Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:500

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
18/1299
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.5.22, aanhef en onder e, van de Regeling nationale EZ-subsidies.

Aanvraag om subsidie terecht afgewezen op de grond dat het project zoals dat zou worden uitgevoerd onvoldoende is gericht op innovatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1299

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. D. van Tilborg)

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. M.W. Schilperoord en ir. D. Huele).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie op grond van titel 3.5 (Innovatieprestatiecontracten) van de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 30 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 21 september 2017 heeft appellante als penvoerder voor een samenwerkings-verband subsidie aangevraagd op grond van titel 3.5 (InnovatiePrestatieContracten) van de Regeling voor het project Innovaties met ICT voor de zorg aan patiënten. Van dit project maakt onderdeel uit het project ‘Collectief ontsluiting van GPS devices in de zorg’ (Collectief ontsluiting).

2. Volgens het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectplan inzake het project Collectief ontsluiting lopen zorgbehoevenden en zorgverleners aan tegen praktische uitdagingen die te maken hebben met alarmering en opvolging. In het projectplan is hierover het volgende vermeld:


“Het project heeft als doel [met] een meer eenvoudige product/service oplossing te ontwikkelen, waarmee:

 Zorgbehoevenden laagdrempelig hulp kunnen inroepen,

 Zorgbehoevenden beter kunnen zien wanneer ze de hulpverleners kunnen verwachten,

 Zorgverleners onderling kunnen afstemmen wie welk incident oppakt.

Partijen zullen hiertoe een product/service combinatie ontwikkelen bestaande uit:

 GPS/alarmmodule

 Back-endmodule voor analyseren van GPS data, en het beheren en volgen van opvolgingsprocedures (wordt een incident goed opgepakt?)

 Module voor zorgbehoevende en zorgverleners, waarin het hele netwerk inzicht krijgt in de actuele status en afhandeling van incidenten.

De partners zullen hierbij gebruik maken van de bestaande Zintouch gps-module. In het IPC‑project worden koppelingen ontwikkeld, en worden nieuwe componenten ontwikkeld, en wordt een geïntegreerd prototype in de praktijk getoetst.

(…)

De rolverdeling:

ZinTouch:

- Ontwikkelt de ontsluiting van de Zintouch GPS module

- Ontwikkelt de opvolgings/escalatie module voor de incidenten

- Ontwikkelt een module waarmee zorgpofessionals gevolgd kunnen worden van afspraak naar afspraak

- Is actief betrokken bij de evaluatie van de proof-of-concept bij eindgebruikers

Movements Group:

- Ontwerpt de systeemarchitectuur en de technische interfaces

- Ontwikkelt een module voor het visualiseren van GPS data en incidenten, zowel 2D (kaart) als 1D (tijdlijn)”

3.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerder de subsidieaanvraag afgewezen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het project Collectief ontsluiting, zoals dat zou worden uitgevoerd door Zintouch en Movements Group gezamenlijk, onvoldoende is gericht op innovatie. Wat deelnemer Zintouch betreft concludeert verweerder in het bestreden besluit dat de beoogde vernieuwing van het product voldoet aan de definitie van experimentele ontwikkeling. Bij deelnemer Movements Group komt verweerder echter tot de conclusie dat haar bijdrage geen industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling in de zin van de Regeling inhoudt, omdat niet is gebleken dat sprake is van het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten van Movements Group. Movements Group ondersteunt enkel Zintouch bij het vernieuwingsproject en doet zelf alleen kennis op. Daarmee heeft de experimentele ontwikkeling geen betrekking op de eigen producten of diensten van Movements Group.

