Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:38

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
17/1717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Reactie verweerder op door appellante aangemelde keuringswerkzaamheden geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Geen publiekrechtelijk systeem voor het plannen van keuringswerkzaamheden. Het al dan niet inroosteren van keuringswerkzaamheden verandert daarnaast de rechtspositie van appellante niet in publiekrechtelijke zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/384
JW 2019/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1717

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2019 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: F.Th.M. Peters),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Turuçlu).

Procesverloop

Verweerder heeft per e-mail op 18 mei 2017 de door appellante aangemelde keuringswerkzaamheden voor het derde kwartaal afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2018.

Appellante, vertegenwoordigd door [naam 2] , is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 3] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft op 29 maart 2017 per e-mail de door haar gewenste keuringswerkzaamheden voor het derde kwartaal aangemeld bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Onderdeel hiervan vormt het ’s nachts (vanaf 0.00 uur) slachten van de varkens gedurende zes weken in de zomer van 2017.

1.2

Op 15 mei 2017 heeft een medewerker van de NVWA appellante telefonisch medegedeeld dat de door haar aangemelde keuringswerkzaamheden in de nachtelijke uren (vanaf 0.00 uur) zijn afgekeurd. Appellante heeft hierop gereageerd per e-mail van 17 mei 2017.

1.3

Bij e-mail van 18 mei 2017 heeft verweerder het verzoek van appellante om de keuringswerkzaamheden te verschuiven naar een starttijd van 0.00 uur om in de zomer van 2017 ’s nachts te slachten, afgewezen. Appellante heeft hiertegen bij brief van 20 juni 2017 bezwaar gemaakt. Bij brief van 4 juli 2017 is deze afwijzing bevestigd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en de afwijzing van de door haar aangemelde keuringswerkzaamheden gehandhaafd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de aanmelding van appellante niet past binnen het planningskader van de NVWA, nu B.V. Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) onvoldoende keuringspersoneel beschikbaar heeft voor een nachtploeg gedurende zes weken en de NVWA slechts een beperkte capaciteit heeft voor werkzaamheden buiten de reguliere tijden om.

3.1

Appellante heeft ter zitting haar verzoek om vergoeding van de schade als gevolg van de afwijzing van de in geding zijnde keuringswerkzaamheden, ingetrokken. Dit verzoek behoeft derhalve geen bespreking meer.

3.2

Appellante heeft toegelicht elk jaar de door haar gewenste keuringswerkzaamheden in de nachtelijke uren in de zomerperiode overeenkomstig de thans in geding zijnde aanmelding aan te melden, maar dat deze aanmeldingen steeds worden afgewezen waardoor het voor haar niet mogelijk is om in de zomermaanden ’s nachts te slachten. Gelet hierop is het College van oordeel dat appellante nog steeds belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.

4. Appellante betoogt dat de vigerende regelgeving voorziet in het verrichten van de door haar gewenste keuringswerkzaamheden. Zij voert hiertoe aan dat zij niet verzoekt om een uitbreiding van de keuringswerkzaamheden, maar om een tijdelijke verplaatsing van deze werkzaamheden op de dagelijkse tijdbalk. Volgens appellante is het dierenwelzijn in de zomermaanden gediend met verlading en transport gedurende de nacht, kunnen medewerkers beter in de nacht werken vanwege de temperatuurverschillen en is het vlees beter koud uit te leveren door ’s nachts te slachten. Appellante wijst daarnaast op de brieven van de staatssecretaris van Economische Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 2 juli 2015 en 7 oktober 2017 inzake een tropenrooster voor keuringen in verband met het dierenwelzijn, respectievelijk het vervoer van landbouwhuisdieren op hete dagen. Appellante voert tot slot aan dat het aan de autoriteiten is om voor adequaat keuringstoezicht te zorgen en dit niet haar verantwoordelijkheid is.

5.1

De Regeling NVWA-tarieven (de Regeling), zoals deze gold ten tijde van belang, luidt als volgt:

“Artikel 1

1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

j. openingstijd: periode van maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van algemeen erkende feestdagen, van 07.00 uur tot 18.00 uur;

(…)

m. werkzaamheden: onderzoeken, keuringen, administratieve voorbereiding en afwikkeling daarvan.

(…)

Artikel 20

1 In de volgende gevallen is de aanbieder, (…), een extra retributie verschuldigd:

(…)

c. de werkzaamheden vinden buiten openingstijd plaats;

(…)

Artikel 26

(…)

3 In afwijking van het eerste en tweede lid, meldt de aanbieder de werkzaamheden die hij op een zaterdag, zondag, algemeen erkende feestdag, onderscheidenlijk op een werkdag tussen 18.00 uur en 06.00 uur wenst te laten verrichten, schriftelijk bij de NVWA, uiterlijk twee weken vóór de werkdag voorafgaand aan de dag van de voorgenomen uitvoering van de werkzaamheden zoals deze zijn aangemeld.

