er is besproken. Deze heeft betrokkene tot op heden niet ontvangen.

11. Ten aanzien van punt 4.5.3 van de bestreden uitspraak overweegt het College dat de strekking van de klacht is dat betrokkene een grote rol zou hebben gespeeld bij het indienen van de klacht door [naam 4] . De door de accountantskamer gebruikte bewoordingen in 4.5.3 acht het College daarom niet onjuist. Ten aanzien van punt 5.5 van de bestreden uitspraak overweegt het College dat betrokkene gedurende de gehele procedure heeft betwist dat hij het overdrachtsdossier, waar de aangifte Vpb kennelijk deel van uitmaakte, ter beschikking heeft gesteld aan [naam 4] . Het betoog van appellant slaagt om die reden niet. Betreffende punt 4.6.2 van de bestreden uitspraak stelt het College vast dat daarin niet een oordeel van de accountantskamer besloten ligt, maar enkel het standpunt van betrokkene is weergegeven. Om die reden slaagt ook dat betoog niet, waarbij het College nog opmerkt dat appellant niet duidelijk heeft gemaakt wat het verband is tussen de notulen van de vergadering van 19 maart 2015 en de op 20 april 2015 ingediende klacht. De grief slaagt niet.

12. Gelet op het voorgaande ziet het College geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek ter zitting om getuigen op te roepen.

13. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

14 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. F. van der Wel, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. L.N. Foppen