Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:375

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
18/1395
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appellante verlangt een voorziening in de Msw die inhoudt dat biologische bedrijven om niet fosfaatrechten kunnen krijgen als zij hun bedrijf uitbreiden en vordert (ook) dat het College verweerder zal veroordelen om een ministeriële regeling te treffen als bedoeld in art 38a Msw. Art 38a Msw maakt ontheffing ter bevordering van de grondgebondenheid mogelijk, maar de daarvoor benodigde ministeriële regeling is nog niet getroffen. Dat biedt appellante dus geen soulaas. Het College heeft niet de bevoegdheid om de minister opdracht te geven een ministeriële regeling te slaan. Art 12 Wet algemene bepalingen verbiedt de rechter “bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak te doen”. Het pleidooi voor een knelgevallenregeling voor biologische landbouw hoort thuis in het politieke domein. De rechter moet volgens de wet recht spreken en hij onthoudt zich van een oordeel over de innerlijke waarde of billijkheid van de wet (artikel 11 Wet algemene bepalingen). Het College heeft al eerder geoordeeld dat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en dat grondgebonden (biologische) melkveehouders tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. Zie de uitspraken van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/345 met annotatie van Meijden, D. van der
BA 2019/288
JOM 2019/892
JGROND 2019/237 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1395

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2019 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. B. Loontjens en mr. J.G. Biesheuvel).

Procesverloop

Bij besluiten van 5 januari 2018 en 5 juni 2018 heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld.

Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en geweigerd om een ontheffing te verlenen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 juli 2019 heeft verweerder zijn besluit van 5 juni 2018 herroepen en het bestreden besluit van een nadere motivering voorzien.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2019. Namens appellante is verschenen haar vennoot [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante exploiteert een biologisch melkveebedrijf. Verweerder heeft op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op (uiteindelijk) 3.466 kg.

2. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich mede tegen het besluit van 4 juli 2019. Tegen de intrekking van het besluit van 5 juni 2018 heeft appellante geen beroepsgronden aangevoerd.

3. Appellante keert zich evenmin tegen de wijze waarop de Msw in haar geval is toegepast, maar zij verlangt een voorziening in de Msw die inhoudt dat biologische melkveebedrijven om niet fosfaatrechten kunnen krijgen als zij hun bedrijf uitbreiden. Ter zitting heeft zij (ook) gevorderd dat het College verweerder zal opdragen een ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 38a van de Msw, te treffen voor biologische melkveebedrijven.

4.1

Het College toetst de besliscomponenten van het bestreden besluit als deze door de beroepsgronden worden bestreken. Hij kan geen oordeel geven buiten dat besluit.

4.2

Artikel 38a van de Msw maakt ontheffing ter bevordering van de grondgebondenheid mogelijk, maar de daarvoor benodigde ministeriële regeling is (nog) niet getroffen. Dat biedt appellante dus geen soulaas. Het College heeft niet de bevoegdheid om de minister opdracht te geven een ministeriële regeling te slaan. Artikel 12 van de Wet algemene bepalingen (Wet AB) verbiedt de rechter bij wege van algemene verordening, dispositie of reglement, uitspraak te doen.

4.3

Het pleidooi voor een knelgevallenregeling voor biologische melkveebedrijven hoort thuis in het politieke domein. De rechter moet volgens de wet recht spreken en onthoudt zich van een oordeel over de innerlijke waarde of billijkheid van de wet (artikel 11 van de Wet AB). Het College heeft al eerder geoordeeld dat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en dat grondgebonden (biologische) melkveebedrijven tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. Zie de uitspraken van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7).

5. Het beroep slaagt niet.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. L. ten Hove