Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:502

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
18/1414
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de ziekte en het overlijden van één van de maten tevens moet worden aangemerkt als melding bijzondere omstandigheden, kan dit niet leiden tot de toepassing van de knelgevallenregeling, omdat deze bijzondere omstandigheid pas in beroep is aangevoerd, zonder vermelding van een alternatieve peildatum en zonder onderbouwing met (medische) stukken.

Geen inbreuk op artikel 1 van het EP. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Zij heeft haar standpunt niet nader feitelijk toegelicht of onderbouwd met stukken.

Wetsbepaling: artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (Msw); artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/441 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1414

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: C. Blokland),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. J.G. Biesheuvel en M.J. Dijkstra).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 23 februari 2018 heeft appellante op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw een melding bijzondere omstandigheden gedaan.

Bij besluit van 14 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het aantal fosfaatrecht verhoogd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2019. Voor appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 (de peildatum) op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Zij heeft vóór de peildatum investeringen gedaan voor de uitbreiding van haar bedrijf naar 159 melk- en kalfkoeien en 128 stuks jongvee in de vorm van een nieuwe stal en de aankoop van grond. Op de peildatum hield appellante 118 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee en was de beoogde uitbreiding nog niet gerealiseerd.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.633 kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard omdat de melkproductie te laag was vastgesteld, het primaire besluit herroepen en het aantal fosfaatrechten verhoogd naar 6.022 kg.

De beroepsgronden

4. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder bij de toepassing van de knelgevallenregeling rekening had moeten houden met de op de peildatum nog niet gerealiseerde uitbreiding. Voorts stelt zij dat de fosfaatrechtenvaststelling het ongestoord genot van haar eigendom aantast, doordat er in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Zij is vóór de peildatum onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan voor de bouw van een nieuwe stal. Door de fosfaatrechtenvaststelling kan zij de beoogde uitbreiding niet realiseren. Bij brief van 1 juli 2019 heeft zij bovendien aangevoerd dat de ziekte en het overlijden van één van de maten, de echtgenote van [naam 2] , grote gevolgen hebben gehad voor de bedrijfsontwikkeling.

Het standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de knelgevallenregeling juist heeft toegepast. De knelgevallenregeling voorziet niet in de mogelijkheid om rekening te houden met de vergunde situatie op de peildatum. De bijzondere omstandigheid van ziekte van de maat in 2015 is door appellante pas in beroep aangevoerd, zonder onderbouwing met medische stukken, zodat hij deze omstandigheid niet heeft kunnen meenemen bij de toepassing van de knelgevallenregeling. Verder acht verweerder het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Hij voert aan dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een individuele en buitensporige last. In dit verband wijst hij er op dat appellante na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel nog 70 kg fosfaatrecht heeft verworven, waaruit blijkt dat appellante nog in staat was om investeringen te doen.

Beoordeling

6.1.1

Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling. Verweerder hoefde hierbij geen rekening te houden met (nog) niet gerealiseerde uitbreidingen. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4, onder 5.2) en de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1).

6.1.2

De ziekte en het overlijden van één van de maten zijn pas in beroep aangevoerd als zijnde van grote invloed geweest op de bedrijfsvoering. Verweerder heeft hiermee bij de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw geen rekening kunnen houden.

6.2.1

Voorts is het College van oordeel dat er geen sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Niet is gebleken dat er in het geval van appellante sprake is van een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’).

6.2.2

Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt.

6.2.3

Appellante heeft haar standpunt in dezen niet nader feitelijk toegelicht of onderbouwd met stukken. Alleen al omdat een nadere toelichting over de feitelijke gevolgen van de fosfaatrechtenvaststelling voor het bedrijf van appellante ontbreekt, kan haar stelling dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP niet slagen. Dit betekent verder dat het College ook in dit kader niet toekomt aan de gevolgen die de ziekte en het overlijden van één van de maten zouden hebben gehad op de bedrijfsvoering.

Slotsom

7.1

Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering ter zake artikel 1 van het EP is dit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College ziet echter aanleiding toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.2

Gezien het geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ter hoogte van € 338,- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.

w.g. I.M. Ludwig w.g. L. ten Hove