Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:309

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
18/1912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De accountantskamer had één klachtonderdeel ruimer dienen op te vatten dan het heeft gedaan. De klacht wordt alsnog gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1912

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2019 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats] , appellante

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 24 augustus 2018, gegeven op een klacht, door appellante ingediend tegen [naam 2] (betrokkene),

(gemachtigde van betrokkene mr. G. van Atten),


Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
24 augustus 2018, met nummer 18/337 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:60).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019. Appellante is verschenen. Ook betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellante was tot eind 2017 gehuwd met [naam 3] ( [naam 3] ). Samen hebben zij de vennootschap onder firma [naam 4] VOF (VOF) bestuurd. [naam 3] hield alle aandelen in [naam 5] B.V., welke vennootschap op haar beurt alle aandelen hield in [naam 6] B.V., de vennoot in de VOF. Appellante hield alle aandelen in [naam 7] B.V., welke vennootschap op haar beurt alle aandelen hield in [naam 8] B.V., eveneens vennoot in de VOF. Klaagster en [naam 3] zijn verwikkeld geweest in procedures over de afwikkeling van de VOF.

1.3

Betrokkene heeft van 1993 tot begin 2016 als accountant werkzaamheden verricht ten behoeve van de VOF en de vennootschappen van klaagster en van [naam 3] . Deze werkzaamheden omvatten onder meer het samenstellen van de jaarrekeningen.

1.4

Met ingang van 1 april 2017 heeft betrokkene zich als accountant-administratieconsulent laten uitschrijven uit het register van (thans) de Nba.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt het volgende in:

a. betrokkene heeft signalen over de ernstige situatie van het bedrijf (de VOF), veroorzaakt door frauderende praktijken van [naam 3] , genegeerd;

b. betrokkene heeft toegezegd in de ontstane conflictueuze situatie de kant van klaagster te kiezen, maar heeft uiteindelijk toch de belangen van [naam 3] behartigd, zonder klaagster daarover te informeren, en betrokkene is zelfs een samenwerkingsverband met [naam 3] aangegaan;

c. betrokkene heeft ten behoeve van [naam 3] een verklaring voor de rechter afgelegd, die feitelijk onjuist is, en waarmee hij heeft gefaciliteerd dat [naam 3] onrechtmatig een bedrag van € 116.000,-- aan de VOF kon onttrekken.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdeel c niet-ontvankelijk verklaard en de klachtonderdelen a en b ongegrond verklaard. Ten aanzien van klachtonderdeel a heeft de accountantskamer overwogen dat appellante er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt in welke opzichten betrokkene anders had moeten handelen dan hij heeft gedaan. Met betrekking tot klachtonderdeel b heeft de accountantskamer overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene haar heeft toegezegd dat hij in de periode dat hij nog accountant van de VOF en de vennootschappen van appellante en [naam 3] was, geen werkzaamheden meer voor [naam 3] zou verrichten en evenmin dat er omstandigheden waren die maakten dat dit van hem gevergd kon worden. Ook is niet gebleken dat betrokkene partij zou hebben gekozen voor [naam 3] en dat sprake was van samenwerking van betrokkene met [naam 3] . Verder is de verklaring van betrokkene waar klachtonderdeel c op ziet afgelegd op 12 september 2017. Op dat moment was betrokkene niet meer ingeschreven in het accountantsregister, zodat hij voor dat handelen niet tuchtrechtelijk aanspreekbaar is.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellante heeft aangevoerd dat de accountantskamer de door haar ingediende klachten tegen betrokkene heeft samengevat tot drie klachtonderdelen. Appellante heeft het College verzocht om alle onderdelen van haar klaagschrift die zij bij de accountantskamer heeft ingediend te onderzoeken en in zijn oordeelsvorming te betrekken, omdat betrokkene gedurende de jaren 2013 tot en met 2017 op veel onderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld (eerste grief).

3.2

Naar het oordeel van het College heeft appellante – behoudens hetgeen hierna onder 5.1 t/m 5.3.1 is overwogen met betrekking tot de reikwijdte van klachtonderdeel b – onvoldoende concreet onderbouwd welke onderdelen van het klaagschrift en welke handelingen van betrokkene de accountantskamer niet heeft betrokken bij de samenvatting van de klachtonderdelen en wat het College in dit verband feitelijk zou moeten onderzoeken. In zoverre slaagt de eerste grief niet.

