Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:39

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
18/178
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Spoedbestuursdwang ten aanzien van 23 honden vanwege overtredingen van het Besluit houders van dieren. Een aantal overtredingen blijven niet in stand, dus beroep gegrond, maar het College laat de rechtsgevolgen in stand. Beroep tegen kostenbesluit ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/178

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2019 in de zaken tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. P. Grijpstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul –Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 6 september 2017, op schrift gesteld.

Bij besluit van 28 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 18 juni 2018 heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang in rekening gebracht voor een bedrag van € 18.488,86. Bij besluit van 21 juni 2018 heeft verweerder het kostenbesluit van 18 juni 2018 ingetrokken en daarvoor het besluit van 21 juni 2018 in de plaats gesteld. Daarbij heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang in rekening gebracht voor een bedrag van € 18.125,57.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 6 september 2017 hebben toezichthouders van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming een controle uitgevoerd op het terrein aan de [adres 1] te [plaats 2] . Appellant hield honden op dit terrein. Van deze controle is een rapport opgemaakt, gedateerd 11 september 2017 (toezichtrapport) (LID/B/06-06-2017 11.30/EW). Dit toezichtrapport vermeldt onder meer de volgende constateringen:

“(…)
De schuur was vanaf de buitenzijde vrij toegankelijk en had geen verbindingsdeur naar de achtergelegen woning. Hierop heb ik in gezelschap van beide eerder genoemde collega’s de eerste deur geopend en zag dat de ruimte hierachter geen dienst meer deed als huisvesting voor dieren.

Achter de tweede deur welke op een kier stond zag ik na opening een aantal hokken welke gemaakt waren van zogenaamde sandwichisolatieplaten.

Bij het betreden van de schuur sloeg mij een penetrante lucht op de ademhalingswegen, ik herkende deze lucht als ammoniaklucht welke vrijkomt bij een mengsel van urine en uitwerpselen. Ik zag en telde aan de linkerzijde een zestal hokken, ik zag dat er in vijf hokken honden verbleven. tevens zag ik dat bij de deksel op deze hokken er verlichting boven hing.

Aan de achterzijde van de schuur zag ik een groot hok met honden en een aantal lege hokken gemaakt van hetzelfde materiaal.

Aan de rechterzijde zag ik nog een tweetal hokken waarvan er één in gebruik was als huisvesting voor een hond. Ik zag en telde in de rij links in het tweede hok een volwassen teef met 7 pups van het ras Kooiker. In het derde hok zag en telde ik een tweetal jonge honden kruising Kooiker/Fox. In het vierde hok zag ik een hond van het ras Border Collie. Het vijfde hok was in gebruik voor de huisvesting van 2 jonge honden van het ras kruising Kooiker.

In het zesde hok zag en telde ik een volwassen teef en 2 pups van het ras kruising Kooiker/Fox.

In het afzonderlijke hok achterzijde schuur zag en telde ik een 5tal jonge honden van het ras kruising Kooiker.

In het hok aan de rechterzijde zag en telde ik een hond van het ras Sheltie.

Ik zag dat geen van de verblijven was voorzien van een transparante zijde waardoor de honden geen van allen van zich af konden kijken.

De bodem van de hokken waren vervuild met een mengsel van stro, uitwerpselen en urine. Wel zag ik dat er voer en water aanwezig was.

Ik zag dat een aantal honden vaak aan het krabben was.

De huisvesting voldeed niet aan de eisen gesteld in het besluit houders van dieren, is niet schoon te houden en/of te reinigen.

De hokken en dus de honden waren alleen te benaderen door een kleine opening aan de bovenzijde van deze hokken. Hierdoor konden de honden niet van zich af kijken.

Op het terrein op of in de omgeving van de schuur was geen enkele mogelijkheid om de honden uit te laten of buiten te laten lopen.

Dierenarts ter plaatse

Nadat wij dierenarts (…) ter plaatse hadden laten komen, hoorde ik dat de dierenarts verklaarde dat:

1. De sheltie heeft voer en een redelijk schoon hok, is niet sociaal en erg bang, ongeschikte huisvesting.

2. 5 x Kruising Fox/Kooiker, geen eten, sterk vervuild hok, wel goede voedingstoestand, redelijke sociaal maar totaal ongeschikte huisvesting.

3. 1 teef kruising Fox/Kooiker met 2 pups; hok sterk vervuilde bodem, teef vermoedelijk huidinfectie, vervuild water, ongeschikte huisvesting.

4. 2 jonge honden, kruising kooiker; huisvesting redelijk schoon, huisvesting ongeschikt.

5. Border Collie; Hond heeft vlooien, luizen, sterke overbeet, vermagerd.

6. 2 kruising kooiker/vlinderhondje erg angstig, vervuild hok, ongeschikte huisvesting

7. 1 kooiker teef met 7 pups, erg vervuild hok, prikkelarme omgeving. Natte traanogen door ammoniakdruk.

Algemeen beeld dierenarts:

Dat alle honden last hadden van vlooien.

Dat de nagels van de honden te lang waren.

Dat de huisvesting te prikkelarm was voor de honden om hier langere tijd in te verblijven.

Dat de honden meer beweging nodig hadden dan dat zij nu kregen.

De huisvesting is totaal niet geschikt voor puppies en jonge honden i.v.m. vervuilde ondergrond, ammoniakdruk, geen daglicht.

De sociale ontwikkeling van de honden heeft een betere leefomgeving nodig.

De pups moeten nu gesocialiseerd worden.

De huisvesting en verzorging voldoen absoluut niet aan de 5 vrijheden van Brambell.

