Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:51

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
17/1565
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Verjaring, driejaarstermijn. Excessieve declaraties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1565

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2019 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. R.H. van Muijen),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 30 augustus 2017, gegeven op een klacht, door appellante ingediend tegen [naam 2], voorheen accountant-administratieconsulent, betrokkene.

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 30 augustus 2017, met nummer 16/2547 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2017:54).

Betrokkene is in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift te geven, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Betrokkene is eveneens verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene stond sinds 8 maart 1999 tot 30 augustus 2016 ingeschreven als accountant-administratieconsulent (AA) in het accountantsregister van de NOvAA (vanaf
1 januari 2013 het register van de Nba).

1.3

Appellante is sinds 2005 als notaris gevestigd te [plaats] . Betrokkene heeft vanaf juli 2012 tot maart 2016 accountancywerkzaamheden voor het notariskantoor van appellante verricht.

1.4

Vanaf 2011 tot januari 2012 heeft een kantoor van [naam 3] Groep (hierna: [naam 3] ) accountancywerkzaamheden verricht voor appellante. In oktober 2011 heeft appellante ontdekt dat de administratie verkeerd was ingericht en boekingen onjuist waren verwerkt. In januari 2012 heeft [naam 4] B.V. (hierna: [naam 4] ) de accountancy-werkzaamheden overgenomen omdat appellante geen vertrouwen meer had in [naam 3] . Vervolgens is in mei 2012 een geschil tussen appellante en [naam 3] ontstaan, hetgeen heeft geleid tot een civiele procedure, waarin appellante [naam 3] heeft verweten toerekenbaar tekort te zijn geschoten en zij schadevergoeding heeft gevorderd.

1.5

In juli 2012 heeft appellante (op advies van SRK Rechtsbijstand) betrokkene opdracht gegeven om de jaarrekening 2010 opnieuw samen te stellen en te onderzoeken waarom de lening aan de partner van appellante in de door [naam 3] opgestelde jaarrekening 2010 was opgevoerd. In het najaar van 2012 heeft betrokkene daarover een rapportage van bevindingen afgerond. Betrokkene is met appellante een uurtarief van
€ 95 (exclusief BTW) overeengekomen. Op de (debet)facturen is een uurtarief van € 150 vermeld en zijn afzonderlijke creditfacturen aan appellante gestuurd waardoor het feitelijk in rekening gebrachte uurtarief op € 95 uitkwam.

1.6

Medio september 2012 heeft het Bureau Financieel Toezicht (BFT) aangekondigd periodiek onderzoek te gaan doen op het notariskantoor. Nadat appellante het BFT had ingelicht over het ontbrekende depot in de jaarrekening 2011 en de opgevoerde lening aan haar partner in de jaarrekening 2010 heeft het BFT gevorderd de administratie van het boekjaar 2011 opnieuw in te voeren. [naam 4] heeft deze werkzaamheden niet op zich willen nemen. [naam 4] heeft de boekhouding over 2012 afgerond en de relatie met appellante beëindigd. Vervolgens heeft appellante aan betrokkene de opdracht verstrekt de gehele administratie van het boekjaar 2011 opnieuw in te voeren.

1.7

Vanaf januari 2013 heeft betrokkene de financiële administratie van het kantoor van appellante van [naam 4] overgenomen. Betrokkene was daarnaast door (de advocaat van) appellante ingeschakeld voor de vaktechnische onderbouwing van haar standpunten op het gebied van boekhouding en accountantswerkzaamheden in de civiele procedure tegen [naam 3] . Op 30 april 2013 heeft betrokkene een beoordelingsverklaring afgegeven inzake de jaarrekening 2012 van het notariskantoor van appellante.

1.8

Omdat appellante de werkzaamheden van betrokkene niet meer kon betalen, zijn appellante en betrokkene op 3 mei 2013 een overeenkomst van geldlening aangegaan op grond waarvan betrokkene appellante het bedrag van € 94.879,14 heeft geleend en appellante zich heeft verbonden om maandelijks (minimaal) € 3.000 af te lossen.

