Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:526

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
17/918, 17/1266 en 17/1267
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies. EVF. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/918, 17/1266 en 17/1267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 in de zaken tussen

Coöperatieve Visserij Organisatie U.A. te Emmeloord, appellante

(gemachtigden: mr. A. van Lohuizen en mr. S. Maakal),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).

Procesverloop

17/918


Bij besluit van 31 augustus 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aan appellante in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Collectieve acties in de visketen 2013 (de Regeling), verleende subsidie vastgesteld op € 364.538,-.

Bij besluit van 20 april 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit 1 herroepen en de subsidie vastgesteld op € 365.082,-.

17/1266

Bij besluit van 31 augustus 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aan appellante in het kader van de Regeling verleende subsidie vastgesteld op € 453.203,-.

Bij besluit van 4 juli 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit 2 herroepen en de subsidie vastgesteld op € 469.201,-.

17/1267

Bij besluit van 31 augustus 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de aan appellante in het kader van de Regeling verleende subsidie vastgesteld op € 122.397,-.

Bij besluit van 4 juli 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit 3 herroepen en de subsidie vastgesteld op € 122.767,-.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2019. De zaken zijn gevoegd behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van appellante was tevens aanwezig [naam 1].

Appellante heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van deze verzoeken heeft het College de Staat als partij aangemerkt.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft binnen het zogenoemde ’Uitvoeringsprogramma CVO aanlandplicht’ zeven aanlandplichtprojecten uitgevoerd. Het gaat in deze zaken om de projecten ‘Sectorale en ketenintegrale aanpak Langoustines’, ‘Aantonen overleving discards tong en schol Nederlandse kottervloot’ en ‘Best practices, selectiviteit en overleving bijvangst kottervisserij’.

1.2

Voor het project ‘Sectorale en ketenintegrale aanpak Langoustines’ heeft appellante op 28 november 2013 subsidie aangevraagd. Bij besluit van 27 maart 2014 heeft verweerder op die aanvraag beslist en een bedrag van maximaal € 480.253,- aan subsidie verleend. Hiervan wordt 70% gefinancierd uit het EVF.

1.3

Voor het project ‘Aantonen overleving discards tong en schol Nederlandse kottervloot’ heeft appellante op 2 december 2013 subsidie aangevraagd. Bij besluit van
27 maart 2014 heeft verweerder op die aanvraag beslist en een bedrag van maximaal
€ 500.000,- aan subsidie verleend. Hiervan wordt 70% gefinancierd uit het EVF.

1.4

Voor het project ‘Best practices, selectiviteit en overleving bijvangst kottervisserij’ heeft appellante op 29 november 2013 subsidie aangevraagd. Bij besluit van 27 maart 2014 heeft verweerder op die aanvraag beslist en een bedrag van maximaal € 153.210,- aan subsidie verleend. Hiervan wordt 70% gefinancierd uit het Europees Visserijfonds (EVF).

1.5

Appellante heeft voor de andere vier aanlandplichtprojecten eveneens subsidie aangevraagd en verleend gekregen.

1.6

Appellante heeft in de drie zaken aanvragen ingediend tot vaststelling van de aan haar verleende subsidie.

2.1

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 365.082,-. Verweerder heeft de ‘Kosten Stuurgroep aanlandplicht’, waarbij het gaat om de facturen met de volgnummers 18, 19, 25, 29, 42, 49, 52, 80, 86 en 87, Verder heeft verweerder geweigerd de gedeclareerde ‘Kosten Vangstverlies/Visverlet’ (de facturen met de volgnummers 44, 48, 50, 51, 55, 56, 57, 60, 69, 71, 72, 74 en 77) en de accountantskosten (de factuur met het volgnummer 85) als subsidiabele kosten aan te merken.

2.2

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 469.201,-. Verweerder heeft de ‘Kosten Stuurgroep aanlandplicht’, waarbij het gaat om de facturen met de volgnummers 8, 10,12, 17, 23, 27, 35, 40, 41, 64 en 66, niet subsidiabel gesteld. Verder heeft verweerder (deels) geweigerd de gedeclareerde ‘Kosten inzet Sparc advies’ (de facturen met de volgnummers 33, 37, 53 en 62), ‘Kosten Vangstverlies/Visverlet’ (de facturen met de volgnummers 5, 6, 11, 16, 19, 20, 24, 26 en 32), de gedeclareerde factuur van Maaskant Shipyards (met het volgnummer 60), Mossel- en vishandel Habraken (met volgnummer 3) en Visspecialiteitenrestaurant de Zeemeeuw (met het volgnummer 50), alsmede de gedeclareerde kosten van [naam 2] (met het volgnummer 29), gedeclareerde reis- en verblijfkosten voor de bijeenkomst WKMEDS (met het volgnummer 71) en de accountantskosten (de factuur met het volgnummer 58) als subsidiabele kosten aan te merken.

