Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:323

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
18/1694
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit stimulering duurzame energieproductie. Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016. Voorwaarde grootverbruikersaansluiting. Opschorting uitbetaling voorschotten met toepassing van artikel 4:56 van de Awb. Vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1694

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij de verplichting tot betaling van het verleende voorschot SDE-subsidie stopt.

Bij besluit van 1 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor verweerder is verder nog verschenen [naam 3] .

Overwegingen

1.1

Appellante heeft op 3 oktober 2016 bij verweerder een aanvraag om SDE-subsidie ingediend voor de realisatie en exploitatie van een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen (zonnepark). In de aanvraag heeft appellante vermeld dat de productie-installatie wordt aangesloten op een netaansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde groter dan 3*80 Ampère (grootverbruikersaansluiting) en dat zij daarover op het moment van het indienen van de aanvraag beschikt.

1.2

Bij besluit van 14 november 2016 heeft verweerder de aangevraagde subsidie verleend. Hierin is onder meer de verplichting opgenomen de productie-installatie op een Nederlands elektriciteitsnet aan te sluiten via een grootverbruikersaansluiting. Verder is bepaald dat appellante zich nadat de productie-installatie is geplaatst en in gebruik genomen aanmeldt bij CertiQ. Via CertiQ wordt de regionale netbeheerder op de hoogte gebracht. Nadat deze heeft vastgesteld dat appellante producent van duurzame elektriciteit is, zal verweerder zal op basis van deze vaststelling starten met het uitbetalen van maandelijkse voorschotten.

1.3

Appellante heeft op het Overzicht inschrijving producent E-Certificatensysteem ten behoeve van CertiQ aangegeven dat de installatie deel uitmaakt van twee kleinverbruikersaansluitingen op één WOZ waarde.

1.4

Bij besluit van 31 augustus 2017 heeft verweerder, op grond van het bericht van CertiQ dat appellante per 1 juli 2017 geregistreerd staat als producent van duurzame stroom, besloten appellante met ingang van die datum een voorschot te verlenen.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bevoorschotting beëindigd omdat hij heeft geconstateerd dat appellante niet over de voor de verleende subsidie vereiste grootverbruikersaansluiting beschikt. Verweerder stopt met het betalen van de voorschotten om te voorkomen dat in geval van subsidiebeëindiging in verband met het niet voldoen aan de subsidieverplichtingen een verrekening moet plaatsvinden. Op grond van de in het verleningsbesluit opgenomen verplichtingen dient appellante de productie-installatie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 3 jaar na de datum van die beschikking in gebruik te nemen. Om subsidieverlening te behouden dient zij voor 14 november 2019 alsnog een grootverbruikersaansluiting te laten plaatsen.

1.6

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat nu appellante niet over een grootverbruikers aansluiting beschikt, hij het lopend voorschot terecht beëindigd heeft.

2. Het College overweegt als volgt.

2.1

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Besluit SDE gelezen in samenhang met artikel 14 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016 kan verweerder op aanvraag subsidie verstrekken aan een producent van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht geproduceerd door een productie-installatie met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een grootverbruikersaansluiting.

Ingevolge artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2016-11-03) van de Awb of 4:49 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2016-11-03), tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.

2.2

Verweerder heeft aan appellante SDE-subsidie verleend voor een zonnepark, mede omdat zij in haar aanvraag heeft vermeld dat zij beschikt over de daarvoor vereiste grootverbruikersaansluiting. Daar is ook het besluit van verweerder tot het verlenen van voorschotten op gebaseerd. Verweerder heeft het uitbetalen van de voorschotten met toepassing van artikel 4:56 van de Awb opgeschort omdat hem is gebleken dat appellante, anders dan zij in haar aanvraag heeft aangegeven, niet over de voor de subsidie vereiste grootverbruikersaansluiting beschikt. Als zij dat in haar aanvraag had vermeld, zou verweerder haar voor het zonnepark geen subsidie hebben verleend. Gelet hierop bestaat er bij verweerder het ernstige vermoeden dat hij de verleende subsidie met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb zal moeten intrekken, als appellante niet alsnog tijdig over de vereiste grootverbruikersaansluiting zal beschikken.

2.3

Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder bevoegd was de betaling van aan appellante verleende voorschotten op te schorten.

2.4

Appellante heeft ter zitting erkend dat zij niet over een grootverbruikersaansluiting beschikt. Appellante heeft toegelicht dat zij de aanvraag op de hiervoor beschreven manier heeft gedaan, omdat zij is afgegaan op de informatie van haar tussenpersoon dat verweerder eerder voor een vergelijkbare productie-installatie, dus ook zonder grootverbruikersaansluiting, wel subsidie heeft verleend. Appellante meent dat zij er daarom gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat verweerder haar ook subsidie zou verlenen. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij in het verleden in een beperkt aantal gevallen de subsidie heeft verleend zonder dat was voldaan aan de voorwaarde van de grootverbruikersaansluiting. Anders dan in dit geval, was er toen voorafgaand overleg geweest tussen de subsidie-aanvrager en verweerder en had verweerder toegezegd dat hij ook zonder grootverbruikersaansluiting subsidie zou verlenen. Verweerder heeft intern gecommuniceerd dat dergelijke toezeggingen niet meer mogen worden gedaan en verleent de subsidie ook niet meer aan aanvragers zonder grootverbruikersaansluiting.

2.5

Het College is van oordeel dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Appellante heeft voorafgaand aan de subsidie-aanvraag geen contact gehad met verweerder. Aan het feit dat zij van haar adviseur had begrepen dat zij met twee kleinverbruikersaansluitingen ook voor de subsidie in aanmerking zou komen, kan appellante niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat verweerder ook in haar geval de subsidie zou verlenen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Anders dan in de hiervoor genoemde gevallen is appellante niet voorafgaand aan de subsidie-aanvraag een toezegging door verweerder gedaan.

2.6

In wat appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorten van de uitbetaling van de subsidievoorschotten geen gebruik heeft mogen maken. Verweerder voorkomt daarmee dat appellante in geval van subsidiebeëindiging in verband met het niet voldoen aan de subsidieverplichtingen de betaalde voorschotten als onverschuldigd betaald zal moeten terugbetalen.

2.7

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. K.K.E. Blom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.

w.g. B. Bastein w.g. K.K.E. Blom