1.9

Op 23 april 2015 heeft betrokkene een beoordelingsverklaring afgegeven inzake de jaarrekening 2014 van het notariskantoor van appellante.

1.10

Betrokkene was penningmeester van de [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en heeft vanaf medio 2013 tot en met juli 2015 onrechtmatig gelden aan de bankrekeningen van [naam 5] onttrokken. Betrokkene heeft, nadat hij hierop was aangesproken door [naam 5] , een schuldbekentenis ondertekend en op 4 september 2015 zijn vorderingen op appellante aan [naam 5] verpand. Op 16 september 2015 heeft appellante op verzoek van betrokkene een door hem aan haar voorgelegd overzicht “Openstaande posten crediteuren (op nummer)”, met peildatum 16 september 2015, ondertekend. In dit overzicht staan de openstaande facturen van eind december 2013 tot medio september 2015, sluitend op een bedrag van € 93.083,09, vermeld. De verpandingsakte van 4 september 2015 is op verzoek van [naam 5] bij exploot van 16 oktober 2015 aan appellante betekend. Bij akte van 23 april 2016 zijn deze vorderingen aan [naam 5] gecedeerd.

1.11

In december 2015 hebben betrokkene en appellante enkele malen met elkaar gesproken over de aflossing van de geldlening en de vorderingen die na het sluiten van de overeenkomst zijn ontstaan.

1.12

Per e-mail van 14 maart 2016 heeft betrokkene appellante laten weten zijn werkzaamheden voor het notariskantoor, met name door de hoogte van het openstaande saldo van zijn facturen, per direct neer te leggen.

1.13

Betrokkene heeft voor het reconstrueren van de jaarrekening 2010 € 23.962,50 (exclusief BTW), voor het aanpassen van de jaarrekening 2011 € 36.975 (exclusief BTW) en voor het opstellen van de jaarrekening 2012 € 12.562 (exclusief BTW) in rekening gebracht. Met het opstellen van de jaarrekening 2013 waren volgens de door betrokkene verstrekte urenspecificatie 22 uur gemoeid, waarvan acht uur voor het indienen en rapporteren aan BFT.

1.14

In een e-mail van 11 oktober 2015 van [naam 6] RA van [naam 7] B.V. (hierna: [naam 7] ) staat dat bij zijn kantoor de kosten van het verzorgen van de gebruikelijke accountantswerkzaamheden bij een notariskantoor met 1.000 tot 1.500 akten per jaar op jaarbasis € 14.269 zouden bedragen.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt, voor zover in hoger beroep nog van belang, het verwijt in dat betrokkene een absurd hoog aantal uren heeft besteed aan zijn werkzaamheden (klachtonderdeel b in de uitspraak van de accountantskamer).

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer, voor zover in hoger beroep nog van belang, klachtonderdeel b gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit klachtonderdeel ziet op de facturen van betrokkene tot en met oktober 2013 en voor het overige ongegrond verklaard.

2.3

Naar het oordeel van de accountantskamer kon appellante, gelet op artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), op 1 november 2016 niet meer klagen over de facturen van betrokkene tot en met oktober 2013. De accountantskamer heeft daartoe overwogen dat de facturen van betrokkene vergezeld gingen van een (uren)specificatie van de verrichte werkzaamheden en dat appellante derhalve na ontvangst van die facturen op de hoogte was van de uren en werkzaamheden waarop de facturen betrekking hadden. Appellante had daarom na de ontvangst van de creditfacturen kunnen vermoeden dat betrokkene (in haar ogen) tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld

2.4

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b, voor zover ontvankelijk, heeft de accountantskamer als volgt overwogen (waarbij voor ‘klaagster’ ‘appellante’ moet worden gelezen):

“4.9 (…) Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klaagster met verwijzing naar van betrokkene ontvangen facturen een globaal overzicht gegeven van de in rekening gebrachte uren en bedragen en gewezen op de door [naam 7] verstrekte opgave van de (gebruikelijke) kosten van de accountancywerkzaamheden van een notariskantoor. Deze onderbouwing kan klaagster niet baten. Ter zitting heeft klaagster immers erkend dat betrokkene de gedeclareerde uren wel op haar kantoor aanwezig was en dat zij geen concrete aanwijzingen heeft dat deze uren niet besteed zouden zijn aan werkzaamheden voor klaagster.