(…)

5 In de volgende gevallen zullen de aangevraagde werkzaamheden niet worden uitgevoerd op de daartoe aangevraagde dag, en dient de aanbieder voor de uitvoering van die werkzaamheden een nieuwe aanvraag in te dienen:

a. de werkzaamheden, bedoeld in het eerste, tweede, derde, onderscheidenlijk vierde lid, zijn later aangemeld dan de werkdag en het tijdstip, bedoeld in het eerste, tweede, derde, onderscheidenlijk vierde lid;

b. de werkzaamheden, bedoeld in het eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, nemen meer tijd in beslag dan is aangemeld op grond van artikel 27, eerste lid, onderdelen c en d.

(…)

Artikel 27

1 De melding, bedoeld in artikel 26, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, omvat ten minste:

a. de soorten te verrichten bedrijfsactiviteiten;

b. de soorten en hoeveelheden van de goederen;

c. de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen aanvangen;

d. de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen eindigen, en

e. de locatie(s) waarop de bedrijfsactiviteiten dienen plaats te vinden.

(…)”

5.2

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijk beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

6.1

Het College ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het door verweerder afwijzen van de door appellante aangemelde keuringswerkzaamheden voor het ‘s nachts (vanaf 0.00 uur) slachten van de varkens gedurende zes weken in de zomer van 2017, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt dienaangaande het volgende.

6.2.1

De Regeling strekt blijkens de toelichting hierop (Stcrt. 2014, 5623) tot vaststelling van een stelsel voor de tarieven voor keurings- en controlewerkzaamheden door de NVWA. De Regeling heeft dan ook rechtstreeks tot gevolg dat appellante voor de door haar aangemelde keuringswerkzaamheden extra retributie zou zijn verschuldigd, omdat deze werkzaamheden buiten de openingstijden plaats zouden vinden. Noch uit de tekst van de Regeling noch uit de toelichting hierop blijkt dat deze mede tot doel heeft om, los van de regeling van de tarieven, een regelgevend kader te bieden voor de planning van de keuringswerkzaamheden van de officiële dierenartsen van de NVWA en de officiële assistenten van KDS die met deze werkzaamheden zijn belast. Uit Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn, waarop de Regeling is gebaseerd, volgt ook niet dat een lidstaat een (publiekrechtelijk) systeem voor het plannen van keurings- dan wel controlewerkzaamheden in het leven moet roepen.

6.2.2

De Regeling bevat wel enkele aanwijzingen ten behoeve van het plannen van de keurings- dan wel controlewerkzaamheden. Zo dient de aanbieder op grond van artikel 26 van de Regeling tijdig een melding te doen en omvat deze melding ten minste de in artikel 27 van de Regeling genoemde aspecten. De door appellante gewenste keuringswerkzaamheden zijn tijdig aangemeld en de melding bevat de in artikel 27 van de Regeling genoemde aspecten. Het College stelt vast dat voor de in geding zijnde, specifieke melding van appellante verder niets is geregeld in de Regeling. Voor zover verweerder nog heeft gewezen op het als gedingstuk ingebrachte ‘Planningskader NVWA werkzaamheden op aanvraag’, overweegt het College dat, anders dan dit Planningskader vermeldt, de Regeling geen grondslag biedt voor een dergelijk Planningskader en deze dan ook niet is verankerd in de Regeling.

6.2.3

Gelet op het voorgaande ziet het College geen publiekrechtelijke grondslag voor de afwijzing door verweerder van de keuringswerkzaamheden, zoals aangemeld door appellante.

6.3

Het College overweegt voorts dat de keuringswerkzaamheden, gelet ook op de definitie van ‘werkzaamheden’ in de Regeling, feitelijk van aard zijn. Ook het aanmelden van deze keuringswerkzaamheden en de reactie van verweerder hierop zijn naar het oordeel van het College in zoverre feitelijk van aard. Met het aanmelden van de keuringswerkzaamheden beoogt appellante immers te bewerkstelligen dat personeel van de NVWA en KDS zodanig door verweerder worden ingeroosterd dat het verrichten van de keuringswerkzaamheden plaatsvindt overeenkomstig het door appellante bij de aanmelding gegeven rooster. Door de keuringswerkzaamheden niet in te roosteren, verandert de rechtspositie van appellante dan ook niet in publiekrechtelijke zin.

6.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de reactie van verweerder van 18 mei 2017, bevestigd bij brief van 4 juli 2017, op de door appellante aangemelde keuringswerkzaamheden niet op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop had verweerder de bezwaren van appellante tegen voornoemde reactie niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

7. Het door verweerder ter zitting opgeworpen vraagpunt of de e-mail van 18 mei 2017 dan wel de brief van 4 juli 2017 moet worden gezien als het primaire besluit, doet er gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet toe, nu beide reacties niet kunnen worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het College zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van appellante tegen de e-mail van verweerder van 18 mei 2017 niet-ontvankelijk te verklaren.

9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar van appellante tegen de e-mail van 18 mei 2017 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1.024-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. C.C.W. Lange, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2018.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. Verhoeven