Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:45

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
17/1376 t/m 17/1384, 19/98
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Geheimhoudingsbeslissing
Inhoudsindicatie

Verzoek om vertrouwelijke behandeling van de persoonsgegevens van een tipgever. Een aantal appellanten wil kunnen verifiëren of deze tipgever (op naam) een verklaring heeft afgelegd, die ACM gebruikt als bewijs. Dit is voor het College onvoldoende grond om de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd te achten. In het dossier bevinden zich geen anoniem afgelegde verklaringen, zodat zich niet de situatie kan voordoen dat twee door dezelfde persoon (namelijk één anoniem, de ander op naam) afgelegde verklaringen de schijn kan oproepen dat zij door verschillende personen zijn afgelegd en elkaar ondersteunen. De tip zelf heeft ACM niet voor het bewijs gebruikt en de rechtmatigheid van de door ACM verrichte onderzoekshandelingen is van die tip niet afhankelijk. De zich (wel) in het dossier bevindende verklaringen zijn onder naam afgelegd. Deze persoonsgegevens zijn daarmee voor partijen ontsloten en zij kunnen daarmee ook de rechter vragen om een of meer van deze personen als getuige(n) te horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/1376 t/m 17/1384 en 19/98

beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de hoger beroepen van

1 V.O.F. [naam 1] , te [plaats 1]

[naam 2] , te [plaats 1]

appellanten in zaak 17/1376

(gemachtigden: mr. E.W.F. Schotanus)

2 [naam 3] , te [plaats 2]

[naam 4] B.V., te [plaats 2]

appellanten in zaak 17/1377

(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars)

3 [naam 5] B.V., te [plaats 3]

appellante in zaaknummer 19/98

(gemachtigde: mr. J. Hooymayers)

4 [naam 6] B.V., te [plaats 4]

[naam 7] B.V., te [plaats 4]

[naam 8] , te [plaats 5]

[naam 9] , te [plaats 6]

appellanten in zaak 17/1378

(gemachtigde: mr. B. Nijhof)

5 [naam 10] B.V., te [plaats 7]

[naam 11] B.V., te [plaats 7]

[naam 12] , te [plaats 7]

appellanten in zaak 17/1379

(gemachtigde: mr. B. Nijhof)

6 [naam 13] B.V., te [plaats 8]

[naam 14] B.V., te [plaats 8]

[naam 15] , te [plaats 8]

appellanten in zaak 17/1380

(gemachtigde: mr. B. Nijhof)

7 [naam 16] B.V., te [plaats 9]

[naam 17] ,

appellanten in zaak 17/1381

(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)

8 [naam 18] B.V., te [plaats 10]

[naam 19]

appellanten in zaak 17/1382

(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)

9 [naam 20] B.V., te [plaats 11]

[naam 21] B.V., te [plaats 12]

[naam 22]

appellanten in zaak 17/1383

(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)

10 [naam 23] B.V., te [plaats 13]

[naam 24] B.V., te [plaats 13]

[naam 25] B.V., te [plaats 13]

[naam 26]

appellanten in zaak 17/1384

(gemachtigde: mr. E.F. van Hasselt)

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2017 in de gedingen tussen

appellanten
en
de Autoriteit Consument en Markt (ACM)

(gemachtigden: mr. S.A. van der Does en mr. H.B.M. Römkes).

Procesverloop

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 27 juli 2017, (ECLI:NL:RBROT:2017:5744, ECLI:NL:RBROT:2017:5765,

ECLI:NL:RBROT:2017:5774, ECLI:NL:RBROT:2017:5777, ECLI:NL:RBROT:2017:5779,

ECLI:NL:RBROT:2017:5780, ECLI:NL:RBROT:2017:5782).

ACM heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Naar aanleiding van vragen van het College heeft ACM bij brief van 18 september 2018 de mededeling deels gewijzigd en van een nadere onderbouwing voorzien. ACM heeft hierbij een (herziene) inventarislijst overgelegd waarop staat aangegeven op welke stukken de mededeling ziet. De inventarislijst is aan deze beslissing gehecht. Naast de op de inventarislijst vermelde stukken, ziet de mededeling ook op vier brieven die ACM als bijlagen 2, 3, 4 en 5 bij de brief van 18 september 2018 heeft overgelegd.


