Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:52

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
18/385
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kosten van de toepassing van bestuursdwang. Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Wet dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/385

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , te [plaats] , appellante,

(gemachtigde mr. M. Onrust)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de door appellante verschuldigde kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 6.752,02.

Appellante heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en beslist dat de door appellante verschuldigde kosten van de toepassing van bestuursdwang worden vastgesteld op een bedrag van € 5.823,81.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor verweerder zijn voorts verschenen
[naam 4] , en [naam 5] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 23 juni 2016 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en een districtinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) onderzoek verricht naar de leefomstandigheden van de dieren op het bedrijf van appellante. De bevindingen van de toezichthouders van de NVWA zijn vastgelegd in het rapport van bevindingen van 30 juni 2016 en die van de districtinspecteur van de LID in een toezichtrapport van 27 juni 2016. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft verweerder geconcludeerd dat de gezondheid en het welzijn van de honden, kippen, konijnen en paarden van appellante is aangetast en appellante bij besluit van 30 juni 2016 ten aanzien van deze dieren een last onder bestuursdwang (last) opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. Daarbij heeft verweerder appellante tien maatregelen opgelegd, die zij vóór 5 juli 2016 moest nemen en in stand houden.

1.2

Naar aanleiding van de last hebben toezichthouders van de NVWA en een districtinspecteur van de LID op 6 juli 2016 een hercontrole uitgevoerd op het bedrijf van appellante. De bevindingen van de toezichthouders van de NVWA zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 12 juli 2016 met nummer 94386 en die van de inspecteur van de LID in een toezichtrapport hercontrole van 11 juli 2016 met nummer LID/B/7-7-2016/13:00/Cdj (hercontrolerapporten). De toezichthouders hebben geconstateerd dat appellante niet heeft voldaan aan alle in de last opgelegde maatregelen. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan op dezelfde dag bestuursdwang toegepast en 16 konijnen, 4 kippen, 1 haan, 2 katten, 2 paarden en 3 honden meegevoerd en in bewaring genomen, hetgeen is vastgesteld in de processen-verbaal van meevoeren en opslaan van 6 en 7 juli 2016.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard, het primaire besluit deels herroepen en het te verhalen bedrag aan kosten verlaagd naar € 5.823,81. Blijkens de bij het bestreden besluit gevoegde overzichten zijn deze kosten gemaakt ten behoeve van het transport van 2 paarden en een aantal hekken, het verblijf van de katten en de honden op de opvanglocatie, en voor medische kosten. In de omstandigheid dat appellante afstand heeft willen doen van haar katten heeft verweerder geen aanleiding gezien de kosten voor de opvang, verzorging en behandeling van de katten niet bij haar in rekening te brengen. Ten aanzien van de hekken heeft verweerder overwogen dat deze kosten zijn gemaakt om de paarden te vangen. Vanwege de grootte van het perceel was het van belang deze hekken te bestellen, zodat de paarden konden worden meegenomen. Ten aanzien van de opvangkosten van de kippen en de haan heeft verweerder overwogen dat bij nader inzien niet is komen vast te staan dat appellante deze dieren de nodige zorg heeft onthouden, dan wel hun gezondheid en welzijn heeft benadeeld. Deze kosten heeft verweerder daarom in mindering gebracht. Verweerder heeft tot slot een deel van de in rekening gebrachte transportkosten van de paarden en een deel van de medische kosten in mindering gebracht op het bij het primaire besluit in rekening gebrachte totaalbedrag.

3. Tegen het besluit van 30 juni 2016 waarbij de last is opgelegd heeft appellante geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan. Het College gaat dan ook uit van de rechtmatigheid van dat besluit.

