Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:448

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
18/1794
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Knelgevallenregeling: voor zover appellant ter zitting heeft gesteld dat verweerder bij het toepassen van de 5% norm zou moeten uitgaan van de aantallen dieren in de

Nbw-vergunning, faalt dit betoog.

Beroep op artikel 1 van het EP: de Nbw-vergunning is verleend ná de peildatum. Appellant kon op de peildatum derhalve nog niet rechtsgeldig uitbreiden met het beoogde aantal dieren. Voor zover appellant al wel investeringen heeft gedaan ten behoeve van de uitbreiding komt dit voor zijn risico (zie de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7). De vertraging bij de bouw van de stal die is veroorzaakt door het overleg met Gasunie vormt geen reden om af te wijken van dit uitgangspunt.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een buitensporige last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/408 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1794

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , appellant

(gemachtigde: mr. D.B. Bos),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. J.H. Eleveld).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van
artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 5.414 kilogram.

Bij besluit van 24 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is voor verweerder verschenen

C. Hoegen.

Overwegingen

1. Appellant heeft een melkveehouderij. In 2011 heeft hij het plan opgevat een nieuwe stal te bouwen. Aangezien op de beoogde locatie van de nieuwe stal een aardgasleidingentracé liep, heeft appellant overleg gevoerd met Gasunie. In februari 2014 is overeenstemming bereikt. In dat jaar is appellant begonnen met de bouw van een ligboxenstal voor 176 koeien, die in maart 2015 is opgeleverd. De benodigde vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) is verleend op 20 november 2015, voor

167 melk- en kalfkoeien en 69 stuks jongvee. Appellant heeft ook ammoniakrechten gekocht. Op 2 juli 2015 hield appellant 118 melkkoeien, 46 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 32 stuks jongvee ouder dan 1 jaar. Het toegekende fosfaatrecht is op dat aantal afgestemd.

2.
Appellant voert, samengevat, aan dat het bestreden besluit een (onaanvaardbare) inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht. Het fosfaatrechtenstelsel vormt voor hem een individuele en buitensporige last, waardoor sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). De invoering van het stelsel was ten tijde van de investeringen niet voorzienbaar voor appellant. Dit is in strijd met de rechtszekerheid. Ook wordt niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit. Appellant wordt onevenredig getroffen door het stelsel. Op de peildatum had appellant de stal niet volledig in gebruik. Als het overleg met Gasunie niet zo lang had geduurd, had appellant zijn veebezetting op de peildatum wel op het beoogde aantal gehad. Appellant heeft voor de peildatum forse investeringen gedaan, die hij nu niet kan benutten. Het toegekende fosfaatrecht is ontoereikend voor de veestapel waarvoor de investeringen zijn gedaan. Verweerder had toepassing moeten geven aan de ontheffingsbevoegdheid van artikel 38 van de Msw. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt twee begrotingen ingezonden, één uitgaande van de situatie met de toegekende fosfaatrechten en één uitgaande van de benodigde fosfaatrechten. Ook heeft appellant een brief van de Rabobank van 20 december 2018 overgelegd. Uit deze stukken blijkt volgens appellant dat de huidige bedrijfsvoering een kwetsbaar continuïteitsperspectief heeft. De bank heeft een verzoek om financiering van de aanschaf van fosfaatrechten niet gehonoreerd. Verweerder is in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op het beroep op
artikel 1 van het EP, aldus appellant.

3. Verweerder betwist dat op appellant een individuele en buitensporige last rust. Gelet op de voorzienbaarheid van het fosfaatrechtenstelsel behoren de gevolgen van de beslissing om uit te breiden in beginsel tot het ondernemersrisico. Verweerder wijst erop dat de

Nbw-vergunning pas op 20 november 2015 is verleend. Voor zover appellant op de peildatum niet beschikte over de benodigde vergunningen en bij zijn investeringen hierop vooruit is gelopen, is er in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van schending van
artikel 1 van het EP (uitspraak van het College van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7). Hieraan doet het uitstel van de bouw van de stal in verband met het overleg met Gasunie niet af. De financiële situatie van appellant vormt geen buitensporige last. Uit de vergelijking van de twee situaties in de overgelegde begrotingen volgt niet dat het bedrijf met het toegekende fosfaatrecht niet kan worden voortgezet. Er is nog steeds sprake van een positief bedrijfsresultaat. Verweerder is niet gebleken van faillissement, surseance van betaling of een melding van betalingsonmacht. Appellant heeft daarentegen in 2018 en 2019 nog respectievelijk 140 en 300 kilogram fosfaatrecht verworven. Het mogelijk al dan niet tijdelijk verslechteren van de liquiditeitspositie is inherent aan het doorzetten van uitbreidingsplannen. Ter zitting heeft verweerder kanttekeningen geplaatst bij enkele uitgangspunten van de begrotingen, te weten de melkprijs, de aflossingen en het bedrag aan vervangingsinvesteringen. Uit de brief van de bank, die is gebaseerd op de begrotingen, is volgens verweerder niet eenduidig op te maken dat geen vertrouwen in de continuïteit van het bedrijf bestaat.

4. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

5.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het beroep van appellant op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw afgewezen, omdat appellant niet aan de voorwaarden voldoet. Voor zover appellant ter zitting heeft gesteld dat verweerder bij het toepassen van de 5% norm zou moeten uitgaan van de aantallen dieren in de

Nbw-vergunning, faalt dit betoog. Het College wijst in dit verband op zijn uitspraken van

9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) en 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232).

5.2

Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van

9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

5.3

Wat betreft de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’) overweegt het College als volgt. Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin de individuele melkveehouder wordt geraakt door het fosfaatrechtenstelsel en het aan hem toegekende fosfaatrecht. Daarbij heeft te gelden dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht als een buitensporige last kan worden aangemerkt. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellant, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan.

5.4

Naar het oordeel van het College heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

5.4.1

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de Nbw-vergunning is verleend ná de peildatum. Appellant kon op de peildatum derhalve nog niet rechtsgeldig uitbreiden met het beoogde aantal dieren. Voor zover appellant al wel investeringen heeft gedaan ten behoeve van de uitbreiding komt dit voor zijn risico (zie de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7). De vertraging bij de bouw van de stal die is veroorzaakt door het overleg met Gasunie vormt geen reden om af te wijken van dit uitgangspunt. Met betrekking tot de overgelegde liquiditeitsbegroting heeft verweerder terecht opgemerkt dat er ook in het scenario op basis van de toegekende fosfaatrechten nog steeds sprake is van een positief bedrijfsresultaat. Verder rept de brief van de Rabobank weliswaar van een kwetsbaar continuïteitsperspectief voor het bedrijf van appellant bij de huidige bedrijfsvoering, maar ziet de bank - ondanks het scenario waarbij de veestapel in overeenstemming wordt gebracht met de toegekende fosfaatrechten - tevens vooralsnog perspectief in de ondernemerscapaciteiten van appellant om het melkveebedrijf in stand te houden en de rentabiliteit en liquiditeit van het bedrijf naar de toekomst te verbeteren. Appellant heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een buitensporige last.

5.4.2

Appellant heeft eerst in beroep aangevoerd dat hij door het toegekende fosfaatrecht getroffen wordt door een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het EP. Het bestreden besluit is, anders dan appellant stelt, dan ook niet onvoldoende gemotiveerd omdat verweerder hierop niet is ingegaan.

6.1

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

6.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. M.G. Ligthart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019 .

w.g. I.M. Ludwig w.g. M.G. Ligthart