De honden in deze slechte huisvesting dienen per direct anders gehuisvest te worden.

(…).”

1.2

Op dezelfde dag zijn 23 honden meegevoerd en opgeslagen, hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van meevoeren en opslaan van 6 september 2017.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld. In het primaire besluit is vermeld dat tijdens het onderzoek op 6 september 2017 is vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van de honden ernstig is aangetast. Volgens verweerder was sprake van overtredingen van artikel 1.6, tweede lid, artikel 1.7, artikel 1.7, aanhef en onder d, artikel 1.7, aanhef en onder g, artikel 1.8, eerste lid en artikel 3.12, eerste lid, onder b, van het Besluit houders van dieren (Bhd). Volgens verweerder was het welzijn van de honden zo slecht dat het noodzakelijk was om terstond maatregelen te treffen. Een termijn voor herstel was derhalve niet meer mogelijk. De dieren zijn in bewaring genomen en in een geschikte huisvesting bij een opslaghouder geplaatst.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De overtreding van artikel 1.8, eerste lid, van het Bhd (onvoldoende licht) heeft verweerder laten vallen. De overige overtredingen zijn gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe – samengevat weergegeven – overwogen dat sprake was van onvoldoende hygiënische omstandigheden, dat er onvoldoende verse lucht of zuurstof was, dat de hokken waar de honden verbleven niet geschikt waren om (deze) honden te houden, dat appellant de nagels van de honden onvoldoende had verzorgd en dat appellant onvoldoende had gedaan tegen vlooien en luizen. Gelet op de bevindingen tijdens de controle, het ontbreken van geschikte huisvesting elders op het terrein, het gegeven dat in het verleden vergelijkbare overtredingen zijn vastgesteld en de omstandigheid dat appellant ten tijde van de controle in verzekering was gesteld is volgens verweerder terecht spoedbestuursdwang toegepast.

1.5

Bij het kostenbesluit van 21 juni 2018 heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving voor een bedrag van € 18.125,57 bij appellant in rekening gebracht. Voor de 23 in beslag genomen honden heeft verweerder voor de periode 6 september 2017 tot en met 24 november 2017 facturen ontvangen voor een bedrag van € 24.001,46. Hiervan wordt € 5.875,89 (zoals vermeld in het overzicht te verhalen kosten dierenwelzijn) niet in rekening gebracht, omdat de transportkosten worden gehalveerd en de dierenartskosten niet worden verhaald.

Spoedbestuursdwang

2.1

Appellant voert aan dat verweerder het bezwaar vanwege het vervallen van de overtreding van artikel 1.8, eerste lid, van het Bhd met betrekking tot de verlichting gegrond had moeten verklaren en over had moeten gaan tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft daarmee immers erkend dat in het primaire besluit ten onrechte was aangenomen dat appellant genoemd voorschrift had overtreden.

2.2

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 december 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AF1459) volgt dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op herroeping van het bestreden besluit door het bestuursorgaan na, geen formulering voorschrijft bij de beslissing op een ontvankelijk bezwaar. Voorts biedt de bepaling, gelet op haar bewoordingen, geen grond voor het standpunt dat het bestuursorgaan, indien het bij de beslissing op bezwaar tot herroeping van het bestreden besluit overgaat, daarbij tevens zijn opvatting omtrent de gegrondheid van de daartegen gemaakte bezwaren dient weer te geven in de vorm van een bepaalde uitspraak. Een vaste formulering (gegrond, respectievelijk ongegrond) dient in de regel de duidelijkheid, doch onder omstandigheden kan die soms beter op andere wijze worden verkregen.

2.3

Het College is van oordeel dat er in dit geval geen verplichting voor verweerder was om het bezwaar gegrond te verklaren. Verweerder heeft meerdere overtredingen ten grondslag gelegd aan het primaire besluit. In bezwaar heeft verweerder alleen de overtreding ten aanzien van de verlichting laten vallen, de overige overtredingen gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat het wegvallen van genoemde overtreding niet afdoet aan de rechtmatigheid van de beslissing tot het toepassen van spoedbestuursdwang. Zoals uit voornoemde uitspraak van de ABRvS volgt, schrijft de Awb niet voor dat het bezwaar in een dergelijke situatie gegrond verklaard dient te worden. De beroepsgrond slaagt niet.

3.1

Appellant voert aan dat verweerder niet enkel af mag gaan op de bevindingen van een toezichthouder, maar dat uit concreet en toetsbaar bewijs dat deel uitmaakt van het rapport, moet blijken dat deze bevindingen juist zijn. De subjectieve mening van een toezichthouder over een waargenomen geur of de lengte van nagels is geen concreet en toetsbaar bewijs. De toezichthouder dient ook daadwerkelijk iets vast te stellen, zoals door middel van het meten van de lengte van de nagels en het op foto’s vastleggen van een en ander. Ten onrechte zijn de overtredingen in dit geval gebaseerd op giswerk, aannames en meningen. Dat toezichthouders een bepaalde kennis en ervaring hebben, maakt van hun meningen en aannames nog geen concreet en toetsbaar bewijs. Appellant heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van het College van 8 februari 2018 (ECLI:NL:CBB:2017:45), waaruit blijkt dat de ervaring van de toezichthouders niet wegneemt dat de overtredingen deugdelijk en inzichtelijk moeten zijn vastgesteld. Verweerder lijkt voorbij te gaan aan de bewijslastverdeling door te stellen dat appellant heeft nagelaten bepaalde gronden te onderbouwen. Het is niet aan appellant om bewijs te leveren, maar aan verweerder om bewijs te leveren waarmee de gestelde overtredingen worden aangetoond. Verder voert appellant aan dat het hem bevreemdt dat verweerder ten bewijze van elke afzonderlijke overtreding aanvoert dat spoedbestuursdwang terecht is toegepast in samenhang bezien met de inhoud van het toezichtrapport. Bewijs voor een overtreding kan niet worden gebaseerd op aannames over andere vermeende overtredingen. Ook kan een overtreding niet bewezen worden door op te merken dat appellant ook eerdere overtredingen heeft begaan.

