Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:541

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
18/2603 en 19/531
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen de in rekening gebrachte kosten van de kwaliteitstoetsing van de accountantspraktijk. Het bedrag dat appellante jaarlijks is verschuldigd aan de AFM heeft enkel betrekking op het doorlopende toezicht, dat de AFM uitvoert. Uit de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen volgt dat het bestuur van de NBA ook zelf periodiek kwaliteitstoetsingen dient uit te voeren. Uit de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen volgt dat verweerder voor de uitvoering van de kwaliteitstoetsingen vaste tarieven in rekening brengt. De hoogte van de in rekening te brengen tarieven is niet afhankelijk van het aantal uren dat is besteed aan een kwaliteitstoetsing, zodat de duur van de kwaliteitstoetsing die bij appellante is uitgevoerd, niet relevant is voor de in rekening te brengen kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 18/2603 en 19/531

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 oktober 2019 in de zaak tussen

AuditNL Oost B.V., te Arnhem, appellante

(gemachtigde: G.W. Slijkhuis),

en

het bestuur van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.C. Neuteboom-Klink).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder voor de uitvoering van een kwaliteitstoetsing een bedrag van € 4.990,- (excl. btw) in rekening gebracht bij appellante.

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep heeft het zaaknummer 18/2603.

Bij besluiten van 12 december 2018 en 14 december 2018 (de primaire besluiten II en III) heeft verweerder voor de uitvoering van een hertoetsing en voor de beoordeling van een wettelijk controledossier een bedrag van € 4.155,- (excl. btw) en een bedrag van € 1.320,- (excl. btw) in rekening gebracht bij appellante.

Appellante heeft tegen de primaire besluiten II en III bezwaar gemaakt en verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij het College als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden aan het College. Dit beroep heeft het zaaknummer 19/531.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] , werkzaam bij de NBA.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Op 13 september 2016 heeft op het kantoor van appellante een kwaliteitstoetsing van de accountantspraktijk plaatsgevonden. De toetsing is uitgevoerd door twee toetsers, waarbij drie cliëntendossiers zijn beoordeeld. Twee dossiers hadden betrekking op de uitvoering van een wettelijke controle en een dossier had betrekking op de uitvoering van een vrijwillige controle.

1.3

Met het primaire besluit I heeft verweerder aan appellante een factuur gezonden van € 4.990,-, exclusief BTW, bestaande uit het tarief voor de uitvoering van een toetsing bij een accountantspraktijk van categorie III (€ 2.350,-) en het tarief voor de beoordeling van de twee wettelijke controledossiers (2 x € 1.320,-). Het totale bedrag dat verweerder bij appellante in rekening heeft gebracht bedraagt, inclusief BTW, € 6.037,90. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

1.4

Op 12 september 2018 heeft op het kantoor van appellante een hertoetsing plaatsgevonden. Bij de hertoetsing is een dossier getoetst dat betrekking had op de uitvoering van een wettelijke controle en een dossier dat betrekking had op een vrijwillige controle. Met de primaire besluiten II en III heeft verweerder een bedrag van € 4.155,-, exclusief BTW, en een bedrag van € 1.320,-, exclusief BTW, in rekening gebracht bij appellante. Voor de hertoetsing heeft verweerder aldus een totaal bedrag van € 6.624,75-, inclusief BTW, bij appellante in rekening gebracht.

2.1

Appellante voert aan dat verweerder door het convenant inzake samenwerking op het gebied van toezicht op accountantsorganisaties tussen de Autoriteit Financiële Markten en de rechtsvoorgangers van de NBA, het Nederlands Instituut voor Registeraccountants en de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (het convenant) het toezicht op de wettelijke controledossiers van de AFM heeft overgenomen. Zij vindt dat verweerder ten onrechte de kosten voor het uitvoeren van dit toezicht bij haar in rekening brengt, omdat de AFM ook jaarlijks een bedrag in rekening brengt voor de uitvoering van het toezicht. Appellante is van mening dat verweerder de kosten van de kwaliteitstoetsingen in rekening hoort te brengen bij de AFM.