4. Volgens appellante blijkt uit het bij de aanvraag overgelegde projectplan en de daarop gegeven toelichting dat wel degelijk sprake is van experimentele ontwikkeling door Movements Group. Daartoe wijst zij erop dat Movements Group binnen het project een generieke oplossing wil ontwikkelen waarmee data uit verschillende bronnen “real time” worden geëxtraheerd en beschikbaar worden gemaakt op een eenvoudig en overzichtelijk platform dat wordt gebruikt in de zorg. Daarbij zullen de coördinaten van de bron zichtbaar moeten zijn, met welke richting en snelheid de bron zich verplaatst en de online status van het bedrijf (inclusief defect- of storingswaarschuwing). De rol van Movements Group is niet beperkt tot het ondersteunen van Zintouch; zij is bezig met het zelf verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van kennis gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Meer specifiek gaat het om het ontwikkelen van een generieke oplossing (in welk kader systeemarchitectuur, technische interfaces en een module voor het visualiseren van GPS data en incidenten ontwikkeld moeten worden) waarmee data uit verschillende GPS-oplossingen real time en 100% betrouwbaar kunnen worden uitgelezen, geïnterpreteerd en gevisualiseerd. Deze generieke oplossing, die op zichzelf al voldoende innovatief is, kan vervolgens ook worden ingezet voor verbetering van reeds bestaande/in ontwikkeling zijnde producten, zoals een platform voor mantelzorgers met GPS lokalisering en monitoring op het spoor. Dat de werkzaamheden van Movements Group meer inhouden dan dienstverlening aan Zintouch blijkt volgens appellante ook uit de begroting. Movements Group koopt immers ook zelf kennis in en pleegt daarmee investeringen.

5. Op grond van artikel 3.5.22, aanhef en onder e, van de Regeling beslist verweerder afwijzend op een aanvraag indien uit het innovatieplan onvoldoende blijkt dat de IPC‑deelnemer activiteiten verricht die gericht zijn op innovatie van zijn producten, diensten of processen.

6. Aan de orde is of verweerder zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende is gebleken dat de activiteiten van Movements Group binnen het project Collectief ontsluiting gericht zijn op innovatie van zijn producten, diensten of processen. Naar het oordeel van het College is dat het geval. Daartoe overweegt hij als volgt.

7. Verweerder heeft ter toelichting van zijn standpunt benadrukt dat, gelet op de doelstelling van de Regeling, sprake moet zijn van collectieve activiteiten, waarbij de activiteiten van beide partijen gezamenlijk gericht zijn op innovatie. In dit geval lijkt veeleer sprake te zijn van verdere ontwikkeling van het innovatieve product van Zintouch door Movements Group, waarbij Movements Group dienstverlenende activiteiten verricht, door de systeemarchitectuur en de technische interfaces te ontwerpen en een module voor het visualiseren van GPS-data en incidenten te ontwikkelen. Movements Group heeft ervaring met het uitlezen van GPS bronnen en biedt daarvoor ondersteuning. Dat Movements Group daarvoor enig nader onderzoek moet verrichten en ook voornemens is kennis in te kopen bij ConnectedCare, maakt nog niet dat die activiteiten innovatie inhouden. Het is de vraag of deze kennis niet ook door Zintouch bij ConnectedCare had kunnen worden ingekocht. Daarbij merkt verweerder op dat hij, gelet op de grote belangstelling die het budget ruimschoots overschreed, heeft gekozen voor een strikte toepassing van de Regeling, waarbij aanvragen die niet duidelijk volledig voldeden, werden afgewezen om een volgende aanvraag kans op subsidie te bieden.

8. Het College ziet in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om verweerder niet te volgen in zijn standpunt dat de eigen activiteiten van Movements Group, te weten de ontwikkeling van de systeemarchitectuur en een module voor het visualiseren van data, zijn gericht op verbetering van het Zintouch‑product en niet zozeer op een gezamenlijke innovatie. Dat de bijdrage van Movements Group aan de activiteiten mogelijk een generieke oplossing oplevert die ook voor andere producten kan worden ingezet, maakt nog niet dat de door haar te verrichten activiteiten een innovatief karakter hebben. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat Movements Group blijkens de overgelegde begroting voornemens is kennis in te kopen bij ConnectedCare.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.O. Kerkmeester en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.W.E. Pinckaers