3.2

Appellant voert met juistheid aan dat het op de weg ligt van het bestuursorgaan dat een handhavingsbesluit als hier in geding neemt, om te bewijzen dat sprake is van overtreding van het voorschrift ter handhaving waarvan dat besluit is genomen (uitspraak van het College van 18 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:29). Zoals het College eerder heeft overwogen mag een bestuursorgaan daarbij in beginsel uitgaan van de bevindingen in een controlerapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wiens bedrijf de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn (zie de uitspraak van 22 juni 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX9692). De algemene stelling van appellant dat in het toezichtrapport sprake is van persoonlijke opvattingen of subjectieve waarneming van de toezichthouders is onvoldoende voor het oordeel dat de in dit rapport neergelegde bevindingen voor onjuist moeten worden gehouden. Dat neemt niet weg dat een controlerapport in beginsel een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een voldoende gedetailleerde beschrijving van hetgeen is waargenomen moet bevatten. Of het voor een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de feiten met het oog op de vaststelling van een eventuele overtreding noodzakelijk is dat (tevens) een bepaalde meting wordt verricht zal per overtreding moeten worden bezien in het licht van het betreffende wettelijke voorschrift en al het daarvoor door verweerder aangedragen bewijs. Appellant merkt terecht op dat elke overtreding op zich moet worden bewezen. Verweerder heeft bij een aantal overtredingen in het bestreden besluit opgemerkt dat de overtreding in samenhang bezien met de inhoud van het toezichtrapport voldoende is onderbouwd. Het College acht deze formulering ongelukkig, maar dat verweerder een of meerdere overtredingen heeft gebaseerd op daarbij niet relevante feiten en omstandigheden ten aanzien van andere overtredingen is het College niet gebleken. Hieronder zal het College ten aanzien van elke afzonderlijke overtreding nagaan of verweerder deze terecht heeft vastgesteld.

4.1

Ten aanzien van de verzorging van de nagels en de vlooien en luizen (artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd) voert appellant het volgende aan.

Verweerder heeft niet aan de hand van toepasselijke wet- en regelgeving gespecificeerd wanneer nagels te lang zijn. De lengte van nagels is geen objectieve maatstaf. Appellant vraagt zich af hoe vaak hij de lengte van de nagels moet controleren en hoe is vastgesteld dat hij de nagels te weinig controleerde. Appellant betwist dat te lange nagels kunnen worden aangemerkt als een ziekte of verwonding als bedoeld in genoemde bepaling. De gezondheid en het welzijn van de dieren werd niet aangetast door lange nagels. Bovendien controleerde appellant de honden regelmatig op de lengte van de nagels. Dat artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd is overtreden is niet gebleken.
Appellant voert verder aan dat onduidelijk is hoe vaak per dag/week moet worden gecontroleerd op vlooien en luizen en waar verweerder op baseert dat in dit geval daarop onvoldoende controle is uitgevoerd. Appellant betwist dat sprake is van een ziek of gewond dier als de honden vlooien/luizen hebben. De honden konden wellicht behandeld worden, maar er was geen onmiddellijke medische zorg vereist. Appellant consulteert een dierenarts wanneer dit nodig is en controleert regelmatig ten aanzien van vlooien en luizen. Vlooien zijn bovendien een hardnekkige aandoening, die niet eenvoudig te bestrijden is en ook bij fokkers en andere dierenhouders voorkomt. De aanwezigheid van vlooien is dus niet uitzonderlijk. Uit de overgelegde verklaring van de eigen dierenarts van appellant van 7 september 2018 en de op 21 september 2018 door de gemachtigde van appellant ontvangen verklaringen van [naam 3] (eigenaar van de locatie [adres 1] te [plaats 2] ) en [naam 4] (woonachtig/werkzaam op dezelfde locatie), blijkt dat de dieren dagelijks werden gecontroleerd en dat zij er verzorgd uit zagen.

4.2

Het College is van oordeel dat de aan de spoedbestuursdwang ten grondslag gelegde overtredingen van artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd onvoldoende zijn komen vast te staan. Artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd schrijft voor dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd. Uit de in het toezichtrapport vermelde waarnemingen van de toezichthouder dat de honden vlooien en lange nagels hadden volgt naar het oordeel van het College niet zonder meer dat sprake is van honden die ziek of gewond lijken als bedoeld in dit voorschrift. Verweerder heeft ter zitting ook erkend dat op basis van de bevindingen uit het toezichtrapport in dit geval niet kan worden vastgesteld dat de honden ziek of gewond leken in verband met de aanwezige vlooien en lange nagels. In het bestreden besluit is ook geen daarop toegespitste motivering opgenomen. Aan appellant is dan ook ten onrechte tegengeworpen dat hij artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd heeft overtreden. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden slagen.

