Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:313

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
19/10
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Financiële discipline 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/10

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen

Handelsonderneming [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de teruggave financiële discipline over het jaar 2017 voor appellante vastgesteld.

Bij besluit van 16 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Steun in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) wordt gekort om geld te reserveren voor een crisisfonds voor de landbouwsector (de financiële discipline). Dit volgt uit de artikelen 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (Verordening 1306/2013). De reserve wordt aangelegd door de GLB-steun te verlagen. Hiervoor stelt de Europese Commissie een korting vast op alle GLB-steun hoger dan € 2.000,-. In het begrotingsjaar 2017 is geen beroep gedaan op deze reserve. Om die reden kan de financiële discipline worden teruggegeven aan de eindontvangers die in het begrotingsjaar 2017 onderworpen zijn aan financiële discipline. Dit volgt uit punt 19 van de considerans en artikel 26, vijfde lid, van Verordening 1306/2013. De beschikbare bedragen staan in de bijlage van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2017/2197 van de Commissie van 27 november 2017 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, vijfde lid, van de Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2017 (Uitvoeringsverordening 2017/2197). Nederland heeft het percentage voor 2017 berekend op (afgerond) 1,385%. Voor het jaar 2017 moet de teruggave financiële discipline plaatsvinden voor 16 oktober 2018 (zie artikel 2 van Uitvoeringsverordening 2017/2197).

1.2

Bij besluit van 3 januari 2018 heeft verweerder aan appellante een bedrag toegekend voor de basis- en vergroeningsbetaling 2017.

1.3

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 januari 2018. Ten tijde van het nemen van het primaire besluit was deze procedure nog aanhangig bij het College.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder de teruggave financiële discipline vastgesteld op een bedrag van € 147,47. Dit is afgerond 1,385% van het bedrag aan rechtstreekse betalingen boven € 2.000,- dat appellante over het jaar 2017 heeft ontvangen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij bij de vaststelling van de financiële discipline is uitgegaan van de geldigheid van het besluit van 3 januari 2018. Op grond van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schorst het instellen van bezwaar of beroep niet de werking van het besluit van 3 januari 2018. Mocht de beslissing op bezwaar van 3 januari 2018 worden herzien, waarbij het bedrag aan rechtstreekse betalingen wordt gewijzigd, dan zal verweerder ten aanzien van appellante een nieuwe beslissing nemen over de financiële discipline 2018. Het door appellante in bezwaar aangevoerde beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel slaagt volgens verweerder niet. Ter voorbereiding van het te nemen besluit heeft verweerder de berekening van de teruggave van de financiële discipline over het jaar 2017 opgemaakt op basis van de hoogte van de rechtstreekse betalingen 2017. Aan een belangenafweging is verweerder niet toegekomen. Verweerder stelt in dit kader dat het Gemeenschappelijk landbouwbeleid dwingend en uitputtend voorschrijft welke voorwaarden van toepassing zijn om in aanmerking te komen voor de rechtstreekse betalingen. Verweerder voert aan dat het hem niet vrij staat om daar van af te wijken.

3. Appellante voert in beroep aan dat zij op 22 januari 2018 een bezwaarprocedure is gestart tegen de primaire besluitvorming die ziet op de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017. Tegen de beslissing op bezwaar hierop is door appellante beroep ingesteld bij het College. Een positieve uitkomst binnen deze beroepsprocedure heeft invloed op het terug te betalen bedrag van de financiële discipline 2018. Appellante is dan ook van mening dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de lopende beroepsprocedure en dat het voorliggende bestreden besluit evenals het primaire besluit prematuur tot stand is gekomen. Het besteden besluit geeft voorts geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging. Bovendien ontbeert het bestreden besluit volgens appellante een deugdelijke en zorgvuldige motivering, zoals deze wordt vereist op grond van artikel 3:46 en 3:47 van de Awb.

4. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:286) heeft een wijziging van het bedrag dat aan rechtstreekse betalingen wordt uitbetaald, gevolgen voor de berekening van de teruggave financiële discipline, nu die teruggave een percentage is van dat bedrag. Dit betekent echter niet dat verweerder gehouden is te wachten met het nemen van het besluit tot teruggave van de financiële discipline totdat de procedure over de rechtstreekse betalingen over het premiejaar 2017 is afgehandeld. Verweerder heeft in dit verband erop gewezen dat de teruggave financiële discipline over 2017 dient plaats te vinden vóór 16 oktober 2018. Dat appellante bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017, vormde voor verweerder voorts geen beletsel om het besluit tot teruggave van de financiële discipline te nemen op basis van het besluit tot uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017, reeds omdat het bezwaar de werking van dat besluit gelet op artikel 6:16 van de Awb niet opschort. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel nopen niet tot die conclusie. In dit verband is het van belang dat verweerder uiteen heeft gezet dat, in het geval de beslissing op bezwaar van 3 januari 2018 wordt herzien waarbij het bedrag aan rechtstreekse betalingen wordt gewijzigd, er een nieuwe beslissing over de financiële discipline 2018 zal worden genomen. Het beroep van appellante slaagt daarom niet.

5. Daarbij komt dat het College bij uitspraak van heden in de zaak met procedurenummer 18/724 heeft geoordeeld dat het besluit tot uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 2017 in stand blijft. Verweerder heeft dus terecht het bij dat besluit vastgestelde bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling ten grondslag gelegd aan het besluit waarbij het bedrag aan teruggave financiële discipline is vastgesteld.

6. Gelet op het voorgaande bestaat voor de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is of niet deugdelijk is gemotiveerd geen grond.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.

w.g. T. Pavićević w.g. C.H.R. Mattheussens