2.3

Bij het bestreden besluit 3 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 122.767,-. Verweerder heeft de ‘Kosten Stuurgroep aanlandplicht’, waarbij het gaat om de facturen met de volgnummers 5, 9, 11, 14, 18, 21, 24, 32, 36 en 37, niet subsidiabel gesteld. De uren op deze facturen, die gemaakt zijn door de Stuurgroep, zijn volgens verweerder niet direct te relateren aan het project. Verder heeft verweerder (deels) geweigerd de gedeclareerde facturen van Oostdam Partycentrum (met het volgnummer 15) en Flynth (met de volgnummers 28 en 41) en de accountantskosten (de factuur met het volgnummer 34) als subsidiabele kosten aan te merken.

3. De subsidie is verleend in het kader van de Regeling. De bestreden besluiten dateren van na 1 januari 2016. Met ingang van 1 juli 2015 is de Regeling Europese EZ-subsidies (thans genaamd: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies) in werking getreden (artikel 6.4 van diezelfde regeling) en per 1 januari 2016 is de Regeling ingetrokken. Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies blijft de Regeling van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend op grond van die regeling.

Kosten van de Stuurgroep (de zaken 17/918, 17/1266 en 17/1267)

4.1

Verweerder heeft deze kosten onder verwijzing naar artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1:15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling niet subsidiabel gesteld. De gefactureerde uren die gemaakt zijn door de Stuurgroep, zijn volgens verweerder niet direct te relateren aan de aanlandplichtprojecten die in deze gedingen aan de orde zijn.

4.2

Appellante voert aan dat verweerder de kosten van de Stuurgroep ten onrechte niet subsidiabel heeft geacht. De Stuurgroep is opgericht om de zeven aanlandprojecten overkoepelend te begeleiden. De Stuurgroep heeft in dat verband regelmatig vergaderd over deze zeven projecten. Deze vergaderingen zijn gezamenlijk voorbereid, uitgevoerd en nabesproken. Daarin is gezamenlijk gesproken over de uitvoering, voortgang en kosten van de lopende projecten. Per vergadering van de Stuurgroep is dus altijd over alle projecten gesproken. Om zo kostenefficiënt mogelijk te werken zijn de vergaderingen van de Stuurgroep niet per project belegd, maar zijn per vergadering alle projecten besproken. De tijdregistratie van deze overleggen is daarom in eerste instantie niet per individueel project bijgehouden, maar evenredig uitgewerkt over de dossiers. Daarbij is zodanig geadministreerd dat geen overlap kan plaatsvinden en geen onnodige kosten in rekeningen worden gebracht. Verweerder heeft erkend dat de wijze van administreren zoals appellante dat deed vele malen effectiever en goedkoper is. Inhoudelijk gezien staan de bestede uren en het doel daarvan niet ter discussie. Het gaat nog slechts om de wijze van facturatie. Materieel gezien maakt het geen verschil. Per project is immers eenzelfde tijdsbesteding gemoeid. Dit betekent dat, al zou wel per project individueel een tijdregistratie zijn bijgehouden, de urenbesteding onder aan de streep alsnog op hetzelfde zou uitkomen. Dit betekent dat alsnog per project 1/7 deel van het bestede aantal uren aan ieder afzonderlijk project toegeschreven zou worden. Doordat appellante reeds vanaf het begin heeft aangegeven dat ieder dossier per vergadering per saldo even veel tijd vraagt, zijn de gemaakte uren van de Stuurgroep wel degelijk rechtstreeks toe te rekenen aan ieder afzonderlijk project. Verweerder heeft hiermee wel degelijk ingestemd. In de beslissingen op de wijzigingsverzoeken zijn kosten derden in het kader van de Stuurgroep akkoord bevonden. Verweerder was bovendien op de hoogte van de oprichting van de overkoepelende stuurgroep in het kader van de zeven projecten en het had op zijn weg gelegen om aan te geven dat het ‘evenredig factureren’ niet de bedoeling was. Ook de achtergrond van artikel 1:15, eerste lid, aanhef en onder b van de Regeling is van belang. De eis van ‘projectgerelateerdheid’ is in het leven geroepen om dubbele belasting, overlap, onnodige kosten en onoverzichtelijke en ondoorgrondelijke subsidieverstrekkingen te voorkomen. De wijze van administreren van appellante dient juist dat doel.