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was verweerder niet bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen ter zake van overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder c, Bhd ten aanzien van de vlooien en lange nagels en mocht verweerder reeds daarom geen spoedbestuursdwang ter zake van deze overtreding toepassen. Het beroep tegen het bestreden besluit is dan ook gegrond en dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het College zal vervolgens beoordelen of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarvoor is van belang of de overige door verweerder vastgestelde overtredingen wel terecht aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd en dit besluit ook overigens rechtmatig is.

6.1

Over de behuizing voert appellant allereerst aan dat verweerder zich pas in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat hij in verband hiermee (mede) artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd heeft overtreden, terwijl daarvan in het primaire besluit nog geen sprake was. Het verlaten van de grondslag voor een overtreding, althans daarvan een compleet andere overtreding maken, is niet toegestaan, aldus appellant.

6.2

Het College stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de grondslag van zijn besluitvorming in die zin heeft gewijzigd dat de aangetroffen huisvesting van de honden niet alleen een overtreding oplevert van artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd, maar tevens van artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd. Het primaire besluit berustte niet mede op overtreding van laatstgenoemde wettelijke bepaling. Naar het oordeel van het College is vorengenoemde wijziging in dit geval toegestaan. De systematiek en de uitgangspunten van de Awb ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift brengen mee dat een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen. Het bestreden besluit is het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit met betrekking tot de huisvesting van de honden, nu verweerder op basis van hetzelfde aan het toezichtrapport ontleende feitencomplex aanvullend een andere wettelijke grondslag heeft gehanteerd om de gedragingen van appellant in verband met de huisvesting van de honden als overtreding te kwalificeren. In zoverre faalt deze beroepsgrond.

6.3

Voorts voert appellant aan dat verweerder heeft nagelaten te duiden waar de grens ligt tussen voldoende en onvoldoende ruimte. Hoe groot een verblijf moet zijn verschilt per dier. Concreet bewijs dat de hokken ongeschikt waren voor het soort hond dat erin verbleef ontbreekt. De (tijdelijke) verblijven waren voldoende ruim, van geschikt materiaal gemaakt, werden voldoende onderhouden en waren wel schoon te maken. Appellant bestrijdt dat enkele van de honden angstig of niet-sociaal waren. De reactie van de honden is begrijpelijk bij een dergelijke inval/controle. Appellant betwist ook dat de verblijven niet zouden voldoen aan de fysiologische en ethologische behoeften van de dieren. Appellant verwijst ook ten aanzien van dit punt naar eerdergenoemde verklaring van de eigen dierenarts, waaruit blijkt dat appellant de dieren goed heeft verzorgd en hun conditie/welzijn niet in gevaar heeft gebracht. Ook verwijst appellant naar genoemde verklaringen van [naam 5] . Daaruit blijkt dat de dieren goed werden verzorgd, dat zij voldoende vers water en voer kregen, dat de hokken schoon werden gehouden en dat het stro dagelijks werd vervangen. Appellant beschouwt het verder als een feit van algemene bekendheid dat het dagelijks verversen van stro voor voldoende prikkels zorgt bij jonge honden en dat de honden dus geen ander speelmateriaal nodig hadden. De verblijven voldeden aldus aan de wettelijke vereisten.

6.4

Ten aanzien van de behuizing heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellant zowel artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd als artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd heeft overtreden. In het bestreden besluit heeft verweerder de bevindingen van de toezichthouder opgesomd en de verklaring van de bij de controle betrokken dierenarts samengevat. Verweerder heeft overwogen dat, nu de verblijven te klein, vervuild, te prikkelarm en niet schoon te maken waren, in samenhang bezien met de omstandigheden waaronder de honden zijn aangetroffen, alsmede de constateringen en de conclusie van de dierenarts, terecht is beoordeeld dat de behuizing en inrichting van de hondenverblijven onvoldoende was aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van de honden.

6.5

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd wordt een dier voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b van het Bhd bepaalt dat een gezelschapsdier onverminderd de artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier.

6.6

Ten aanzien van artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd heeft het College in voornoemde uitspraak van 18 februari 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:29) overwogen dat dit een doelvoorschrift is in de vorm van een algemene verplichting voor de houders van dieren. Of in een concreet geval ten aanzien van een bepaalde diersoort sprake is van overtreding van dit voorschrift, hangt blijkens de tekst af van de ruimte die het dier nodig heeft voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Blijkens de tekst van artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b van het Bhd geldt dat voor de ruimte waarin de dieren worden gehouden en de daarbij gebruikte materialen eveneens de fysiologische en ethologische behoeften van de dieren bepalend zijn. Verweerder moet daarom in dit concrete geval met bewijs onderbouwen waarom, gelet op de fysiologische en ethologische behoeften van deze honden, door appellant onvoldoende ruimte voor de dieren beschikbaar is gesteld en dat de ruimtes waarin zij werden gehouden en de daarin gebruikte materialen niet voldeden.

6.7

Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op de waarnemingen van de toezichthouder ten aanzien van de huisvesting van de honden en de verklaring die de door verweerder ingeschakelde dierenarts tijdens de controle heeft afgelegd. Uit het toezichtrapport blijkt dat de bevindingen van de toezichthouder ten aanzien van de behuizing onder meer inhouden dat sprake was van hokken gemaakt van sandwichisolatieplaten die geen van alle waren voorzien van een transparante zijde, dat de honden alleen te benaderen waren door een kleine opening aan de bovenzijde van de hokken en dat er geen mogelijkheid was om de honden uit te laten of buiten te laten lopen. Bij het toezichtrapport zijn foto’s gevoegd van de hokken. De dierenarts heeft (zoals blijkt uit de verklaring die is weergegeven in het toezichtrapport) tijdens de controle geconstateerd dat een aantal honden niet sociaal was en angstig reageerde, dat de huisvesting ongeschikt was en dat sprake was van een prikkelarme omgeving. Verder heeft zij verklaard dat de huisvesting te prikkelarm was om langere tijd in te verblijven, dat de honden meer beweging nodig hadden, dat de sociale ontwikkeling van de honden een betere leefomgeving nodig had en dat de puppy’s nu gesocialiseerd moeten worden.

