Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:545

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
18/2135
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Artikel 23, derde lid, van de Msw. Op het bedrijf gehouden dieren. Verpachte stal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/457 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2135

uitspraak van enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: mr. M.J. Jager)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. J.G. Biesheuvel en mr. M. Leegsma).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 32 kilogram (kg).

Bij besluit van 27 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw wordt het op het bedrijf rustende

fosfaatrecht per 1 januari 2018 door de minister vastgesteld overeenkomstig de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een jongvee-opfokbedrijf. Sinds 2009 fokt appellante tegen betaling jongvee op voor Maatschap [naam 2] . Appellante koopt het jongvee op een leeftijd van ongeveer 4 maanden van Maatschap [naam 2] . Het jongvee wordt op het bedrijf van appellante gehuisvest en appellante zorgt voor het voederen, verzorgen en weiden van het vee tot dat zij als drachtige vaars van ongeveer twee maanden voor afkalving door Maatschap [naam 2] worden teruggekocht voor het aankoopbedrag vermeerderd met de opfokvergoeding. Daarnaast draagt appellante zorg voor de mestboekhouding en mestafzet van het op haar bedrijf gehouden jongvee.

2.2

Bij pachtovereenkomst van 1 juni 2015 heeft appellante aan Maatschap [naam 2] haar stal en de mestopslagsilo verpacht voor de periode van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016. Op 1 juli 2015 heeft Maatschap [naam 2] al het jongvee van appellante teruggekocht en op haar naam in het I&R-systeem geregistreerd.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 32 kg. Daarbij is verweerder uitgegaan van 1 stuk jongvee jonger dan 1 jaar (diercategorie 101) en 1 stuk jongvee van 1 jaar en ouder (diercategorie 102) op het bedrijf van appellante op 2 juli 2015. Verweerder heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De beroepsgronden

4. Appellante stelt recht te hebben op fosfaatrechten voor 233 stuks jongvee die volgens appellante op peildatum 2 juli 2015 op haar bedrijf aanwezig waren. Daartoe voert appellante aan dat zij zich wegens omstandigheden gedwongen zag om haar stal voor de periode van
1 juni 2015 tot 1 juni 2016 aan Maatschap [naam 2] te verpachten en op dat moment op haar bedrijf aanwezige jongvee aan Maatschap [naam 2] over te dragen. Dit had tot gevolg dat op
1 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezige vee - bestaande uit 91 kalveren en 142 pinken - op naam van Maatschap [naam 2] in het I&R systeem werd geregistreerd. Appellante is, met uitzondering van de periode 1 juni 2015 tot en 1 juni 2016, altijd eigenaar van het op haar bedrijf gehouden jongvee geweest. Ondanks de pacht van de stal en het administratief overdragen van het vee voor de periode 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 veranderde feitelijk niets aan de vanaf 2009 bestaande situatie, in die zin dat appellante nog steeds het jongvee voor Maatschap [naam 2] in haar stal huisvestte, voerde, verzorgde en weide. Appellante was de feitelijk houder van het vee. Verweerder had gelet op artikel 23, derde lid, van de Msw en de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter invoering van het fosfaatrechtenstelsel (Kamerstukken II, 2015/16, 34 532, nr. 3, blz. 19 en 43) in afwijking van het I&R-systeem fosfaatrechten aan appellante moeten toekennen voor de op 2 juli 2015 op haar bedrijf gehouden 91 kalveren en 142 pinken.

Het standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan appellante terecht 32 kg aan fosfaatrechten is toegekend. Voor het vaststellen van de omvang van fosfaatrechten is de definitie van “bedrijf” uit de Msw en “houderschap” krachtens artikel 23, derde lid, van de Msw van betekenis. Voor houderschap is van belang dat de dieren bij het bedrijf van de houder geregistreerd stonden (I&R). Uit artikel 2 en Regeling identificatie en registratie van dieren, blijkt dat de houder van dieren deze dieren dient te laten registreren op een daartoe aan haar verstrekte UBN nummer. Appellante heeft er bewust voor gekozen om haar stal(len) per juni 2015 voor een jaar aan Maatschap [naam 2] te verpachten en het vee te verkopen aan Maatschap [naam 2] , die het vee vervolgens op haar UBN-nummer in het I&R-systeem heeft laten registeren.

Beoordeling

6.1

Op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw wordt het op het bedrijf rustende fosfaatrecht vastgesteld aan de hand van het volgende criterium: het aantal stuks melkvee dat op 2 juli 2015 op dat bedrijf wordt gehouden en is geregistreerd in het I&R-systeem. Uit het systeem van de Mw volgt dat de I&R-registratie in beginsel leidend is voor het vaststellen van het fosfaatrecht. Er kan aanleiding zijn om nader onderzoek te doen naar de juistheid van die registratie als die juistheid onderbouwd wordt betwist.

6.2

Niet is in geschil dat op de peildatum 2 juli 2015 2 stuks jongvee op naam van appellante in het I&R systeem stond geregistreerd en dat het fosfaatrecht van appellante in overeenstemming daarmee is vastgesteld. Appellante meent dat haar ook fosfaatrecht toekomt voor de dieren die zij voor de Maatschap [naam 2] in de periode 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 hield. Voor zover moet worden aangenomen dat de dieren op het bedrijf van appellante werden gehouden in de zin van de Msw, is het College van oordeel dat indien appellante meende dat de registratie van de dieren in het I&R-systeem onjuist was omdat niet Maatschap [naam 2] maar zij als houder diende te worden aangemerkt, het op haar weg had gelegen dat onderbouwd te betwisten en zich te richten op een wijziging van de registratie. Verweerder behoefde in de wijziging van de I&R registratie na de koop van het jongvee door Maatschap [naam 2] geen aanleiding te zien om nader onderzoek te doen. Een overdacht van vee is immers niet ongebruikelijk en leidt in de regel tot een wijziging van de registratie voor de overgedragen dieren. Een wijziging van de I&R-registratie, nodig om de vaststelling van het fosfaatrecht aan te passen, ligt in dit geschil niet voor. Het beroep slaagt niet.

Slotsom

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het fosfaatrecht van appellante juist heeft vastgesteld. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van

mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

w.g. M. van Duuren w.g. A. El Markai