4.3

Het College heeft in de zaken van de hiervoor onder 1.5 genoemde vier aanlandplichtprojecten op 12 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:111, 113, 114 en 115) uitspraken gedaan. In die uitspraken heeft het College over de kosten van de Stuurgroep geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft aangetoond dat de kosten rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen, zodat verweerder die kosten om die reden terecht niet subsidiabel heeft gesteld. Hiertoe heeft het College het volgende overwogen.

“4.4 Uit artikel 1:15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling volgt dat kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft, niet in aanmerking komen voor subsidie. Als algemene toelichting bij de subsidieverlening is appellante erop gewezen dat kosten alleen subsidiabel zijn wanneer zij direct aan het project zijn toe te schrijven. Voorts volgt uit artikel 4:45, tweede lid, van de Awb dat de aanvrager bij de aanvraag om subsidievaststelling rekening en verantwoording dient af te leggen omtrent de uitgaven en inkomsten die zijn verbonden aan de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt. Uit de stukken en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, leidt het College echter af dat de Stuurgroep tot oktober 2015 voor de zeven projecten gezamenlijk urenregistraties heeft bijgehouden en op grond daarvan voor de zeven projecten gezamenlijk kosten heeft gefactureerd. Op (een deel van) deze facturen is met de hand ‘1/7’ bijgeschreven. Appellante heeft op basis daarvan in alle zeven projecten 1/7 deel van de desbetreffende factuurbedragen opgenomen in de aanvragen om subsidievaststelling.

4.5

Verweerder heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat uit de bij de aanvraag om subsidievaststelling overgelegde, niet op het onderhavige project toegespitste facturen, in combinatie met de niet per project gespecificeerde urenregistraties, niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk 1/7 deel van de door de Stuurgroep gemaakte en gefactureerde kosten ten behoeve van het onderhavige project is gemaakt. Dat, zoals appellante stelt, de zeven projecten in gelijke mate bij de Stuurgroep aan de orde zouden zijn gekomen maakt dat niet anders. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met deze wijze van factureren door appellante heeft ingestemd. Dat verweerder op basis van offertes heeft ingestemd met de verlening van subsidie voor de kosten van de Stuurgroep, betekent niet dat hij daarmee ook heeft ingestemd met een evenredige verdeling van de kosten over de zeven projecten. Bovendien blijkt uit een belnotitie van verweerder dat al tijdens een telefoongesprek op 26 maart 2015 tussen een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en [naam 3] het risico van overlap van facturen en betalingen aan de orde is gesteld en dat [naam 3] daarop heeft te kennen gegeven de verschillende projectadministraties strikt gescheiden te houden en de urenadministratie te laten specificeren. Naar aanleiding van gesprekken die op 14 en 16 oktober 2015 tussen appellante en verweerder hebben plaatsgevonden en waarbij is besproken dat de kosten van de Stuurgroep per project apart gefactureerd moesten worden, heeft de Stuurgroep haar werkwijze gewijzigd en heeft zij per project 1/7 deel van de totale kosten gefactureerd. Hoewel verweerder met deze wijze van factureren genoegen heeft genomen en de kosten op basis daarvan vervolgens wel subsidiabel heeft gesteld, betekent dit niet dat verweerder daarom ook de kosten op basis van de eerdere facturen subsidiabel had moeten stellen. (…)”

4.4

Hetgeen appellante heeft aangevoerd is hoofdzakelijk een herhaling van wat zij eerder in de andere vier zaken naar voren heeft gebracht en waarover het College dus al heeft geoordeeld. Het aangevoerde biedt het College geen aanknopingspunt hierover ten aanzien van de drie onderhavige projecten anders te oordelen. Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

Kosten Vangstverlies/Visverlet (de zaken 17/918 en 17/1266)

5.1

Appellante voert aan dat verweerder de door appellante opgevoerde kosten die zien op visvangstverlies ten onrechte niet subsidiabel heeft gesteld.

5.2

Ter zitting heeft verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 25 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:508), erkend dat de bestreden besluiten 1 en 2 op dit punt onrechtmatig zijn. Deze beroepsgrond slaagt.

Accountantskosten (de zaken 17/918, 17/1266 en 17/1267)

6.1

Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte de kosten voor werkzaamheden van de accountant niet als subsidiabele kosten heeft aangemerkt.