6.8

Allereerst merkt het College op dat hij bij de vraag of de behuizing voldoet aan de voorwaarden in artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd en artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd niet de omstandigheden betrekt dat de hokken volgens verweerder vervuild en niet schoon te maken waren. In hoeverre deze omstandigheden van belang zijn voor de fysiologische en ethologische behoeften van de honden is door verweerder onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft verweerder ten aanzien van de hygiënische omstandigheden een aparte overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Bhd geconstateerd.

6.9

Het College acht de overige door verweerder genoemde omstandigheden en het daarvoor geleverde bewijs voldoende voor de conclusie dat, gelet op de fysiologische en ethologische behoeften van de honden, door appellant onvoldoende ruimte voor zijn dieren beschikbaar is gesteld en dat de ruimtes waarin zij werden gehouden en de gebruikte, ondoorzichtige materialen niet voldeden aan de eisen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder en de dierenarts, die hebben geconstateerd dat de honden, waaronder een aantal jonge honden en puppy’s, niet van zich af konden kijken omdat er alleen een opening aan de bovenzijde van de hokken was, dat een aantal honden angstig reageerde, dat de omgeving te prikkelarm was en dat de honden in deze verblijven niet gesocialiseerd konden worden, terwijl dat bij jonge honden en puppy’s van groot belang is. Dat de wetgever die socialisatie ook van belang acht, leidt het College af uit artikel 3.22 van het Bhd, waarin is bepaald dat indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, ervoor wordt zorg gedragen dat het dier a) went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en b) in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag. Op basis van de bevindingen van de toezichthouder en de verklaring van de dierenarts is voldoende onderbouwd dat de ruimtes waarin de honden verbleven onvoldoende gelegenheid boden voor socialisatie. De stelling van appellant dat een angstige reactie normaal is gelet op de onverwachte controle, is door appellant niet onderbouwd. Het College gaat af op wat de dierenarts heeft verklaard en neemt aan dat een deskundig te achten dierenarts het verschil kan zien tussen een hond die normaal reageert op een onverwachte of stressvolle situatie en een dier dat dit niet doet. Anders dan appellant acht het College het ook geen feit van algemene bekendheid dat het dagelijks verversen van stro voor voldoende prikkels zou zorgen bij jonge honden. Ook die stelling is niet onderbouwd, terwijl de dierenarts, die als ter zake deskundig moet worden beschouwd, de huisvesting te prikkelarm heeft geacht. In de door appellant overgelegde verklaringen wordt de visie van de dierenarts niet weersproken. Ook overigens hecht het College niet veel waarde aan de door appellant overgelegde verklaringen, omdat ze ruim een jaar na de controle zijn opgesteld en niet zijn toegespitst op de situatie ten tijde van de controle. Al met al heeft verweerder terecht vastgesteld dat appellant zowel artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd als artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b van het Bhd heeft overtreden. De beroepsgronden slagen niet.

7.1

Ten aanzien van de hygiënische omstandigheden (artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Bhd) is volgens appellant onduidelijk waar de grens ligt tussen voldoende en onvoldoende hygiënische omstandigheden. Enige urine en ontlasting in een hok maakt niet dat sprake is van onvoldoende hygiënische omstandigheden. De honden werden goed verzorgd en de hokken werden in beginsel dagelijks leeggemaakt, gereinigd en voorzien van nieuw stro, hetgeen wordt bevestigd in de verklaring van de eigen dierenarts en de verklaringen van [naam 5] . Appellant kan niet voorkomen dat dieren hun natuurlijke behoeften doen. Een controle betreft bovendien een momentopname. Verweerder heeft niet met behulp van meetapparatuur vastgesteld hoeveel urine en ontlasting er ten tijde van de controle aanwezig was en hoe lang dat er al lag. Er is dus geen bewijs geleverd dat de dieren gedurende langere tijd onder onvoldoende hygiënische omstandigheden gehuisvest waren. Dat de traanogen van de Kooikerhonden in het tweede hok links werden veroorzaakt door ammoniakdruk is evenmin aannemelijk. Van Kooikerhonden is bekend dat zij vaak traanogen hebben, zodat die ook een andere oorzaak konden hebben. Dat sprake was van ammoniakdruk wordt door appellant ontkend. Wanneer daar wel sprake van zou zijn, zouden alle honden last hebben van betraande/natte ogen. Verder heeft de eigen dierenarts in de verklaring van 7 september 2018 verklaard dat hij nog steeds benaderd wordt door tevreden klanten en mensen die een puppy van appellant willen kopen. Met deze verklaringen worden de bevindingen in het toezichtrapport weerlegd.