De Accountantskamer begrijpt dat klaagster betrokkene verwijt dat hij niet efficiënt heeft gewerkt. Volgens klaagster had betrokkene boekingen en rapportages niet handmatig moeten uitvoeren maar geautomatiseerd moeten genereren. Naar het oordeel van de Accountantskamer maakt de enkele omstandigheid dat betrokkene niet voor een dergelijke werkwijze heeft gekozen echter niet dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klaagster heeft niet nader toegelicht waaruit blijkt dat betrokkene de op zijn facturen gespecificeerde (handmatig uitgevoerde) werkzaamheden onnodig te langzaam heeft uitgevoerd. Daarnaast is de door klaagster gemaakte vergelijking met [naam 7] niet toegeschreven op de specifieke omstandigheden van haar kantoor waardoor uit die vergelijking geen gevolgtrekkingen gemaakt kunnen worden over de werkwijze van betrokkene. Nu klaagster een en ander niet aannemelijk heeft gemaakt, is de slotsom dat klachtonderdeel b., voor zover ontvankelijk, ongegrond is.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Namens betrokkene is door mr. D. Evertsz, advocaat te Amsterdam, per fax enkele uren voor de zitting om uitstel van de zitting verzocht, omdat betrokkene niet behoorlijk zou zijn opgeroepen. Op grond van de stukken in het dossier stelt het College vast dat de vooraankondiging van de zitting en de uitnodigingsbrief van respectievelijk 1 oktober 2018 en 23 oktober 2018 voor de zitting bij het College op 27 november 2018 aan betrokkene tevens, op zijn verzoek (wegens problemen met zijn postadres), op respectievelijk 5 oktober 2018 en 23 oktober 2018 per e-mail zijn verzonden aan het e-mailadres van betrokkene. Gesteld noch gebleken is dat dit e-mailadres onjuist is. Het College is dan ook van oordeel dat betrokkene op adequate wijze is uitgenodigd voor de zitting. Gelet hierop heeft het College geen aanleiding gezien om het verzoek van betrokkene om uitstel van de zitting, voor zover dit is gehandhaafd, in te willigen. Het College voegt daaraan nog toe dat betrokkene ter zitting is verschenen en daarbij in de gelegenheid is geweest verweer te voeren, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt.

3.2

Appellante voert als eerste grief tegen de uitspraak van de accountantskamer aan dat de accountantskamer de verjaringstermijn onjuist heeft toegepast. Volgens appellante dient voor de beoordeling van de verjaringstermijn van drie jaar als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wtra niet tot uitgangspunt te worden genomen het moment dat zij op de hoogte was van de aan de werkzaamheden bestede tijd en de daarmee gemoeide kosten, maar het moment waarop zij - als leek - het (subjectieve) besef had dat de hoeveelheid werk in geen enkele verhouding stond tot de daarvoor gedeclareerde bedragen. Appellante stelt dat haar pas in november 2016 duidelijk is geworden wat de handelwijze van betrokkene is geweest en dat dus sprake was van een (mogelijk) tuchtrechtelijk relevant handelen. Ter onderbouwing van haar betoog dat ‘de daadwerkelijke bekendheid’ en niet ‘wat bekend had moeten zijn’ bepalend zou moeten zijn voor het begin van de verjaring heeft appellante ter zitting gewezen op de civielrechtelijke verjaringsregeling. Appellante bepleit aansluiting bij artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de verjaringstermijn gaat lopen op de dag dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Appellante meent dat betrokkene anders zou worden beschermd terwijl hij misbruik maakte van de situatie, nu hij haar steeds heeft voorgehouden dat de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk waren uitgevoerd en ook noodzakelijk waren voor en in het belang waren van de onderneming van appellante.