4.1

Appellante heeft tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel a aangevoerd dat zij aan betrokkene op duidelijke wijze de opdracht heeft gegeven om alle door [naam 3] gedane vreemde overboekingen aan haar kenbaar te maken. Volgens appellante heeft [naam 3] hoge bedragen aan klanten overgemaakt terwijl die klanten juist nog vele (tien)duizenden euro’s aan de VOF verschuldigd waren en heeft [naam 3] zichzelf verrijkt met kasgeld uit de verschillende winkels en geld van de gezamenlijke privé rekening. Betrokkene heeft bewust nagelaten om appellante van die betalingen op de hoogte te stellen. Ook blijkt uit emailverkeer tussen appellante en betrokkene dat betrokkene signalen over de ernstige situatie van de VOF heeft genegeerd (tweede grief).

4.2

Betrokkene heeft het voorgaande betwist en heeft aangevoerd dat hij de door appellante gegeven opdracht zo heeft opgevat dat hij bij het samenstellen van de jaarrekening extra goed moest kijken naar eventuele gedane dubieuze betalingen. Hij had geen zicht op door [naam 3] specifiek gedane betalingen.

4.3

Het College is van oordeel dat appellante, ook in hoger beroep, geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij aan betrokkene ondubbelzinnig de opdracht heeft gegeven om alle overboekingen van vreemde bedragen door [naam 3] aan haar kenbaar te maken. Daartoe is onvoldoende het beroep van appellante op een email van 8 september 2015, waarin zij aan betrokkene de vraag voorlegt: “(…) zou jij 1 dag in de week op kantoor kunnen zijn bij ons, en als ik iemand vind die bepaalde zaken kan overnemen van [naam 9] , of jij er dan ook bij kan zijn bij die overdracht? Zodat we A zeker weten dat alles verteld wordt en B weet jij dan ook van hoe [naam 9] alles doet. (…)”. De tweede grief slaagt niet.

5.1

Appellante heeft tegen het oordeel van de accountantskamer met betrekking tot klachtonderdeel b aangevoerd dat de accountantskamer dit klachtonderdeel te beperkt heeft opgevat nu dit klachtonderdeel ook omvat het verwijt dat betrokkene is gestopt met zijn accountantswerkzaamheden voor haar zonder haar daarover te informeren. Verder is volgens appellante duidelijk dat betrokkene haar om de tuin heeft geleid. Betrokkene heeft in een email van 21 december 2015 beweerd betrouwbaar te zijn maar heeft ondertussen samengewerkt met [naam 3] (derde grief).

5.2

Betrokkene heeft aangevoerd dat hij de werkzaamheden voor appellante en de VOF begin 2016 heeft beëindigd en heeft overgedragen aan een andere accountant. Begin 2017 was betrokkene volledig uit beeld. Verder heeft betrokkene betwist dat hij niet objectief zou hebben gehandeld.

5.3.1

Het College is van oordeel dat appellante terecht heeft aangevoerd dat de accountantskamer klachtonderdeel b ruimer had dienen op te vatten en daarbij ook had dienen te betrekken het door appellante geformuleerde verwijt dat betrokkene zijn werkzaamheden voor de VOF niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft beëindigd. In nummer 12 van het klaagschrift stelt appellante dat betrokkene aan haar zou hebben toegezegd voor het bedrijf te kiezen en niet voor [naam 3] maar dat haar later is gebleken dat betrokkene zonder enige voorafgaande communicatie toch voor [naam 3] had gekozen. Dit impliceert het verwijt dat betrokkene over het beëindigen van zijn werkzaamheden voor de VOF aan appellante geen duidelijkheid heeft verschaft. De uitspraak van de accountantskamer kan daarom in zoverre niet in stand blijven.