7.2

Ten aanzien van het gebrek aan verse lucht of zuurstof (artikel 1.7 onder g, van het Bhd) voert appellant aan dat verweerder zijn standpunt baseert op de subjectieve mening van een toezichthouder dat er een penetrante lucht hing die op de ademhalingswegen sloeg. Verweerder heeft ten onrechte niet kenbaar gemaakt waar de grens ligt tussen voldoende en onvoldoende verse lucht. Dat er een geur van uitwerpselen aanwezig was wil niet zeggen dat er onvoldoende zuurstof/verse lucht aanwezig was. Het een sluit het ander niet uit. De ruimte werd voldoende geventileerd door de aanwezige ramen die open worden gezet. Uit het rapport blijkt niet dat deze ramen gesloten zouden zijn, dan wel dat ter plaatse sprake was van een ventilatieprobleem. Dat er tijdens de controle (een momentopname) een sterke geur hing is, ondanks voldoende verse lucht, inherent aan de aanwezigheid van veel dieren in een ruimte. Dat wil niet zeggen dat de dieren over een langere periode onvoldoende verse lucht hebben gehad. Zoals eerder genoemd hebben Kooikerhonden vaak natte ogen en kan dat ook ergens anders door worden veroorzaakt. Als wel sprake was van ammoniakdruk hadden alle honden last moeten hebben van betraande/natte ogen.

7.3

Artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Bhd, bepaalt dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden. Artikel 1.7, aanhef en onder g, van het Bhd, bepaalt dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier voldoende verse lucht of zuurstof krijgt. Het standpunt van verweerder ten aanzien van de hygiënische omstandigheden, de ammoniakdruk en het gebrek aan verse lucht is gebaseerd op de gedetailleerde beschrijvingen in het toezichtrapport over de vervuilde hokken en de aanwezige penetrante lucht die op de ademhalingswegen sloeg en die de toezichthouder herkende als ammoniaklucht die vrijkomt bij een mengsel van urine en uitwerpselen. De dierenarts heeft vastgesteld dat in ieder geval bij een Kooikerteef en haar zeven puppy’s sprake was van natte traanogen door ammoniakdruk. Verder heeft zij verklaard dat de huisvesting totaal niet geschikt was voor puppy’s en jonge honden in verband met (onder meer) vervuilde ondergrond en ammoniakdruk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor twijfel aan de juistheid van deze eenduidige bevindingen van de toezichthouder en de dierenarts. In aanmerking nemend dat ammoniak een kenmerkende, penetrante geur heeft, volgt het College appellant niet in zijn stelling dat verweerder ten onrechte geen meting heeft gedaan met meetapparatuur. De stelling van appellant dat Kooikerhonden wel vaker traanogen hebben is niet onderbouwd met een verklaring van bijvoorbeeld een dierenarts, zodat die stelling onvoldoende is om niet uit te gaan van de verklaring van de dierenarts tijdens de controle. Ook los daarvan acht het College de bevindingen van de toezichthouder en dierenarts voldoende om aan te nemen dat sprake was van een vervuilde leefomgeving, onacceptabel hoge ammoniakdruk en onvoldoende verse lucht of zuurstof. Dat er in de ruimte ramen aanwezig waren die open konden worden gezet doet niet aan af de bevindingen tijdens de controle. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat appellant artikel 1.7, aanhef en onder d en g, van het Bhd heeft overtreden. De beroepsgronden slagen niet.

8. Het voorgaande betekent dat verweerder bevoegd was wegens overtreding van artikel 1.6, tweede lid, artikel 1.7, aanhef en onder d en g, en artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd een last onder bestuursdwang op te leggen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College niet gebleken.

9.1

Met betrekking tot de vraag of verweerder na de controle op 6 september 2017 in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om terstond bestuursdwang toe te passen overweegt het College als volgt.

9.2

Appellant betwist dat de situatie op de kraamafdeling zodanig ernstig was dat het toepassen van spoedbestuursdwang noodzakelijk was. Verweerder heeft daarvoor geen concreet bewijs geleverd. Voor zover appellant in het verleden van vergelijkbare overtredingen is beschuldigd en die overtredingen deels door appellant zijn erkend is dat onvoldoende grondslag voor het toepassen van spoedbestuursdwang. Verweerder heeft geen stukken overgelegd van de controles in 2012 en 2014. Het betroffen andersoortige overtredingen en de verzorging, gezondheid en het welzijn van de dieren waren niet in het geding. Van herhaling van overtredingen is dus geen sprake. Verder voert appellant aan dat onduidelijk is waarom verweerder niet een last onder bestuursdwang aan hem had kunnen opleggen met een korte begunstigingstermijn om de overtredingen te beëindigen. Appellant heeft in dit kader verwezen naar verschillende uitspraken van het College, waaronder de uitspraken van 2 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:73) en 15 februari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:25). Het voorgaande geldt te meer omdat er ter plaatse voldoende andere geschikte en schone dierenverblijven beschikbaar waren en appellant dus op korte termijn had kunnen zorgen voor een verbetering in de huisvestingssituatie. In het toezichtrapport is door de toezichthouder omschreven dat hij een eerste deur opende en zag dat de ruimte hierachter geen dienst meer deed als huisvesting voor dieren. De dieren waar het hier om gaat zijn aangetroffen achter een tweede deur. Appellant had de dieren in deze eerste ruimte kunnen huisvesten. Verder blijkt uit het toezichtrapport met kenmerk LID/B/08-09-2017 12.30/FW, waarin de resultaten van de controle in een ander dierenverblijf op de locatie [adres 1] in [plaats 2] zijn neergelegd, dat in dat andere dierenverblijf 10 kleine hokken aanwezig waren en dat daarin geen honden zaten. Appellant had (een deel van de) dieren daar kunnen huisvesten. Bij zijn bezwaarschrift heeft appellant bovendien foto’s gevoegd van beschikbare en geschikte dierenverblijven op de locatie [adres 1] . Verder had appellant ook op zijn woonadres aan de Mommersteeg te [plaats 1] nog dierenverblijven over om honden te huisvesten. Dat appellant op het moment van de controle in verzekering was gesteld doet er niet aan af dat hij dezelfde dag nog maatregelen kon treffen, eventueel door zorg te dragen voor adequate waarneming. In zoverre is deze situatie gelijk aan die in de uitspraak van het College van 14 oktober 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BU4517). Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellant, waaronder het voorkomen van de zeer grote financiële gevolgen van het toepassen van spoedbestuursdwang.