2.2

Verweerder betoogt dat zowel de AFM als hijzelf één keer in de zes jaar een periodieke toetsing dient te verrichten bij accountantsorganisaties die niet beschikken over een vergunning voor het verrichten van wettelijke controles bij organisaties van openbaar belang. Om deze dubbele toetsing (en dubbele kosten) te voorkomen, hebben de AFM en verweerder bij het convenant afgesproken dat, in beginsel, verweerder de periodieke toetsingen uitvoert en dat hij zijn bevindingen deelt met de AFM, zodat de AFM op basis van deze informatie haar toezichtstaak kan uitvoeren. Volgens verweerder brengt de AFM daarnaast jaarlijks een bedrag in rekening voor het doorlopende toezicht. Dit bedrag staat los van de kosten die verweerder in rekening heeft gebracht voor de kwaliteitstoetsing.

2.3.1

Ten aanzien van de vraag of verweerder de kosten van de kwaliteitstoetsing en de hertoetsing bij appellante in rekening heeft mogen brengen zoals zij heeft gedaan, overweegt het College als volgt.

2.3.2

Uit artikel 3, tweede lid, van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen, voor zover van belang, volgt dat verweerder eenmaal in de zes jaar de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant beoordeelt. Uit het derde lid van dit artikel volgt, voor zover van belang, dat verweerder enkel bevoegd is om kwaliteitstoetsingen uit te voeren bij accountantsorganisaties, die geen wettelijke controles verrichten bij organisaties van openbaar belang. Op grond van artikel 48a, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties beoordeelt de AFM eenmaal in de zes jaar, of zoveel vaker als nodig is op basis van een risicoanalyse, of een accountantsorganisatie voldoet aan het bij of krachtens deze wet en de EU-verordening bepaalde.

2.3.3

Artikel 30, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep bepaalt dat de beroepsorganisatie de kosten van de werkzaamheden die zij verricht ter beoordeling van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant in rekening kan brengen bij haar leden of de kantoren waarbij deze leden werkzaam zijn. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen bepaalt dat ter vergoeding van de kosten van een kwaliteitstoetsing of hertoetsing een tarief in rekening wordt gebracht volgens de tarieventabel in bijlage 1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht, geldend ten tijde in geding, brengt de AFM jaarlijks een bedrag in rekening bij de accountantsorganisaties. Op grond van bijlage II van de Wet bekostiging financieel toezicht brengt de AFM een hoger bedrag in rekening bij accountantsorganisaties die wettelijke controles verrichten bij organisaties van openbaar belang dan bij accountantsorganisaties die, zoals appellante, geen wettelijke controles verrichten bij organisaties van openbaar belang.

2.3.4

Uit de voormelde artikelen volgt dat zowel verweerder als de AFM minimaal éénmaal in de zes jaar een kwaliteitscontrole dient uit te voeren bij accountantsorganisaties die geen wettelijke controles verrichten bij organisaties van openbaar belang. Om te voorkomen dat bij deze accountantsorganisaties twee keer een gelijksoortige toets wordt uitgevoerd door twee verschillende organisaties hebben verweerder en de AFM bij het convenant afgesproken dat in beginsel verweerder de kwaliteitstoetsingen uitvoert. Dit houdt weliswaar in dat verweerder een taak van de AFM heeft overgenomen, maar dit betekent niet dat deze taak in de plaats is gekomen van de kwaliteitstoetsingen die verweerder zelf dient te verrichten op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen. Verder volgt uit voormelde artikelen dat zowel de AFM als verweerder een bijdrage vragen voor de uitvoering van hun taak. De AFM brengt, op grond van artikel 13 van de Wet bekostiging financieel toezicht, jaarlijks een bedrag in rekening voor het doorlopende toezicht en verweerder brengt, op grond van artikel 30, tweede lid, van de Wet op het accountantsberoep in verbinding met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen een tarief in rekening voor de uitvoering van een kwaliteitstoetsing.