3.3

Het College is van oordeel dat de eerste grief van appelante faalt en overweegt daartoe als volgt.

3.3.1

Artikel 22, eerste lid, van de Wtra bepaalt sinds 1 januari 2014, voor zover hier van belang, dat een ieder bij een vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 42, eerste lid van de Wet op het accountantsberoep (Wab) door een accountant, binnen drie jaar nadat de klager heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat het handelen of nalaten in strijd is met het bij of krachtens de Wab bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep, door middel van een klaagschrift een klacht kan indienen bij de accountantskamer.

3.3.2

Het College volgt niet het betoog van appellante dat de verjaringsstermijn pas zou gaan lopen op het moment waarop zij daadwerkelijk het besef had dat de hoogte van de facturen niet strookte met de gedeclareerde uren en dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake kon zijn. Het College verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 27 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:378) waarin is overwogen dat het in artikel 22, eerste lid, van de Wtra neergelegde criterium niet louter subjectief van aard is. De termijn van drie jaar waarbinnen een klager zijn klacht moet indienen vangt, gelet op de tekst van dit artikel, immers aan wanneer de klager heeft geconstateerd of “redelijkerwijs heeft kunnen constateren” dat het handelen of nalaten van de accountant in strijd is met het bij of krachtens de Wab bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Voor het bepalen van de aanvang van de driejaarstermijn gaat het erom om op welk moment sprake is van een situatie waarin een klager zodanige feiten heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat hij daarop een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten kon baseren. Daarbij is niet vereist dat de klager volledig op de hoogte is van de exacte regelgeving voor accountants waarmee het handelen of nalaten (mogelijk) in strijd is. Voldoende is dat bij de klager op grond van de door hem geconstateerde feiten redelijkerwijs een vermoeden kon ontstaan dat de accountant van zijn handelen of nalaten een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Voor de door appellante bepleitte aansluiting bij de civielrechtelijke verjaringsregeling biedt de tekst van artikel 22, eerste lid, van de Wtra geen steun.

3.3.3

Uit het voorgaande volgt dat de accountantskamer terecht klachtonderdeel b, voor zover dat ziet op de facturen van betrokkene tot en met oktober 2013, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Niet in geschil is dat de facturen die betrokkene voor zijn werkzaamheden heeft gestuurd vergezeld gingen van een specificatie van de gedeclareerde uren en een (algemene) omschrijving van de verrichte werkzaamheden. Het College constateert voorts dat betrokkene voor zijn werkzaamheden in de periode van juli 2012 tot met januari 2013 dusdanige bedragen heeft gefactureerd dat appellante sinds januari 2013 niet meer in staat was om de facturen te voldoen, hetgeen heeft geleid tot de overeenkomst van geldlening tussen appellante en betrokkene. Uit deze overeenkomst blijkt dat appellante aan betrokkene per 2 mei 2013 een bedrag van bijna € 95.000 schuldig was en dat partijen waren overeenkomen dat appellante maandelijks € 3.000 zou aflossen. Uit het door betrokkene verstrekte – en door appellante niet betwiste – overzicht van de facturen blijkt voorts dat appellante ook nadien maandelijks facturen van betrokkene heeft ontvangen van enkele duizenden euro’s voor zijn doorlopende werkzaamheden. Voor zover appellante heeft bedoeld te betogen dat zij zich pas in 2016, naar zij stelt als gevolg van het aan het licht komen van diverse omstandigheden ten aanzien van betrokkene, redelijkerwijs had hoeven te realiseren dat betrokkene mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar declareerde, faalt dat betoog. Aan appellante kan worden toegegeven dat zij zich, gelet op de aard van de verstrekte opdrachten, mogelijk niet direct na ontvangst van de eerste facturen had moeten realiseren dat betrokkene mogelijk excessief declareerde. Eind oktober 2013 had betrokkene echter al, naar appellante zelf in haar klaagschrift heeft gesteld, voor het reconstrueren van de jaarrekening 2010 € 23.962,50, voor het aanpassen van de jaarrekening 2011 € 36.975 en voor het opstellen van de jaarrekening 2012 € 12.562 (telkens exclusief btw) in rekening gebracht. Gelet op de hoogte van de gefactureerde bedragen voor de verschillende werkzaamheden over de periode tot en met oktober 2013 en de werkzaamheden die door betrokkene tot op dat moment (volgens specificatie) waren verricht, alsmede de omstandigheid dat appellante de werkzaamheden van betrokkene op dat moment sinds geruime tijd slechts nog gedeeltelijk kon betalen, is het College van oordeel dat appellante, zo niet na ontvangst na de eerste facturen, dan toch in ieder geval in oktober 2013 redelijkerwijs het vermoeden had kunnen hebben dat mogelijk sprake was van (tuchtrechtelijk) verwijtbaar excessieve declaraties. Nu sinds dat moment tot het indienen van het klaagschrift bij de accountantskamer op 1 november 2016 meer dan drie jaren zijn verstreken, is de klacht voorzover die ziet op dat tijdvak terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.1