9.3

Volgens verweerder was er voldoende reden om over te gaan tot het toepassen van spoedbestuursdwang. Duidelijk was dat de puppy’s te jong waren om van de moederteven te scheiden, dat de hokken sterk vervuild waren, dat er een sterke ammoniaklucht hing in de verblijven, dat honden natte traanogen hadden door de ammoniakdruk, dat de puppy’s direct gesocialiseerd dienden te worden, dat de honden per direct anders gehuisvest dienden te worden, dat er geen geschikte huisvesting aanwezig was, dat in het verleden vergelijkbare overtredingen zijn vastgesteld en dat appellant ten tijde van de controle in verzekering was gesteld. Daarbij is van belang dat het om puppy’s en jonge honden ging, die extra kwetsbaar zijn. Verder heeft verweerder toegelicht dat enkel de controlehistorie van 2014 relevant is, omdat het daar ging om vergelijkbare overtredingen, namelijk ongeschikte huisvesting, onvoldoende verse lucht en geen schone en droge ligplekken voor de honden. Deze historie mocht verweerder betrekken bij zijn besluit. Appellant heeft volgens verweerder onvoldoende onderbouwd dat er andere verblijven beschikbaar waren voor de honden.

9.4

Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Op grond van het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt..

9.5

Het College is van oordeel dat verweerder na de controle op 6 september 2017 in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om terstond bestuursdwang toe te passen. Op grond van de voorgaande overwegingen staat vast dat sprake was van huisvesting die niet voldeed aan de fysiologische en ethologische behoeften van de honden. Verder staat vast dat sprake was van onvoldoende hygiënische omstandigheden en onvoldoende verse lucht of zuurstof. Verder acht het College van belang dat het gaat om puppy’s/jonge honden waarbij van groot belang is dat deze worden gesocialiseerd en dat uit de waarnemingen in het toezichtrapport en de verklaring van de dierenarts blijkt dat een aantal honden angstig/niet sociaal reageerde. Dat de overtredingen op korte termijn door appellant beëindigd konden worden acht het College niet aannemelijk. Dat er alternatieve behuizing beschikbaar was is onvoldoende aannemelijk gemaakt. In de gecontroleerde schuur waren wel enkele lege hokken, maar die waren eveneens gemaakt van ondoorzichtige sandwichpanelen. Ook heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de 10 hokken, waarvan in het door appellant bedoelde toezichtrapport melding wordt gemaakt, geschikte huisvesting betrof. Dat de dieren (deels) gehuisvest konden worden in de ruimte die de toezichthouder door heeft gelopen voordat hij in de ruimte kwam waar de honden verbleven is evenmin aannemelijk gemaakt. Of er in die ruimte geschikte en beschikbare huisvesting aanwezig was is niet met concrete gegevens onderbouwd. Ten aanzien van de door appellant bij het bezwaar overgelegde foto’s van hokken die volgens hem geschikt waren om de honden in te huisvesten, is onduidelijk waar deze verblijven zich bevinden en bovendien is met die foto’s onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze verblijven ten tijde van de controle daadwerkelijk beschikbaar en geschikt waren om de (jonge) honden te huisvesten. Aan de controlehistorie en inverzekeringstelling van appellant op de dag van de controle kent het College geen doorslaggevend gewicht toe, echter de voornoemde omstandigheden vormden voldoende grondslag om in dit geval over te gaan tot het toepassen van spoedbestuursdwang. De beroepsgronden slagen niet.

Kostenbesluiten

10.1

Het beroep heeft gelet op hetgeen is bepaald in artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb mede betrekking op de kostenbesluiten, voor zover appellant deze kostenbesluiten betwist. Appellant heeft het kostenbesluit van 21 juni 2018 betwist, zodat het beroep mede betrekking heeft op dat kostenbesluit. Het kostenbesluit van 18 juni 2018, dat verweerder heeft ingetrokken bij het kostenbesluit van 21 juni 2018, is door appellant niet betwist, zodat het beroep daar geen betrekking op heeft. Ten aanzien van het kostenbesluit van 21 juni 2018 overweegt het College als volgt.

10.2

Appellant voert aan dat het bedrag aan kosten meer dan verdubbeld is ten opzichte van de brief van 18 september 2017, waarin nog sprake was van een bedrag van € 9.077,-. Appellant kan het verschil tussen deze bedragen niet rijmen en verweerder heeft daarover geen opheldering verschaft. Uit de facturen blijkt ook niet wat de opvang van de honden daadwerkelijk gekost heeft en of er wellicht een marge wordt gehanteerd bovenop de daadwerkelijke kosten. Verweerder heeft volgens appellant ten onrechte kosten in rekening gebracht tot 24 november 2017, omdat appellant al op 5 oktober 2017 te kennen heeft gegeven dat hij de honden niet terug hoefde te hebben. Vanwege de schadebeperkingsplicht die op verweerder rust had de opvang van de honden niet zo lang mogen duren. Verweerder had de honden elders kosteloos moeten onderbrengen dan wel de honden aan appellant moeten retourneren. Appellant mag niet de dupe worden van een door verweerder gekozen opvangcentrum dat onredelijke of niet daadwerkelijk gemaakte kosten in rekening brengt voor het opvangen van overwegend kleine dieren. In de opvangkosten is ook ten onrechte geen onderscheid gemaakt naar het soort hond en naar de leeftijd van de hond. Voor zover meer kosten in rekening worden gebracht dan daadwerkelijk zijn gemaakt is sprake van een punitieve sanctie. Datzelfde geldt voor de transportkosten en de dierenartskosten. Ook daarvan is niet aangetoond dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt. De door de transporteur en dierenarts gehanteerde marge mag niet bij appellant in rekening worden gebracht. In de aanvullende gronden van beroep van 18 oktober 2018 heeft appellant opgemerkt dat hij de in rekening gebrachte kosten niet of nauwelijks kan voldoen.