6.2

Verweerder heeft ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 16 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:539) erkend dat de bestreden besluiten ook op dit punt onrechtmatig zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Kosten inzet Sparc Advies (de zaak 17/1266)

7.1

Appellante voert met betrekking tot de door haar opgevoerde kosten voor de inzet van het bedrijf Sparc Advies aan dat verweerder ten onrechte heeft gemeend dat deze kosten deels ten behoeve van andere projecten, namelijk het project ‘Best Practices’ en het project ‘Snoek’, zijn gemaakt. Deze kosten zien volgens haar op het overleg dat projectleider Martens van Sparc Advies juist ten behoeve van het onderhavige project met de deelnemers van het project ‘Best Practices’ en ‘Snoek’ heeft gehad. Deze overleggen hebben bijgedragen aan de resultaten van het onderhavige subsidieproject en de kosten daarvan zijn dan ook aan dit project gerelateerd. Bovendien zijn de kosten met betrekking tot de inzet van Sparc Advies al binnen het onderhavige project volledig subsidiabel gesteld als ‘kosten derden’. Appellante verwijst hiervoor naar het wijzigingsbesluit van 14 september 2015. Appellante wordt nu pas achteraf geconfronteerd met de stelling van verweerder dat deze kosten deels niet ‘projectgerelateerd’ zouden zijn.

7.2

Deze beroepsgrond faalt. In zijn uitspraak van 12 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:111) heeft het College in een van de andere onder 1.5 genoemde zaken geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft aangetoond dat die kosten rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen, zodat verweerder deze kosten om die reden terecht niet subsidiabel heeft gesteld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding hierover ten aanzien van onderhavig project anders te oordelen.

Kosten consumpties (de zaak 17/1266)

8.1

Appellante voert over de factuur van Mossel- en vishandel Habraken (met het volgnummer 3) en Visspecialiteitenrestaurant de Zeemeeuw (met het volgnummer 50) aan dat verweerder deze kosten ten onrechte niet subsidiabel heeft gesteld. Deze kosten zien op consumpties die tijdens projectbijeenkomsten (vergaderingen) ten behoeve van het project zijn genuttigd. Appellante meent dat deze kosten moeten worden aangemerkt als de aan derden verschuldigde kosten van proces- en ketenmanagement als bedoeld in artikel 4:25, aanhef en onder b, van de Regeling, of als vergaderfaciliteiten als genoemd in artikel 4:25, aanhef en onder g, van de Regeling.

8.2

Deze beroepsgrond faalt evenzeer. In zijn uitspraken van 12 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:113 en 115) heeft het College in twee van de andere onder 1.5 genoemde zaken geoordeeld dat kosten van consumpties als hier aan de orde niet vallen onder de subsidiabele kosten als genoemd in artikel 4:25 van de Regeling en dat daarvoor dan ook geen subsidie is verleend. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding hierover ten aanzien van onderhavig project anders te oordelen. Verweerder heeft voor de kosten op de facturen van Mossel- en vishandel Habraken en Visspecialiteitenrestaurant de Zeemeeuw dus terecht geen subsidie vastgesteld.

Kosten Maaskant Shipyards (de zaak 17/1266)

9.1

Appellante voert aan dat verweerder de door haar opgevoerde factuur van Maaskant Shipyards van 30 november 2015 (met het volgnummer 60) ten onrechte niet subsidiabel heeft gesteld.

9.2

Ter zitting heeft verweerder erkend dat het bestreden besluit 2 op dit punt onrechtmatig is. Deze beroepsgrond slaagt.

Kosten bijeenkomst WKMEDS van [naam 2] (de zaak 17/1266)

10.1

Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte de reis- en verblijfkosten (gedeclareerd onder het volgnummer 71) niet subsidiabel heeft gesteld. Appellante ziet niet in waarom deze kosten niet voldoende zijn onderbouwd; onduidelijk is wat van haar nog meer kan worden verwacht.

10.2

Deze beroepsgrond faalt. Appellante heeft een declaratieformulier ingediend van [naam 2] waarop de door haar bij appellante gedeclareerde reis- en verblijfskosten staan vermeld. Met verweerder is het College van oordeel dat die reis- en verblijfskosten onvoldoende zijn onderbouwd met betalingsbewijzen, terwijl bovendien niet vaststaat dat appellante die kosten aan [naam 2] heeft betaald.