Anders dan appellante stelt zou verweerder dus ook zonder het convenant de kosten voor de uitvoering van een kwaliteitstoetsing bij haar in rekening brengen. Verweerder dient immers éénmaal in de zes jaar een kwaliteitscontrole bij appellante uit te voeren. Het bedrag dat appellante verschuldigd is aan de AFM heeft enkel betrekking op het doorlopende toezicht en dient appellante jaarlijks te betalen, ook in de jaren dat geen kwaliteitstoetsing wordt uitgevoerd. Van dubbele kosten voor de uitvoering van de kwaliteitstoetsingen is dus geen sprake.

3.1

Appellante voert voorts aan dat de kosten die in rekening zijn gebracht voor de uitvoering van de kwaliteitstoetsing niet in verhouding staan tot de werkelijk bestede uren. Zij stelt dat de kosten voor de toetsing van een wettelijk controledossier zijn gebaseerd op acht uur, terwijl op 13 september 2016 twee wettelijke controledossiers zijn getoetst. Tevens stelt appellante dat de hertoetsing slechts een dag heeft geduurd en niet de geplande twee dagen. Daar komt bij dat bij de hertoetsing slechts een wettelijk controledossier is beoordeeld, terwijl de ledenvergadering bij de vaststelling van het tarief ervan is uitgegaan dat meerdere dossiers zouden worden getoetst. Volgens appellante moet, op grond van de nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NVCOS), een wettelijke controle op dezelfde manier worden behandeld als een vrijwillige controle. Bovendien bezorgen de wettelijke controles de toetsers geen extra werk, zodat er geen reden is om voor de wettelijke controles een extra tarief in rekening te brengen. Een bedrag van € 4.990,- voor de totale 23 uur die zijn besteed aan de kwaliteitstoetsing, vindt appellante exorbitant, mede gelet op het feit dat haar totale omzet in 2016 € 135.000,- was.

3.2

Verweerder betoogt in dit verband dat voor de werkzaamheden die verband houden met de kwaliteitstoetsing of de hertoetsing vaste tarieven in rekening worden gebracht, die zijn gespecificeerd in de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen. Bij het vaststellen van deze verordening is ervoor gekozen om aanvullende tarieven in rekening te brengen voor de beoordeling van een wettelijk controledossier, omdat het beoordelen van dergelijke dossiers intensiever is dan het beoordelen van een vrijwillig controledossier. Het tarief dat in rekening wordt gebracht voor de uitvoering van een kwaliteitstoetsing is afhankelijk van de omvang en de omzet van de accountantsorganisatie.

3.3.1

Ten aanzien van de hoogte van de bij appellante in rekening gebrachte bedragen voor de uitvoering van de kwaliteitstoetsing en de hertoetsing overweegt het College als volgt.

3.3.2

Uit artikel 19, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet op het accountantsberoep volgt dat de ledenvergadering van de beroepsorganisatie een verordening vaststelt met betrekking tot de tarieven die in rekening worden gebracht voor de werkzaamheden van een kwaliteitstoetsing. Dit is de Verordening op de kosten kwaliteitsbeoordelingen. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van deze verordening bepaalt dat per verrichte toetsing of hertoetsing een tarief in rekening wordt gebracht volgens de tarieventabel in bijlage 1. Hieruit volgt dat de ledenvergadering de tarieven, die in rekening worden gebracht voor de uitvoering van een kwaliteitstoetsing, niet afhankelijk heeft gesteld van het aantal uren dat is besteed aan een toetsing, maar dat per verrichte toetsing een vast tarief in rekening wordt gebracht. Om die reden is het niet relevant hoe lang een kwaliteitstoetsing of een hertoetsing heeft geduurd. De ledenvergadering heeft bij het vaststellen van de tarieven wel rekening gehouden met de grootte van de accountantsorganisatie (in termen van het aantal werkzame accountants en omzet). Zo volgt uit de tarieventabel dat het tarief voor de uitvoering van een toetsing van een accountantspraktijk van categorie III € 2.350,- bedraagt en dat het tarief van de hertoetsing € 4.155,- bedraagt. Weliswaar kunnen deze tarieven in individuele gevallen aan de hoge kant zijn, maar gelet op het feit dat de kosten van een kwaliteitstoetsing slechts eenmaal in de zes jaar in rekening worden gebracht en de kosten van een hertoetsing zich alleen voordoen indien daar aanleiding voor is, is het College van oordeel dat deze tarieven niet onevenredig hoog zijn, ook wanneer daarbij de jaarlijkse kosten van de AFM in aanmerking worden genomen.