10.3

In het aanvullende verweerschrift van 21 september 2018 heeft verweerder toegelicht dat de honden op 21 september 2017 zijn vrijgegeven, nadat appellant op 20 september 2017 telefonisch had laten weten dat hij de honden (in tegenstelling tot eerder bericht) niet terug hoefde. Het doen van afstand betekent echter niet dat geen kosten meer in rekening worden gebracht. Na onderzoek in de opvang bleek dat de honden een medische behandeling moesten ondergaan. De meeste honden zijn binnen zes weken na de vrijgavedatum herplaatst. De laatste twee honden zijn pas op 24 november en 30 november 2017 weggegaan, vanwege medische behandeling. Verweerder heeft aldus voortvarend gehandeld. De gemaakte kosten zijn volgens verweerder voldoende onderbouwd. Omdat de verzorging van puppy’s arbeidsintensief is, is terecht het maximale bedrag per hond per dag in rekening gebracht. In de brief van 18 september 2017 was bovendien al aangegeven dat later nog een brief zou volgen met het werkelijk te verhalen bedrag aan kosten.

10.4

Het College volgt appellant niet in het standpunt dat onduidelijk is waarom er een verschil is tussen de kosten die zijn vermeld in de brief van 18 september 2017 en de kosten die uiteindelijk bij appellant in rekening zijn gebracht. In de brief van 18 september 2017, waarin de voorwaarden zijn geformuleerd om de honden terug te krijgen, is namelijk vermeld dat het bedrag van € 9.077,08 een schatting betreft en dat appellant later een brief met een factuur zal ontvangen met het werkelijke bedrag. Verder betekent het doen van afstand van de meegevoerde en opgeslagen dieren niet dat de kosten, die ter zake van deze toepassing van bestuursdwang daarna redelijkerwijs gemaakt zijn, niet meer bij de overtreder, zoals appellant, in rekening gebracht kunnen worden. Het College verwijst naar de uitspraak van 28 september 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY1681). In het primaire besluit is appellant ook medegedeeld dat de dieren pas zouden worden vrijgegeven als de gezondheidstoestand dat toe zou laten. Verweerder heeft enige tijd nodig gehad om de honden elders onder te brengen nadat zij voor herplaatsing waren vrijgegeven bij brief van 21 september 2017. Het College acht het in dit geval niet onredelijk dat verweerder kosten in rekening heeft gebracht tot het moment van de plaatsing. De meeste honden zijn binnen een aantal weken na 21 september 2017 geplaatst. Twee honden zijn pas eind november geplaatst in verband met een medische behandeling, hetgeen niet onredelijk is. Verder is het College van oordeel dat verweerder het bedrag aan gemaakte kosten voldoende heeft onderbouwd met de facturen die zijn gevoegd bij het kostenbesluit van 21 juni 2018 en het door verweerder opgestelde overzicht van te verhalen kosten. Daaruit blijkt dat de opvangkosten zijn berekend conform de daartoe vastgesteld tarieven. Verweerder heeft uiteengezet dat deze tarieven zijn vastgesteld op basis van een aanbesteding. Appellant heeft (in beroep) onvoldoende naar voren gebracht om de aldus vastgestelde hoogte van de hier gehanteerde tarieven onredelijk te achten. Dat de opvang van jonge honden minder kostbaar is dan de opvang van volwassen honden is door appellant niet onderbouwd. Ook heeft het College geen aanleiding om te veronderstellen dat er een marge wordt gehanteerd bovenop de daadwerkelijke kosten. Van een punitieve sanctie is geen sprake, aangezien met de overgelegde facturen aannemelijk is gemaakt dat enkel daadwerkelijk gemaakte kosten in rekening zijn gebracht. De in rekening gebrachte transportkosten zijn eveneens onderbouwd en gespecificeerd in de facturen. Ten aanzien van de dierenartskosten overweegt het College dat deze kosten, zoals blijkt uit het door verweerder opgestelde overzicht van te verhalen kosten, niet bij appellant in rekening zijn gebracht, zodat deze kosten ook niet gespecificeerd hoeven te worden. Reeds omdat appellant zijn stelling dat hij de in rekening gebrachte kosten niet kan betalen, op geen enkele wijze heeft onderbouwd, ziet het College daarin geen grond om een bijzondere omstandigheid aan te nemen die ertoe leidt dat geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal afgezien moet worden. De beroepsgronden ten aanzien van het kostenbesluit slagen niet.

Tot slot

11. Gelet op het hetgeen is overwogen in de punten 6.1 tot en met 9.5 zal het College de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand laten op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Het beroep tegen het kostenbesluit van 21 juni 2018 zal het College ongegrond verklaren.

12. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    verklaart het beroep tegen het kostenbesluit van 21 juni 2018 ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.N. Foppen