Met haar tweede grief komt appellante op tegen het oordeel van de accountantskamer dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene excessief heeft gedeclareerd en in zoverre tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Appellante meent dat de accountantskamer ten onrechte (veel) waarde heeft gehecht aan de omstandigheid dat betrokkene gedurende de gedeclareerde uren wel aanwezig was op haar kantoor. Volgens appellante is, gelet op de verstrekte opdracht, bepalend of de opdracht binnen een redelijk aantal uren is voltooid. Daarbij heeft de maatman van betrokkene tot uitgangspunt te gelden, te weten, de redelijk bekwame vakgenoot. Appellante betwist dat betrokkene de tijd op kantoor uitsluitend heeft besteed aan de het voeren van de administratie en verwijst daartoe naar de verklaringen van drie van haar medewerkers die zij in hoger beroep heeft overgelegd. Gegeven de vergelijkende opstellingen die appellante in eerste instantie in het geding heeft gebracht van de door haar geraadpleegde accountant, is appellante van mening dat zij heeft laten zien dat het verschil tussen de uren die uit de normbedragen volgen en de door betrokkene bestede uren duidelijk maakt dat niet alleen sprake is van ‘niet efficiënt werken’, maar wel degelijk van excessief declaratiegedrag. Appellante meent dat over de jaren 2013 tot en met 2015 € 46.994,37 te veel in rekening is gebracht, waarbij zij uitgaat van 90 normuren tegenover de 176, 161 en 222 uur in rekening gebrachte uren over de jaren 2013, 2014 en 2015 voor de werkzaamheden betreffende de financiële administratie en het samenstellen van de jaarrekeningen.

Appellante voert als derde grief aan dat de accountantskamer ten onrechte de bewijslast bij haar heeft gelegd. Appellante meent dat de gangbare verdeling van de bewijslast in dit geval losgelaten dient te worden, gelet op de omstandigheden waaronder betrokkene zijn werkzaamheden voor haar verrichtte en zijn kennelijk acute geldnood die tot uiting is gekomen in de verduistering van hem toevertrouwde gelden. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.2.1

Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2018, ECLI:NL:CBB:2018:492) is het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan appellante in haar hoedanigheid van klager om feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.2.2

Uit de jurisprudentie van het College volgt voorts dat in een tuchtrechtelijke procedure slechts met succes over declaraties kan worden geklaagd, indien de betrokken accountant bij het opstellen en indienen van de declaraties zodanig in strijd met de voor hem te verlangen zorgvuldigheid, integriteit of professionaliteit heeft gehandeld dat daardoor sprake is van een schending van het bepaalde in de Wet RA en Wet AA of krachtens die wet bepaalde, zoals de Verordening Gedragscode (VGC). Het College verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 30 augustus 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:269). Voor zover het handelen of nalaten van betrokkene plaatshad na 4 januari 2014 dient dit te worden beoordeeld aan de sindsdien geldende Wet op de accountantsberoep en de daarop gebaseerde Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.2.3