3.3.3

Evenmin slaagt de stelling van appellante dat de toetsing van een wettelijk controledossier de toetser geen extra werkzaamheden bezorgt. Vanwege het convenant heeft verweerder de beoordeling van de wettelijke controledossiers overgenomen van de AFM. Hiermee heeft verweerder een extra taak op zich genomen, naast de uitvoering van de kwaliteitscontroles die hij al deed op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen. Voor zover appellante zich erop beroept dat uit de NVCOS volgt dat de wettelijke controles en de vrijwillige controles op dezelfde manier moeten worden behandeld, overweegt het College dat uit artikel 1, eerste lid, van deze voorschriften volgt dat zij slechts van toepassing zijn op opdrachten die een accountant uitvoert. Deze voorschriften zijn dus niet van toepassing op de kwaliteitstoetsingen door verweerder. Voor zover appellante stelt dat de kosten van de toetsingen een te zware aanslag op de liquiditeit zijn, overweegt het College dat zij deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt met bewijsstukken. Daar komt bij dat verweerder appellante in het verweerschrift heeft gewezen op de mogelijkheid om de facturen in termijnen te betalen.

4.1

Appellante voert voorts aan dat uit de notitie van de commissie voor de bezwaarschriften niet blijkt door wie deze notitie is opgesteld en dat de notitie niet is ondertekend. Hierdoor is het voor appellante onduidelijk wie onderdeel uitmaakt van deze commissie en vraagt zij zich af of de commissie voor de bezwaarschriften wel onafhankelijk is.

4.2

Verweerder betoogt dat de commissie voor de bezwaarschriften is ingesteld bij besluit van 23 september 2015 en bestaat uit [naam 2] (voorzitter), [naam 3] (extern lid) en [naam 4] (intern lid). De secretaris van de commissie is [naam 1] . Volgens verweerder is deze informatie ook op de website te vinden. Hij is van mening dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en ook inzichtelijk en concludent is.

4.3

Het College overweegt dat het bestreden besluit is voorbereid door een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze commissie heeft ter advies aan verweerder een bestuursnotitie opgesteld. Hoewel artikel 7:13 van de Awb niet voorschrijft dat een advies van een bezwaarschriftencommissie ondertekend dient te zijn, dient wel duidelijk te zijn wie onderdeel uitmaken van deze commissie, zodat de bezwaarmaker kan controleren of de commissie voldoet aan de eisen die de Awb daaraan stelt. Nu de samenstelling van de commissie voor bezwaarschriften is te vinden op de website van verweerder is geen sprake van een strijd met artikel 7:13 van de Awb. Voor de transparantie zou het overigens de voorkeur genieten wanneer verweerder de namen van de leden van de commissie voor de bezwaarschriften in de bestuursnotitie vermeldt.

5.1

Appellante voert ten slotte aan dat het bestreden besluit anderhalf jaar op zich heeft laten wachten. Zij vindt dit niet acceptabel en vindt dat dit financiële consequenties moet hebben.

5.2

Verweerder erkent dat hij de redelijke termijn in de bezwaarfase heeft overschreden en is bereid appellante hiervoor een bedrag toe te kennen.

5.3.1

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt.

5.3.2

In een niet-punitieve procedure, die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014, geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

5.3.3

De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 13 januari 2017. Dit betekent dat de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ruim negen maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, brengt het voorgaande met zich mee dat appellante recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Verweerder dient daarom, op grond van artikel 8:88 van de Awb, te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.000,-.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder om aan appellante een bedrag te betalen van € 1.000,-- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. J.L. Verbeek en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. C.M.J. Rouwers