4. Gelet op de in de hercontrolerapporten gedetailleerd beschreven waarnemingen van de toezichthouders, heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat appellante niet heeft voldaan aan alle maatregelen die in de last aan haar zijn opgelegd. Hierbij is van belang dat deze bevindingen worden ondersteund door de bij deze rapporten gevoegde foto’s en de veterinaire verklaring van toezichthoudend dierenarts W. Wieten van 11 juli 2016, waarin uiteen is gezet dat en waarom appellante niet (volledig) heeft voldaan aan alle in de last opgelegde maatregelen. In het bezoekverslag en de visitebrieven van dierenarts [naam 6] ziet het College geen grond om aan te nemen dat appellante wel geheel heeft voldaan aan de last. De hierin neergelegde gegevens hebben geen betrekking op de gezondheid en de leefomstandigheden van de dieren op het bedrijf van appellante ten tijde van de hercontrole, zien vooral op de gezondheid van koeien en kalveren en zijn overigens onvoldoende concreet. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder bevoegd was om de last op grond van artikel 5:21, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) feitelijk ten uitvoer te (doen) leggen. Gelet op vorengenoemde bevindingen in de hercontrolerapporten volgt het College appellante niet in haar stelling dat het meevoeren en opslaan van de dieren was ingegeven door de omstandigheid dat de woning van appellante onbewoonbaar was verklaard.

5. Op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

6. In het enkele feit dat verweerder bij het bestreden besluit de kosten van de toegestane bestuursdwang voor de kippen en de haan niet meer op appellante heeft verhaald, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de kosten ten aanzien van de overige meegevoerde en opgeslagen dieren redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van appellante behoren te komen.

7.1

Appellante betoogt dat verweerder de kosten met betrekking tot de hekken € 735,20 ten onrechte bij haar in rekening heeft gebracht. Daartoe voert zij aan dat de hekken niet zijn gebruikt om de paarden te vangen. De paarden zijn door mevrouw [naam 3] met stukken brood gelokt nadat het personeel van het transportbedrijf het niet was gelukt om de paarden te vangen.

7.2

Het College acht aannemelijk dat in dit geval niet op voorhand was uitgesloten dat het gebruik van hekken vanwege de grootte van het perceel noodzakelijk was om de paarden te kunnen vangen. Dat naderhand is gebleken dat het gebruik van de hekken niet nodig was, is onvoldoende voor een ander oordeel. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de voor de hekken gemaakte transportkosten bij appellante in rekening heeft kunnen brengen.

8. Appellante betoogt dat de kosten met betrekking tot de meegenomen katten ten onrechte bij haar in rekening zijn gebracht, omdat een medewerkster van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (de GGD) op 6 juli 2016 haar zou hebben meegedeeld dat geen kosten in rekening zouden worden gebracht met betrekking tot deze katten indien zij hier afstand van zou doen. Het College begrijpt het betoog van appellante aldus dat zij een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van
15 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:17), bindt een toezegging van een bestuursorgaan dat bestuursorgaan alleen als er door of namens het bevoegd orgaan uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan. Reeds omdat appellante naar het oordeel van het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar gestelde toezegging door of namens verweerder is gedaan, slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de kosten voor transport en opvang van de katten van appellante redelijkerwijs niet bij appellante in rekening kunnen worden gebracht.

9. Ten aanzien van de in mindering gebrachte kosten in verband met de verkoopopbrengst van de honden overweegt het College het volgende. Appellante heeft geconstateerd dat bij de verrekening van de opbrengst van de honden ten onrechte is uitgegaan van de verkoop van twee in plaats van drie honden en dat daarom € 150,- te weinig in mindering is gebracht op de totale kosten van bestuursdwang. Nu verweerder deze fout tijdens de zitting van 28 november 2018 heeft erkend, is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Het College zal op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en het door appellante aan verweerder verschuldigde bedrag aan kosten van de toepassing van bestuursdwang te bepalen op € 5.673,81 (€ 5.823,81 verminderd met € 150,-) en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het primaire besluit.

10. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

11. Verweerder dient voorts het door appellante betaalde griffierecht van € 338,- te vergoeden.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, bepaalt het door appellante aan verweerder verschuldigde bedrag aan kosten van de toepassing van bestuursdwang op een bedrag van € 5.673,81 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.

w.g S.C. Stuldreher w.g. A. El Markai