Een deel van de appellanten heeft gereageerd op de mededeling.

Op 22 januari 2019 heeft een comparitie plaatsgevonden. Ter comparitie heeft ACM aangegeven dat de mededeling niet ziet op de stukken die ACM heeft voorzien van de motivering ‘individueel dossier’, die alleen in de betreffende individuele zaken zijn overgelegd.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

2. Deze door het College te nemen beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daar tegenover staat dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden, terwijl ACM er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft. Onder concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens vallen ook gegevens die, hoewel zelf niet als bedrijfsgegevens aan te merken, niettemin inzicht kunnen bieden in de door betrokkene(n) voorgestane (markt)strategie.

3. Het College acht de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken gerechtvaardigd en overweegt als volgt.

3.1

ACM heeft destijds een onderzoek gestart naar aanleiding van een tip. Twee stukken bevatten de persoonsgegevens van de tipgever. Een aantal appellanten wil kunnen verifiëren of deze tipgever (op naam) een verklaring heeft afgelegd, die ACM gebruikt als bewijs. Dit is voor het College onvoldoende grond om de beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd te achten. In het dossier bevinden zich geen anoniem afgelegde verklaringen, zodat zich niet de situatie kan voordoen dat twee door dezelfde persoon (namelijk één anoniem, de ander op naam) afgelegde verklaringen de schijn kan oproepen dat zij door verschillende personen zijn afgelegd en elkaar ondersteunen. De tip zelf heeft ACM niet voor het bewijs gebruikt en de rechtmatigheid van de door ACM verrichte onderzoekshandelingen is van die tip niet afhankelijk. De zich (wel) in het dossier bevindende verklaringen zijn onder naam afgelegd. Deze persoonsgegevens zijn daarmee voor partijen ontsloten en zij kunnen daarmee ook de rechter vragen om een of meer van deze personen als getuige(n) te horen.

3.2

Een deel van de stukken waarvoor beperking van de kennisneming wordt gevraagd, bevatten geboortedata, privéadressen, mobiele telefoonnummers en medische informatie. Ter comparitie hebben alle aanwezige appellanten aangegeven geen enkel belang te hebben bij kennisname van deze gegevens. Gelet hierop ziet het College geen grond om de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd te achten.

3.3

De overige stukken waarop het verzoek ziet – waaronder de genoemde bijlagen bij de brief van 18 september 2018 – bevatten bedrijfsvertrouwelijke gegevens of gegevens waaruit (een deel van) de marktstrategie van betrokkenen zou kunnen worden afgeleid, zo al niet zonder meer sprake is van concurrentiegevoelige gegevens. Deze vertrouwelijkheid dient te worden geëerbiedigd, omdat openbaarmaking van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de verstrekker van de gegevens zal kunnen leiden, terwijl kennisneming van deze informatie door de partij die er niet over beschikt niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten.

4. Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Die toestemming is niet nodig voor een stuk dat een partij al kent. Het College vraagt appellanten om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken, voor zover zij deze stukken niet kennen, uitspraak doet op hun hoger beroep.

Beslissing

Het College:

- beslist dat beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke versie van de stukken die op de aangehechte inventarislijst als geheel of gedeeltelijk als vertrouwelijk zijn aangemerkt, voor zover gehandhaafd, gerechtvaardigd is;

- beslist dat beperking van de kennisneming van de brieven die als bijlagen 2, 3, 4 en 5 bij de brief van 18 september 2018 zijn gevoegd, gerechtvaardigd is;

- verzoekt appellanten om binnen twee weken na heden schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de onder de vorige aandachtstreepjes bedoelde stukken uitspraak doet op hun hoger beroep, voor zover zij deze stukken niet kennen.

Aldus genomen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, op

w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof