Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:533

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
18/2258
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 1 EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Appellante had een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de beoogde uitbreiding in 2014 en het doen van investeringen voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Van een noodzaak tot uitbreiding tot de genoemde aantallen dieren is het College niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/462 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2258

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.A. van der Kruijt-Bos),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: C. Zieleman, mr. R. Kuiper en C. Hoegen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 14 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en

[naam 3] van [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Besluiten van verweerder

2. Het fosfaatrecht is vastgesteld op 10.142 kg. Bij de berekening is verweerder uitgegaan van de op 2 juli 2015 (de peildatum) aanwezige 219 melkkoeien en 155 stuks jongvee van 1 jaar. Verder is een generieke korting van 8,3% toegepast. Het bezwaar is ongegrond verklaard.

De beroepsgronden

3. Appellante voert, samengevat, aan dat het bestreden besluit een (onaanvaardbare) inbreuk maakt op haar eigendomsrecht. Het fosfaatrechtenstelsel vormt voor haar een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het EP. Appellante is geconfronteerd met een combinatie van latente stalruimte en financiële verplichtingen. De mate waarin deze factoren haar treffen en impact hebben op haar bedrijf onderscheidt zich van de gemiddelde melkveehouder. De toekenning van fosfaatrechten brengt haar bedrijfsvoering in gevaar. De onomkeerbare investeringen overstijgen het gemiddelde investeringsniveau van de reguliere bedrijfsontwikkeling. Ter onderbouwing beroept appellante zich op een rapport van [naam 4] van juli 2019 waarin een financiële vergelijking wordt gemaakt van vier scenario’s. Verweerder moet op basis daarvan appellante ontheffing verlenen. Daarnaast is in de jaren voorafgaand aan de peildatum sprake geweest van diverse buitengewone omstandigheden, waaronder in het bijzonder ziekte van de ondernemer en stormschade aan de stal, waarmee verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden bij het vaststellen van het fosfaatrecht. Voorts voert appellante aan dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in haar geval geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Het bestreden besluit kan dan ook geen stand houden, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van artikel 1 van het EP. Allereerst heeft appellante niet aangetoond dat zij op de peildatum beschikte over een vergunning voor de beoogde uitbreiding. Daarnaast toont het door appellante overgelegde rapport niet aan dat, voor zover al sprake zou zijn van gevaar voor continuering van het bedrijf, dit gevaar veroorzaakt is door het fosfaatrechtenstelsel. Daar komt bij dat het rapport ten onrechte als uitgangspunt hanteert dat na de afschaffing van het melkquotum uitbreiding zonder beperkingen mogelijk zou zijn. Hierdoor kan aan het rapport niet de waarde worden gehecht die appellante hieraan gehecht wenst te zien. Voorts merkt verweerder op dat reeds in 2014 en 2015 sprake was van een wankele financiële positie van het bedrijf. Voor zover er sprake is van gevaar voor continuering van het bedrijf, was dit gevaar al aanwezig voor de invoering van het fosfaatstelsel. De beweerdelijke schade als gevolg van niet gerealiseerde groei komt, mede gezien de voorzienbaarheid, voor rekening van appellante.

De beoordeling

5.1

Het College heeft de algemene uitgangspunten voor de beoordeling van het beroep op artikel 1 van het EP uiteengezet in zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522), de uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7) en de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291). Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin de individuele melkveehouder wordt geraakt door het fosfaatrechtenstelsel en het aan hem toegekende fosfaatrecht. Daarbij heeft te gelden dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht als een buitensporige last kan worden aangemerkt. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellante, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie voornoemde uitspraak van 23 juli 2019, r.o. 6.8.2).

5.2

Naar het oordeel van het College heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

5.3

Appellante heeft geïnvesteerd in een uitbreiding van de veestapel tot 300 melkkoeien en 149 stuks jongvee. Zoals het College in de hiervoor genoemde uitspraak van 23 juli 2019 heeft overwogen, had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing productie-beperkende maatregelen te verwachten waren. Appellante had daarom een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de beoogde uitbreiding in 2014 en het doen van investeringen die - zoals appellante zelf stelt - het gemiddelde investeringsniveau van de reguliere bedrijfsontwikkeling overstijgen, voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Van een noodzaak tot een uitbreiding tot de genoemde aantallen dieren vanwege de door appellante genoemde buitengewone omstandigheden is het College niet gebleken. In dat verband is de enkele stelling van appellante dat het bedrijf meer inkomsten moest genereren om personeel in te huren in verband met ziekte en (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van de ondernemer onvoldoende. Verder heeft appellante met haar keuze om de veestapel geleidelijk te laten groeien middels eigen opfok van jongvee een risico genomen dat voor haar rekening komt (zie de uitspraak van het College van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6). Tot slot acht het College van belang dat aan appellante voor een deel van de beoogde uitbreiding wel fosfaatrechten zijn toegekend en haar in totaal 10.142 kg fosfaatrecht met de daaraan verbonden economische waarde is toegekend.

5.4

Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Nu het beroep reeds om bovengenoemde redenen faalt, kan in het midden blijven of appellante tijdig over alle benodigde vergunningen beschikte.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Appellante wordt wel gevolgd in haar betoog dat het bestreden besluit niet is voorzien van een toereikende motivering. Pas in het overgelegde verweerschrift is deze motivering gegeven. Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

8. Gezien het geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

w.g. I.M. Ludwig w.g. F. Willems