Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:315

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
18/2523
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 4 Plantenziektenwet. Afwijzing tegemoetkoming. Normaal maatschappelijke risico. Normaal bedrijfsrisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2523

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigden: mr. M.H.C. Peters en A.L.C. van den Berg)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: dr. mr. A. Herczog).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2012 heeft de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), in verband met de op het bedrijf van appellant geconstateerde aanwezigheid van het schadelijke organisme pepper weevil (paprikasnuitkever), aan appellant een aantal maatregelen op grond van artikel 3 van de Plantenziektenwet (Pzw) aangezegd om verspreiding van dat organisme te voorkomen. Bij besluit van 3 januari 2013 zijn de maatregelen opgeheven.

Bij besluit van 4 mei 2015 (primaire besluit) heeft de minister van Economische Zaken aan appellant een tegemoetkoming van € 39.881,56 verstrekt voor de kosten die appellant heeft gemaakt voor het vernietigen van planten als gevolg van het toepassen van deze maatregelen.

Bij besluit van 19 augustus 2016 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken het bezwaar van appellant hiertegen gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, en de hoogte van de vergoeding vastgesteld op € 44.189,88 (50% van de schade).

Bij uitspraak van 17 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:506) heeft het College het door appellant hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2016 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

Bij besluit van 20 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant en besloten om geen vergoeding toe te kennen op grond van artikel 4 van de Pzw. Daarbij heeft hij tevens het primaire besluit herroepen en meegedeeld dat de aan appellant uitgekeerde subsidie niet zal worden teruggevorderd.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. In 2012 is op het bedrijf van appellant, die toen rode paprika’s kweekte, de paprikasnuitkever aangetroffen en zijn aan appellant op grond van artikel van de 3 Pzw maatregelen aangezegd. Deze maatregelen zijn aangezegd op het moment dat op het bedrijf van appellant twee teelten in elkaar overliepen. De op het bedrijf aanwezige paprika’s en planten moesten worden vernietigd. Voor de door appellant gemaakte kosten is hem op grond van artikel 2 Kaderwet EZ-subsidies een vergoeding toegekend van € 44.189,88 (50% van de door de minister vastgestelde schade). Op het door appellant hiertegen ingestelde beroep, omdat hij het niet eens was met de door de minister vastgestelde hoogte van de schade, heeft het College in de hiervoor vermelde uitspraak van 17 november 2017 het volgende overwogen:

“2.3 Het College stelt vast dat uit het rapport van het Nederlands Instituut Van Register Experts van 23 januari 2014 blijkt dat appellant een gespecificeerde schadeberekening ter hoogte van € 607.425,-- heeft overgelegd. Gelet op de aanleiding en de inhoud van deze schadeberekening en wat daarover ook in dat rapport staat vermeld, had verweerder deze schadeberekening moeten opvatten als een verzoek om tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 4 van de Pzw en had hij dat verzoek aan de hand van die bepaling moeten beoordelen. Verweerder heeft dat ten onrechte niet gedaan, zodat het bestreden besluit reeds om die reden niet deugdelijk is gemotiveerd.

3.1

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

3.2

Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt laten varen dat vergoeding van de door appellant opgevoerde posten ‘verloren jonge planten’ en ‘teeltschade seizoen 2013’ afstuit op Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. Het staat verweerder niet meer vrij om in het nadere besluit deze posten onder verwijzing naar deze verordening af te wijzen.”

2.1

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij het bestreden besluit opnieuw beslist op het bezwaar van appellant en besloten om aan appellant geen vergoeding toe te kennen op grond van artikel 4 van de Pzw voor de schade die het gevolg is van het toepassen van de maatregelen, omdat de schade valt binnen het normale bedrijfsrisico.

2.2

Verweerder heeft daarbij overwogen dat hij er op grond van de parlementaire geschiedenis bij artikel 4 van de Pzw van uitgaat dat schade door plantenziekten niet wordt vergoed, omdat deze schade in beginsel verdisconteerd is in het normaal maatschappelijk risico, waaronder het normale bedrijfsrisico. Deze kosten en ook de kosten van bestrijdingsmaatregelen komen in beginsel voor eigen rekening. Als de kosten van het nemen van maatregelen onevenredig zwaar op één of meer personen drukt kan een tegemoetkoming worden verleend. Bij het verlenen van een tegemoetkoming op grond van artikel van de 4 Pzw stelt verweerder zich zeer terughoudend op omdat het gegeven dat een quarantainewaardig organisme zich kan vestigen in een nieuw gebied een natuurlijke wetmatigheid is, waarvan het intreden niet zonder meer als een uitzonderlijke en onvoorziene situatie kan worden gezien. Het behoort volgens verweerder in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler dat een bedrijf kan worden getroffen door een schadelijk organisme, ook als dat niet op voorhand te verwachten valt omdat niet bekend is dat een organisme ook in Nederland voorkomt.

2.3

De door appellant aangevoerde omstandigheden vormen voor verweerder geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat appellant op het moment dat de maatregelen werden opgelegd net tussen de wisseling van twee teelten zat is voor verweerder geen omstandigheid om aan te nemen dat de schade door de opgelegde maatregelen onevenredig zwaar op appellant drukt.