Het College is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de facturen van betrokkene vanaf november 2013 zodanig hoog waren dat sprake is van een handelen in strijd met de voor betrokkene te verlangen zorgvuldigheid, integriteit of professionaliteit waardoor sprake is van een schending van respectievelijk de VGC en VGBA. Aan appellante kan worden toegegeven dat de enkele omstandigheid dat betrokkene de in rekening gebrachte uren op haar kantoor aanwezig is geweest, niet betekent dat daarmee van excessieve declaraties geen sprake kan zijn. Maar, anders dan appellante betoogt, heeft de accountantskamer voor de vraag of betrokkene een excessief hoog aantal uren heeft gedeclareerd niet uitsluitend van belang geacht dat betrokkene die uren wel aanwezig was op het kantoor van appellante, maar ook dat appellante, naar zij ter zitting bij de accountantskamer heeft erkend, geen concrete aanwijzingen heeft dat deze uren niet besteed zouden zijn aan werkzaamheden ten behoeve van haar kantoor. Voor zover appellante hiervan in hoger beroep heeft willen terugkomen, onder verwijzing naar de verklaringen van drie van haar medewerkers, kan haar dit niet baten. Uit deze verklaringen blijkt met name dat de situatie in de laatste vijf maanden verslechterde, dat betrokkene (regelmatig) rookte en dat betrokkene ook privé-telefoongesprekken voerde. Het College ziet in deze vrij algemene verklaringen geen concreet bewijs voor de stelling dat betrokkene zijn gedeclareerde uren (doorgaans) niet zou hebben besteed aan werkzaamheden voor appellante.

4.2.4

Het betoog van appellante dat zij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet alleen ‘niet efficiënt’ heeft gewerkt, maar ook excessief heeft gedeclareerd, faalt eveneens. Naar het oordeel van het College heeft appellante haar standpunt dat de facturen in de periode vanaf november 2013 zodanig hoog waren dat betrokkene hiervoor een tuchtrechtelijk verwijt treft onvoldoende met concrete, objectieve gegevens onderbouwd. Het College neemt daarbij in aanmerking dat appellante in haar klaagschrift heeft volstaan met een globaal overzicht van de in rekening gebrachte uren en daarbij heeft gewezen op de door [naam 7] verstrekte opgave van de (gebruikelijke) kosten van de accountancy-werkzaamheden van een notariskantoor. Het door appellante ter zitting bij het College gegeven cijfermatig overzicht van de bedragen die voor de verschillende opdrachten zouden zijn gefactureerd betreft eveneens een globaal overzicht, waarin geen verband is gelegd met specifieke facturen of werkzaamheden vanaf november 2013. De enkele vergelijking met de door [naam 7] verstrekte kostenopgave is, zoals de accountantskamer terecht heeft overwogen, niet toegespitst op de specifieke omstandigheden van het kantoor van appellante. Betrokkene heeft daar tegenover gesteld dat de financiële administratie van het kantoor van appellante erg bewerkelijk was, mede door de vele kruisposten, de omstandigheid dat appellante over vijf derdengeldrekeningen beschikte en de kwaliteit van de aangeleverde administratie in drukke tijden. Ook heeft betrokkene bepaalde boekingen en rapportages niet geautomatiseerd genereerd, maar handmatig uitgevoerd. Gelet op dit gemotiveerde verweer kan aan het gegeven dat de kostenopgave van [naam 7] beduidend lager is dan de door betrokkene gefactureerde kosten niet de door appellante gewenste conclusie worden verbonden. De omstandigheid dat appellante, naar zij ter zitting heeft verklaard, in 2017 accountants- en administratie heeft gehad in de grootte van de opgave [naam 7] , maakt het voorgaande niet anders, reeds nu het gaat om een andere periode, waarin de administratie van het kantoor ook, zoals appellante zelf stelt, beter op orde was.


Het College is dan ook van oordeel dat appellante, ook indien acht wordt geslagen op de door haar genoemde omstandigheden, ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt treft.

5. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

6. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. J.L. Verbeek en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. A. Graefe