Kosten [naam 2] (de zaak 17/1266)

11.1

Appellante voert aan dat verweerder de opgevoerde kosten van [naam 2] (onder volgnummer 29) ten onrechte niet volledig subsidiabel heeft gesteld.

11.2

Ter zitting heeft verweerder erkend dat het bestreden besluit 2 op dit punt onrechtmatig is. Deze beroepsgrond slaagt.

Kosten Oostdam Partycentrum (de zaak 17/1267)

12. Appellante heeft ter zitting haar beroepsgrond dat de kosten Oostdam Partycentrum ten onrechte niet subsidiabel zijn gesteld ingetrokken.

Kosten Flynth (de zaak 17/1267)

13.1

Appellante voert aan dat verweerder de facturen van Flynth ten onrechte niet volledig subsidiabel heeft gesteld. Verweerder heeft de inzet van Flynth in het kader van de subsidieverlening geaccordeerd. Volgens appellante had verweerder bij het vaststellen van de subsidie moeten uitgaan van het tarief dat Flynth daadwerkelijk in rekening heeft gebracht. Appellante heeft die kosten ook moeten betalen.

13.2

In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat uit de door Flynth aangeleverde urenonderbouwing blijkt dat met een gemiddeld uurtarief van € 151,- is gerekend, terwijl uit de offerte op grond waarvan de subsidie is verleend, een gemiddeld uurtarief van € 142,- is opgenomen.

13.3

Zoals het College eerder, in zijn uitspraak van 12 januari 2017 (ECLI:NL: CBB:2017:23) heeft overwogen is de begroting bij het subsidieverleningsbesluit onderdeel van dat besluit en daarmee in al haar onderdelen het financiële kader waarbinnen de verlening van de subsidie plaatsvindt. Verweerder diende op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb, de subsidie vast te stellen overeenkomstig de subsidieverlening. Vaststaat dat voor de hogere uurtarieven geen subsidie is verleend. Verweerder heeft appellante bij de subsidievaststelling dan ook mogen houden aan de door haar in de aanvraag om subsidieverlening gehanteerde, lagere, uurtarieven (zie ook de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:132). Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

Motivering van de besluiten en het verslag van de hoorzitting (de zaken 17/918, 17/1266 en 17/1267)

14. Appellante heeft ter zitting haar beroepsgrond over de motivering van de besluiten en het pas na het nemen van de bestreden besluiten toezenden van een verslag van de hoorzitting ingetrokken.

Proceskosten bezwaar (de zaken 17/918, 17/1266 en 17/1267)

15. Appellante heeft ter zitting haar beroepsgrond dat ten onrechte geen proceskosten zijn toegekend voor de bezwaarprocedure, ingetrokken.

Conclusie (de zaken 17/918, 17/1266 en 17/1267)

16. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. De bestreden besluiten zullen worden vernietigd. Het College ziet geen aanleiding om zelf in de zaken te voorzien, omdat het daarvoor over onvoldoende informatie beschikt. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van acht weken stellen.

Overschrijding van de redelijke termijn (de zaken 17/918, 17/1266 en 17/1267)

17.1

Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en zij heeft in verband daarmee in elke zaak verzocht een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

17.2

Het gaat hier om niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

17.3

De bezwaarschriften dateren van 11 oktober 2016. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met ruim twaalf van maanden overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom in elke zaak recht op
€ 1.000,- schadevergoeding.

17.4

Het College stelt in de zaak 17/918 vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, omdat de behandeling van het bezwaar niet meer dan een half jaar in beslag genomen heeft, terwijl de behandeling van het beroep bijna drie jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan appellante.

17.5

Het College stelt in de zaken 17/1266 en 17/1267 vast dat de overschrijding is toe te rekenen aan verweerder en het College, nu de behandeling van het bezwaar bijna 9 maanden in beslag heeft genomen en de behandeling van het beroep bijna 27 maanden heeft geduurd. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken (zie arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1). Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb in elk van deze twee zaken verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,-- aan appellante en de Staat (minister van Veiligheid en Justitie) tot betaling van een bedrag van € 750,-- aan appellante.

Proceskosten beroep

18. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in elke zaak vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep in de zaak 17/918 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,- te betalen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    verklaart het beroep in de zaak 17/1266 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 2;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 750,- te betalen;

  • -

    veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- te betalen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    verklaart het beroep in de zaak 17/1267 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 3;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 750,- te betalen;

  • -

    veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- te betalen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

w.g. A. Venekamp w.g. J.W.E. Pinckaers