3. In beroep voert appellant aan dat het feit dat zijn bedrijf is getroffen door de paprikasnuitkever het normale bedrijfsrisico te boven gaat, omdat hij – kort weergegeven –

in redelijkheid niet kon voorzien dat de paprikasnuitkever op zijn bedrijf terecht zou komen, hij de uitbraak van de paprikasnuitkever op zijn bedrijf niet kon voorkomen, andere paprikatelers voordeel hebben gehad van het adequaat optreden door appellant en de drie andere getroffen bedrijven en omdat hij van de vier getroffen bedrijven extra zwaar getroffen is door de bijzondere omstandigheid dat hij op moment dat de maatregelen werden opgelegd net tussen twee teelten in zat, waardoor hij naast de aanwezige paprika’s op het bedrijf ook alle jonge paprikaplanten kwijt was en pas veel later kon starten met een nieuwe teelt.

4. Uit vaste jurisprudentie van het College over artikel van de 4 Pzw, zoals die is samengevat en verduidelijkt in de uitspraak van het College van 15 maart 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:60), volgt dat het in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler als appellant behoort dat een bedrijf schade kan lijden door maatregelen ter bestrijding van schadelijke organismen, ook als dit niet op voorhand te verwachten valt. De door appellant aangevoerde omstandigheden vormen geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het mag zo zijn dat de paprikasnuitkever niet eerder in Europa is aangetroffen, maar een organisme kan zich in een nieuw geografisch gebied vestigen, zodat het aantreffen ervan op het bedrijf van appellant niet een omstandigheid is die in feite als onbestaanbaar zou moeten worden beschouwd. Niet kan worden geoordeeld dat de door appellant geleden schade niet tot zijn normale bedrijfsrisico behoort. De omstandigheid dat appellant net tussen twee teelten zat op het moment van de maatregelen waardoor hij financieel zwaar is getroffen, maakt ook niet dat verweerder voor de toepassing van artikel 4 van de Pzw onevenredigheid had moeten aannemen. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen afzien van het verstrekken van een vergoeding op grond van artikel 4 van de Pzw. Deze grond slaagt niet.

5. In beroep voert appellant verder aan dat de vergoeding op grond van de Kaderwet EZ‑subsidies te laag is vastgesteld. Hij stelt dat andere telers wel een vergoeding op basis van de totale door hen gestelde schade hebben gekregen.

6. Het College acht het, gelet op de bij verweerder naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak van het College van 17 november 2017 gerezen verwarring, geraden die uitspraak in die zin te verduidelijken dat in de tweede volzin van rechtsoverweging 2.3 van die uitspraak achter de woorden “ had verweerder deze schadeberekening” en “ had hij dat verzoek “ telkens het woord “ mede ” moet worden ingelezen. Dat laat de grondslag die in artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies is gevonden voor toekenning van een vergoeding op zich zelf immers onverlet. Geplaatst tegen die achtergrond overweegt het College dat naast de opdracht om een besluit te nemen op grond van artikel 4 van de Pzw in de hiervoor genoemde uitspraak van het College in overweging 3.2 in lijn met het voorgaande de opdracht ligt besloten om de op grond van de Kaderwet EZ‑subsidies toegekende vergoeding nader vast te stellen, omdat bij de bepaling van de totale schade de door appellant opgevoerde posten ‘verloren jonge planten’ en ‘teeltschade seizoen 2013’ ten onrechte niet zijn meegenomen.

7. Het College stelt vast dat aan die opdracht niet is voldaan nu verweerder het besluit van 4 mei 2015 – en het College neemt aan zoals ten voordele van appellant gewijzigd bij besluit van 19 augustus 2016 – in zijn geheel, en blijkens de nadere uitleg die het College van zijn eerdere uitspraak heeft gegeven, in zoverre dus ten onrechte, heeft herroepen en het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft genomen. Het bestreden besluit is in zoverre dus in strijd met artikel 3:4 van de Awb.

8. Het College zal het beroep daarom gegrond verklaren en verweerder opdragen te bewerkstelligen dat het hierboven geconstateerde gebrek wordt hersteld. Daartoe zullen bij de vaststelling van de hoogte van de totale schade de posten ‘verloren jonge planten’ en ‘teeltschade seizoen 2013’ in de beschouwingen moeten worden betrokken en de op grond van de Kaderwet EZ-subsidies toegekende vergoeding zo nodig nader door verweerder (of diens rechtsopvolger) moeten worden vastgesteld.

9.1

Het College zal verweerder veroordelen in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-- en een wegingsfactor 1).

9.2

De door appellant op het formulier proceskosten gedeclareerde kosten van een deskundige wijst het College niet toe. Uit de bijgevoegde werkurenlijst blijkt dat het gaat om kosten die zijn gemaakt voor aan appellant verleende rechtsbijstand. Deze kosten vallen onder de hiervoor vastgestelde vergoeding. Het College ziet geen aanleiding om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Artikel 2, derde lid, van het Bpb biedt ruimte om van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken, als sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is echter in dit geval niet gebleken.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarin het besluit van 4 mei 2015 heeft herroepen;

  • -

    draagt verweerder op te bewerkstelligen dat binnen 12 weken opnieuw, met inachtneming van het hiervoor ter zake overwogene, op het verzoek van appellant om toekenning van een vergoeding op grond van de Kaderwet EZ-subsidies door verweerder (of diens rechtsopvolger) wordt beslist;

  • -

    draagt verweerder/ster op het betaalde griffierecht van € 170,-- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.024,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.O. Kerkmeester en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.

w.g. R.R. Winter w.g. M.B. van Zantvoort