Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:499

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
18/1612
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit Stimulering Duurzame Energieproductie (Besluit SDE) - Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2017 (Regeling)

Aanvraag om subsidie in de categorie ‘thermische conversie (WKK)’ terecht afgewezen. De door appellante aangevraagde installatie, bestaande uit een houtsnipperketel en een houtpelletvergasser, is terecht niet als één productie-installatie aangemerkt die op grond van artikel 36 van de Regeling in aanmerking komt voor subsidie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1612

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink en ing. M.J.J. Bos).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie op grond van het Besluit Stimulering Duurzame Energieproductie (Besluit SDE) voor de categorie ‘thermische conversie WKK ≤ 100 MWe’ als bedoeld in artikel 36 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2017 (Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft op 17 oktober 2017 subsidie aangevraagd op grond van het Besluit SDE in de categorie ‘thermische conversie (WKK)’ als bedoeld in de Regeling voor een productie-installatie, bestaande uit een houtverbrandingsinstallatie (houtsnipperketel) met een thermisch vermogen van 340 kW en een houtvergassingsinstallatie (houtpelletvergasser) met een thermisch vermogen van 107 kW en een elektrisch vermogen van 51 kW.

2. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de subsidieaanvraag heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de installatie van appellante niet voldoet aan de eisen van de categorie thermische conversie zoals opgenomen in de Regeling. Volgens verweerder is het niet mogelijk voor de houtsnipperketel, die valt onder artikel 28 van de Regeling, en de houtpelletvergasser, die valt onder artikel 36 van de Regeling, als ware het één productie-installatie in de categorie thermische conversie subsidie aan te vragen. Daartoe wijst verweerder erop dat de houtsnipperketel en de houtpelletvergasser technisch niet met elkaar zijn verbonden. Verder produceert de houtsnipperketel geen elektriciteit en voldoet deze dus niet aan de kenmerken van thermische conversie. Voor thermische conversie geldt een hoger subsidietarief, namelijk € 39,00 per MWh tegenover € 27,00 per MWh, omdat dit een duurdere techniek is. Tegen deze achtergrond verdraagt het zich niet met de uitgangspunten van de Regeling de houtsnipperketel en de houtpelletvergasser als één productie-installatie te beschouwen, aldus verweerder.

3. Volgens appellante valt de installatie waarvoor hij subsidie heeft aangevraagd in zijn geheel onder de in artikel 36 omschreven categorie, nu deze elektriciteit en warmte levert, zoals bedoeld in de eerste volzin van artikel 36. De houtsnipperketel is enkel toegevoegd om voor de installatie als geheel uit te komen op de levering van 10% elektriciteit, het minimale vereiste uit artikel 36. De houtpelletvergasser levert namelijk 30% elektriciteit en 70% warmte, en door deze te combineren met de houtsnipperketel, die uitsluitend warmte levert, wordt uitgekomen op 10% elektriciteit. Als de houtsnipperketel zou worden geschrapt, zou zonder meer aan de voorwaarden worden voldaan. Of de houtsnipperketel en de houtpelletvergasser technisch wel of niet met elkaar verbonden zijn, is volgens appellante niet relevant. Appellante wijst erop dat de Regeling een combinatie van technieken niet verbiedt. Het moet volgens de titel van paragraaf 3.3.5 van de Regeling juist gaan om “thermische conversie biomassa gecombineerde opwekking”.

4.1

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit SDE wordt onder productie-installatie verstaan: een samenstel van voorzieningen waarmee hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte.

4.2

In artikel 36, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de minister op aanvraag subsidie verstrekt aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa (…), met een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 10% bedraagt.

5. Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder de door appellante aangevraagde installatie, bestaande uit een houtsnipperketel en een houtpelletvergasser, terecht niet als één productie-installatie heeft aangemerkt die op grond van artikel 36 van de Regeling in aanmerking komt voor subsidie. Appellante maakt geen aanspraak op afzonderlijke subsidie voor de houtpelletvergasser en/of de houtsnipperketel, omdat hiermee geen rendabele exploitatie mogelijk zou zijn.

6. Voor subsidie op grond van artikel 36, eerste lid, van de Regeling komt in aanmerking een “productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uitsluitend door (…) thermische conversie”. Naar het oordeel van het College heeft verweerder de aangevraagde installatie terecht niet als één productie-installatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van het Besluit SDE en artikel 36, eerste lid, van de Regeling aangemerkt. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de houtsnipperketel en de houtpelletvergasser blijkens de overgelegde tekening en de daarop ter zitting gegeven toelichting weliswaar om praktische redenen naast elkaar zijn geplaatst maar, afgezien van een aan beide apparaten gezamenlijk gekoppelde energiemeter, niet technisch met elkaar zijn verbonden en ook afzonderlijk kunnen functioneren. Daarbij komt dat de Regeling verschillende categorieën productie-installaties onderscheidt, waarvoor bijpassende subsidiebedragen gelden, afhankelijk van de eigenschappen, kosten en prestaties van de betreffende installatie. In verband daarmee gelden voor productie-installaties voor thermische conversie, zoals in dit geval de houtpelletvergasser, aanmerkelijk hogere subsidiebedragen dan voor productie-installaties die enkel thermische energie opwekken, en die vallen onder (bijvoorbeeld) artikel 28 van de Regeling, zoals in dit geval de houtsnipperketel. De door appellante voorgestelde toepassing van de Regeling, waarbij twee installaties uit verschillende categorieën in de aanvraag worden gecombineerd om zo voor het geheel het hoogste subsidietarief te verkrijgen, verdraagt zich niet met de hierboven geschetste systematiek. Verweerder heeft dan ook op goede gronden beslist dat de aangevraagde installatie niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 36 van de Regeling. Het bestreden besluit is op dit punt afdoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.

7. De op 20 maart 2018 door appellante ontvangen brief van 28 december 2017 over de verstrekking van subsidie, maakt niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Zoals verweerder appellante in het telefoongesprek van 25 maart 2018 heeft medegedeeld, was sprake van een fout, waaraan appellante geen rechten kon en mocht ontlenen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.O. Kerkmeester en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.W.E. Pinckaers