Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:384

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
03-09-2019
Zaaknummer
18/1388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Een rund dat als zoogkoe binnen de vleesveesector kan worden aangemerkt, valt niet onder de definitie van melkvee als bedoeld in de Msw (zie ook de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:244). Verweerder heeft terecht aangenomen dat de bij appellante op de peildatum aanwezige koeien onder diercategorie 120 vielen en niet onder diercategorie 100 en heeft deze koeien terecht niet betrokken bij het vaststellen van het fosfaatrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/364 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/1388

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: H. Antonissen)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Krari en mr. A.R. Alladin).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 83 kilogram (kg).

Bij besluit van 20 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 1 oktober 2018 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en een nieuw besluit genomen (het vervangingsbesluit). Daarbij is het fosfaatrecht vastgesteld op
10 kg.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.


Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw wordt het op het bedrijf rustende

fosfaatrecht per 1 januari 2018 door de minister vastgesteld overeenkomstig de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd.

1.2

Het begrip melkvee, voor zover hier van belang, is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw:

“1°. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

(…)

1.3

Deze definitie is in de Msw opgenomen met de inwerkingtreding van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Stb. 2014, 560). Voor de reikwijdte van het begrip melkvee, is blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2013–2014, 33 979, nr. 3) aansluiting gezocht bij de bestaande diercategorieën in de Msw, zoals opgenomen in bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (bijlage D). Genoemd worden onder andere de dieren die gehouden worden voor de productie van melk (categorie 100 van bijlage D).

1.4

In tabel I van bijlage D zijn, voor zover hier van belang, de volgende diercategorieën opgenomen:
- melk- en kalfkoeien (alle koeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden; ook koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken), met categorienummer 100;

(…)

- weide- en zoogkoeien (koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd niet zijnde melk- en kalfkoeien), met categorienummer 120.

2. Appellant hield op de peildatum van 2 juli 2015 5 koeien op zijn bedrijf, 4 stuks jongvee van jonger dan 1 jaar en 2 stuks jongvee van 1 jaar of ouder. Verweerder heeft in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, fosfaatrecht verleend voor al het jongvee, maar niet voor de 5 koeien. In het vervangingsbesluit is ook het fosfaatrecht voor het jongvee herzien, van 83 kg naar 10 kg.

3. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep mede gericht tegen het vervangingsbesluit.

4. In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat het vervangingsbesluit onrechtmatig is voor zover daarin geen fosfaatrecht is verleend voor het op het bedrijf van appellant aanwezige jongvee. Verweerder verzoekt het College het fosfaatrecht alsnog vast te stellen op 83 kg.

5.1

Verweerder en appellant verschillen thans nog van mening of voor de 5 koeien die appellant op zijn bedrijf had, al dan niet fosfaatrecht moet worden verleend. Appellant stelt dat deze koeien melkvee zijn en wil fosfaatrecht voor deze dieren. Zijn koeien produceren gemiddeld 4.400 liter melk per jaar. Het betreft één koe van het ras Holstein-Friesian, een melkras, en 4 koeien van het ras Emmerij, een dubbeldoelras. De melk wordt deels gebruikt voor eigen consumptie en voor de opfok van kalveren gedurende de eerste drie maanden. Meer dan de helft van de melk wordt dagelijks afgenomen door familieleden, tegen een marktconforme prijs. Er is daarom sprake van commerciële melkproductie en derhalve van melkvee in de zin van de Msw. Door de beslissing van verweerder riskeert appellant boetes op grond van het fosfaatrechtenstelsel.

5.2

Volgens verweerder zijn de 5 koeien op het bedrijf van appellant, gelet op de door appellant gegeven omschrijving en de bij verweerder bekende bedrijfssituatie, zoogkoeien als bedoeld in diercategorie 120 van bijlage D en vallen ze daarom niet onder het begrip melkvee.

6.1

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:244, geldt dat een rund dat als zoogkoe binnen de vleesveesector kan worden aangemerkt, niet valt onder de definitie van melkvee als bedoeld in de Msw.

6.2

Verweerder heeft uit de bedrijfsspecifieke omstandigheden van het bedrijf van appellant geconcludeerd dat de 5 koeien van appellant zoogkoeien binnen de vleesveesector zijn. Daarbij is van belang geacht dat, zoals appellant beaamt, op het bedrijf van appellant kalveren worden opgefokt en doorverkocht. De koeien worden ingezet om alle kalveren van melk te voorzien. In 2015 zijn, zoals appellant eveneens heeft beaamd, alle afgevoerde dieren, zowel koeien als kalveren, binnen de vleesveesector verhandeld. Van appellant zijn geen activiteiten binnen de melkveesector gebleken. Ook de door appellant opgegeven lactatie van de koeien, 4.400 liter melk gemiddeld per jaar, is laag in verhouding tot de gangbare lactatie binnen de melkveesector. Naar het oordeel van het College is op grond van deze omstandigheden aannemelijk dat de 5 koeien zoogkoeien binnen de vleesveesector zijn. Appellant is er niet in geslaagd voldoende bewijs te overleggen van het tegendeel. De omstandigheid dat appellant zoals hij heeft gesteld (belangrijke) neveninkomsten heeft doordat hij het grootste deel van de melk verkoopt aan familieleden voor consumptie maakt het voorgaande niet anders. Ook de stelling van appellant dat het mogelijk is dat een kalf door een melkveehouder wordt gekocht en dan als melkkoe kan dienen is gezien het voorgaande onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

6.3

Dat betekent dat verweerder de koeien van appellant terecht heeft aangemerkt als zoogkoeien, behorend tot categorie 120 van bijlage D, en dat voor het houden van deze koeien terecht geen fosfaatrechten zijn verleend. De vrees van appellant dat hij beboet zal worden is ongegrond, omdat voor zoogkoeien geen fosfaatrecht is vereist.

7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4 zal het College het beroep voor zover gericht tegen het vervangingsbesluit gegrond verklaren, wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het vervangingsbesluit zal worden vernietigd. Daardoor herleeft het bestreden besluit. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het fosfaatrecht bij het primaire besluit en het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld op 83 kg. Daarom zal het College bepalen dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze begroot het College, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op € 512,-, voor de door een derde verleende rechtsbijstand
(1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 512,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep van appellant gegrond voor zover het is gericht tegen het vervangingsbesluit en vernietigt dit besluit;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 512,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

w.g. T.L. Fernig-Rocour w.g. J.M.M. van Dalen