Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:36

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
17/1497
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking chauffeurskaart nadat appellant niet kon voldoen aan het verzoek om een nieuwe VOG te overleggen. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht. Het betoog van appellant dat artikel 82, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bp2000 en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1497

14910

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Kops).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van appellant voor het verrichten van taxivervoer ingetrokken.

Bij besluit van 5 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Het College heeft het onderzoek in deze zaak ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Verweerder ontving op 8 mei 2017 informatie dat appellant recentelijk met justitie in aanraking was gekomen. Dit was voor verweerder aanleiding op grond van artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp2000) appellant op 19 mei 2017 te vragen om binnen vier weken een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) in te sturen.

1.2

Appellant heeft niet binnen die termijn een nieuwe VOG overgelegd. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit de chauffeurskaart van appellant op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (de Regeling) ingetrokken.

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Nu appellant niet tijdig een nieuwe VOG heeft overgelegd, dwingt artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling zijn chauffeurskaart in te trekken. Artikel 82 van het Bp2000 beoogt belangen van passagiers te beschermen. Daarvoor is het noodzakelijk dat de betrouwbaarheid van een taxichauffeur vaststaat. Wanneer dit niet het geval is, wordt een chauffeurskaart ingetrokken. Dat dit gevolgen kan hebben voor het privéleven, familieleven dan wel gezinsleven, maakt niet dat de wet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder erkent dat het intrekken van een chauffeurskaart ingrijpend kan zijn voor een taxichauffeur, maar met de VOG-eis beschermt de wet het maatschappelijk belang. Er is sprake van een gebonden besluit.

2.2

Appellant voert aan dat artikel 82, eerste lid, onder c, van het Bp2000 en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM, omdat verweerder zonder belangenafweging de chauffeurskaart moet intrekken wanneer een VOG niet (tijdig) overgelegd wordt. Hij wijst in dat verband op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de |Mens van 12 juni 2014, nr. 56030/07, Fernández Martínez vs. Spanje, (ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD00560300) en stelt dat de wet met de VOG-eis een factor introduceert die met het privéleven van appellant als relevante kwalificatie voor zijn beroep te maken heeft. Appellant wijst erop dat hij door het niet kunnen overleggen van een VOG gedurende acht maanden zonder werk heeft gezeten. Op 19 oktober 2017 is hem alsnog een VOG verstrekt en inmiddels beschikt hij weer over een chauffeurspas.

3.1

Artikel 82, zesde lid, van het Bp2000 bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien verweerder vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG hij kan verlangen dat die bestuurder binnen een door hem vast te stellen termijn opnieuw verzoekt om afgifte van een VOG. De bestuurder overlegt binnen een door de minister vast te stellen termijn de nieuwe VOG.

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling trekt verweerder de chauffeurskaart in indien, voor zover hier van belang, de bestuurder niet of niet tijdig de nieuwe VOG overlegt.

3.2

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat hij vanwege het feit dat appellant niet binnen de daartoe gestelde termijn een nieuwe VOG heeft overgelegd, gehouden was zijn chauffeurskaart in te trekken. Een door verweerder te maken belangenafweging is, anders dan voorheen onder de toen geldende regelgeving, niet meer aan de orde. De termijn die verweerder aan appellant heeft gesteld voor het overleggen van een nieuwe VOG acht het College in dit geval niet onredelijk.

4. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Het College is van oordeel dat artikel 10, eerste lid, onder d, van de Regeling niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De (huidige) dwingende formulering, die verweerder geen ruimte biedt tot en afweging van de belangen is, blijkens de nota van toelichting (Stcrt. 2014, 4127), ingegeven door de wens om continue screening van taxichauffeurs mogelijk te maken en direct actie te kunnen ondernemen (lees: de chauffeurskaart in te trekken) op het moment dat een taxichauffeur in beeld komt als verdachte van een strafbaar feit. Nadat verweerder hiervan op de hoogte is gesteld, kan hij van de chauffeur een nieuwe VOG verlangen en daartoe een termijn stellen. In dat verband kan verweerder (wel) alle belangen van appellant betrekken, en om die reden is de dwingend voorgeschreven vervolgbeslissing (waarin de ruimte voor een belangenafweging ontbreekt) niet in strijd met artikel 8 EVRM.

7. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. T. Pavićević en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. T. Kuiper