Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:392

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
18/1928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de besluiten tot toepassing van spoedbestuursdwang en het in rekening brengen van de kosten daarvan, herroepen. De looptijd van de last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling was ten tijde van de uitspraak verlopen. Nu ook geen uitvoering is gegeven aan deze last, heeft appellant geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1928

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder spoedbestuursdwang toegepast op een aantal dieren van appellant.

Bij besluit van 10 maart 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling opgelegd.

Bij besluit van 1 juni 2018 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de kosten van de uitvoering van de spoedbestuursdwang in rekening gebracht bij appellant.

Bij besluit van 12 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de primaire besluiten 1 en 3 herroepen en het primaire besluit 2 gedeeltelijk herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Appellant is verschenen. Voor appellant zijn tevens verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Bij besluit van 29 augustus 2016 heeft verweerder appellant gelast een twaalftal maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gezondheid en het welzijn van de dieren in zijn dierenspeciaalzaak nog langer wordt benadeeld. Naar aanleiding van dit besluit hebben op 26 oktober 2016 drie toezichthouders van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) samen met een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een hercontrole verricht bij de dierenspeciaalzaak van appellant. Tijdens deze hercontrole is geconstateerd dat appellant een aantal van de aan hem opgelegde maatregelen niet heeft uitgevoerd, waardoor hij negen keer een dwangsom van € 1.000,- heeft verbeurd. Met het besluit van 9 december 2016 heeft verweerder het totale bedrag van € 9.000,- aan verbeurde dwangsommen bij appellant ingevorderd. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 april 2018 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het verbeuren van de dwangsommen voor een viertal maatregelen laten vervallen. Vervolgens heeft appellant beroep ingesteld. Bij de uitspraak van 2 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:135) heeft het College het beroep van appellant gegrond verklaard, de dwangsom voor één maatregel laten vervallen en de verbeuring van de dwangsom voor de overige vier maatregelen in stand gelaten.

1.3

Na de hercontrole op 26 oktober 2016, heeft op 14 februari 2017 een tweede hercontrole plaatsgevonden in de dierenspeciaalzaak van appellant. Naar aanleiding van deze hercontrole heeft verweerder spoedbestuursdwang toegepast door een Afrikaanse dwergrelmuis, een konijn, een zebravink en twee roodrugparkieten direct af te voeren en elders onder te brengen. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld en bekend gemaakt. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder een last onder bestuursdwang aan appellant opgelegd om te voorkomen dat hij de gezondheid en het welzijn van zijn dieren opnieuw benadeelt. De last bestaat uit acht maatregelen en is van toepassing op alle dieren die appellant houdt in de dierenwinkel. In het primaire besluit 2 staat dat verweerder de maatregelen zelf kan uitvoeren op kosten van appellant of de dieren in bewaring kan nemen, indien appellant de aan hem opgelegde maatregelen niet uitvoert. Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder de kosten van de spoedbestuursdwang ten bedrage van € 1.979,81 in rekening gebracht bij appellant.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de spoedbestuursdwang ten onrechte is toegepast en dat de vordering van € 1.979,81 komt te vervallen. Wat betreft de last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling stelt verweerder zich op het standpunt dat de vijf maatregelen terecht zijn opgelegd, twee maatregelen onterecht zijn opgelegd en dat één maatregel slechts wordt gehandhaafd ten aanzien van het konijn.

3. Appellant voert aan dat verweerder een aantal maatregelen inmiddels heeft ingetrokken. Hij vindt dat de wet willekeurig wordt toegepast door de toezichthouder van de NVWA en stelt dat de toezichthouder in meerdere processen-verbaal heeft gelogen. Het verbaast appellant dat het College zich moet buigen over kwesties als een kromme nagel van een konijn. Verder voert appellant aan dat hij strafrechtelijk is vervolgd voor dezelfde overtredingen als waarvoor de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd, zodat sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel. Hij vindt de bestuurlijke boetes die aan hem zijn opgelegd onterecht en vindt dat hij recht heeft op rehabilitatie. Om die reden verzoekt hij om vergoeding van zijn schade.

4.1

Allereerst overweegt het College dat met de uitspraak van 2 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:135) onherroepelijk is komen vast te staan dat appellant € 5.000,-- aan verbeurde dwangsommen is verschuldigd. Het besluit van 29 augustus 2016 en het besluit van 17 april 2018 zijn daarom nu niet meer in geding. De (bestuurlijke) boetes die kennelijk aan appellant zijn opgelegd, zijn, naar ter zitting is besproken, nu evenmin in geding. Verweerder heeft ter zitting verklaard te zullen nagaan of daarover nog een bezwaarschriftprocedure aanhangig is waarin mogelijk nog beslist moet worden.

4.2

Het College beoordeelt ambtshalve, dat wil zeggen, ook als dit niet door partijen is aangevoerd, of een appellant procesbelang heeft. Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), heeft een appellant voldoende procesbelang als het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor appellant feitelijk betekenis kan hebben. Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Indien een procesbelang ontbreekt, dan is het beroep niet-ontvankelijk.

4.3

Het College stelt vast dat verweerder in bezwaar heeft vastgesteld dat het toepassen van de spoedbestuursdwang en het in rekening brengen van de kosten daarvan, onrechtmatig is geweest. Om die reden heeft verweerder bij het bestreden besluit de primaire besluiten 1 en 3 herroepen. Ook stelt het College vast dat de looptijd van de last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling liep tot en met 10 maart 2018. Naar aanleiding van de opgelegde last onder bestuursdwang heeft op 14 april 2017 een hercontrole plaastgevonden in de dierenspeciaalzaak van appellant. Tijdens deze hercontrole hebben de toezichthouders geconstateerd dat appellant zich aan de maatregelen heeft gehouden. Verder hebben zich in de periode na 14 april 2017 geen nieuwe incidenten voorgedaan in zijn dierenspeciaalzaak. Nu de looptijd van het primaire besluit 2 inmiddels is verlopen, heeft appellant geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit. Aan de last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling is immers tijdens de looptijd geen uitvoering gegeven, terwijl deze last inmiddels niet meer geldt.

4.4

Wat betreft de Afrikaanse dwergrelmuis, het konijn, de zebravink en de twee roodrugparkieten, die door verweerder met spoed in bewaring zijn genomen, heeft verweerder ter zitting erkend dat met het herroepen van het primaire besluit 1 de juridische basis voor de spoedbestuursdwang is komen te vervallen. Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat de in bewaring genomen dieren niet meer aan appellant kunnen worden teruggeven en erkend dat appellant recht heeft op vergoeding van de schade voor het ten onrechte meenemen en vervolgens door verweerder vervreemden van de voormelde dieren.

4.5

Ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van de door hem geleden schade overweegt het College dat appellant inmiddels ook direct bij verweerder heeft verzocht om vergoeding van zijn schade. Naar aanleiding van dit verzoek zal verweerder een beslissing nemen. Indien appellant het met die beslissing niet mee eens is, kan hij zijn verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb aan het College voorleggen.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

w.g. J.L. Verbeek w.g. C.M.J. Rouwers