Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:511

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
18/2260
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid van de Msw (knelgevallenregeling). Appellant voldoet niet aan de 5%-norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/446 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2260

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ing. H. Scholte),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het op het bedrijf van appellant rustende fosfaatrecht vastgesteld. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 29 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit voor dat deel herroepen en het fosfaatrecht verhoogd.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Appellant is met bericht niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1. Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-norm), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2. Appellant exploiteert een veehouderij. In zijn aanvullend bezwaarschrift van 31 maart 2018 heeft appellant melding gemaakt van diergezondheidsproblemen. Op 2 juli 2015 (de peildatum) hield appellant 133 melkkoeien en 134 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht vastgesteld op 6.676 kg. Bij het bestreden besluit heeft hij het fosfaatrecht verhoogd naar 6.761 kg (7.276,58 kg minus de generieke korting) omdat bij de eerdere berekening is uitgegaan van een onjuiste melkproductie. Het beroep van appellant op de knelgevallenregeling is afgewezen omdat appellant niet aan de voorwaarden voldoet.

De beroepsgronden

4. Appellant verzoekt bij de berekening van het aantal fosfaatrechten rekening te houden met de melkproductie van 2014 en de dieraantallen op de peildatum. Hij betoogt dat de melkproductie in 2015 is gedaald als gevolg van diergezondheidsproblemen en dat dit niet representatief is voor zijn bedrijf. Op basis van voornoemde gegevens stelt hij recht te hebben op 6.944 kg fosfaatrechten, zijnde 7.571 kg minus de generieke korting.

Het standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake was van diergezondheidsproblemen voorafgaand aan de peildatum. Appellant geeft slechts aan dat deze bijzondere omstandigheid zich heeft voorgedaan in 2015 waardoor de gemiddelde melkproductie over dat jaar lager was dan over het jaar 2014. Ook in de door appellant overgelegde verklaring van de veearts van maart 2018 wordt geen datum genoemd per wanneer de dierziekte is geconstateerd. Hierdoor is niet te bepalen met welke gegevens van welke alternatieve peildatum de gegevens van de peildatum van 2 juli 2015 moeten worden vergeleken. Indien verweerder wel zou meegaan met het betoog van appellant, leidt dit nog niet tot toewijzing van meer fosfaatrechten. Als wordt gerekend met de dieraantallen en de melkproductie uit 2014 zou appellant minder fosfaatrechten toegekend krijgen dan nu aan hem zijn toegekend.

Beoordeling

6. Nog daargelaten of op het bedrijf van appellant sprake was van diergezondheidsproblemen die hebben geleid tot een lagere melkproductie over het jaar 2015, is het College van oordeel dat de beroepsgrond van appellant niet kan slagen. Appellant heeft in het beroepschrift berekend dat hij op basis van het aantal dieren op de peildatum van 2 juli 2015 en de gemiddelde melkproductie over 2014 een hoeveelheid fosfaatrechten zou dienen te krijgen van 7.571,80 kg bruto en met aftrek van de generieke korting 6.944 kg. Daarmee voldoet appellant niet aan de 5%-norm. Ook een vergelijking met de bedrijfssituatie op een alternatieve peildatum in 2014 kan appellant niet baten omdat hij in 2014 minder dieren hield dan op de peildatum van 2 juli 2015.

Slotsom

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.

w.g. I.M. Ludwig w.g. F. Willems