Van een accountant mag worden verwacht dat indien hij zijn werkzaamheden beëindigt, hij hierover duidelijkheid schept naar zijn opdrachtgever en dat bijvoorbeeld een schriftelijke bevestiging van de beëindiging van de werkzaamheden die duidelijkheid kan bieden. Ter zitting van het College heeft betrokkene erkend dat hij niet op schriftelijke of anderszins duidelijke wijze aan appellante heeft gecommuniceerd dat hij zijn werkzaamheden voor de VOF heeft beëindigd. Door dit na te laten heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De derde grief van appellante voor zover gericht tegen het ongegrond verklaren van klachtonderdeel b slaagt in zoverre. Het College zal klachtonderdeel b in zoverre alsnog gegrond verklaren.

5.3.2

Appellante heeft betrokkene in een email van 21 december 2015 verzocht om aan haar duidelijk te maken of hij partij kiest voor [naam 3] of voor haar en het bedrijf. Betrokkene heeft hierop op dezelfde dag per email als volgt gereageerd:


“Ik voel mij niet beïnvloed door iemand en ben ook van plan op dezelfde objectieve manier met jullie te blijven omgaan. Ik denk dat ook de onderneming daar het meest bij gebaat is.”

Appellante heeft uit deze email niet kunnen afleiden dat betrokkene partij heeft gekozen voor haar en dat hij geen werkzaamheden meer zou verrichten voor [naam 3] . Ook de overige gedingstukken bieden geen steun voor de stellingname van appellante. Haar stelling dat betrokkene met [naam 3] heeft samengewerkt heeft appellante tegenover de gemotiveerde betwisting van betrokkene niet met concrete feiten onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbij gegaan. De derde grief faalt in zoverre.

6.1

Appellante heeft tegen het oordeel van de accountantskamer over klachtonderdeel c aangevoerd dat de door betrokkene afgelegde verklaring onjuist is en in haar nadeel is geweest. Volgens appellante heeft betrokkene deze verklaring naar alle waarschijnlijkheid in opdracht van [naam 3] afgelegd (vierde grief).

6.2

Betrokkene heeft daartegenover gesteld dat hij op het moment dat hij deze verklaring heeft opgesteld en afgelegd, te weten 12 september 2017, niet meer als accountant-administratieconsulent werkzaam was en ook niet meer als zodanig stond ingeschreven in het register. De accountantskamer heeft dit klachtonderdeel daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6.3

Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (Wab) is de accountant ter zake van enig handelen of nalaten ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra). Ingevolge artikel 1 van de Wab wordt in deze wet onder accountant verstaan een Registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent. Het College stelt vast dat betrokkene met ingang van 1 april 2017 is uitgeschreven als accountant-administratieconsulent uit het accountantsregister en dat appellante niet betwist dat betrokkene de verklaring waarop klachtonderdeel c ziet op 12 september 2017 heeft opgesteld en afgelegd. De accountantskamer heeft met juistheid overwogen dat betrokkene niet tuchtrechtelijk aanspreekbaar is op een handelen dat heeft plaatsgevonden op 12 september 2017 en zij heeft het klachtonderdeel om die reden terecht niet-ontvankelijk verklaard. De vierde grief faalt.

7. Hetgeen appellante overigens aan grieven in hoger beroep heeft aangevoerd is niet terug te voeren op de oorspronkelijke klacht. Voor zover appellante met deze grieven heeft beoogd om haar klacht uit te breiden wijst het College er op dat een uitbreiding van de klacht in hoger beroep volgens vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:555), niet is toegestaan. Deze grieven slagen daarom niet.

8. Gelet op het oordeel in 5.3.1 dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, is het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

9. Het hoger beroep is gegrond. De bestreden tuchtuitspraak, voor zover de accountantskamer daarbij niet heeft onderkend dat klachtonderdeel b tevens ziet op het verwijt dat betrokkene geen duidelijkheid heeft geboden over het beëindigen van zijn werkzaamheden, zal worden vernietigd. Het klachtonderdeel zal in zoverre gegrond worden verklaard en aan betrokkene zal de maatregel van waarschuwing worden opgelegd.

10. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de bestreden tuchtuitspraak voor zover de accountantskamer daarbij niet heeft onderkend dat klachtonderdeel b tevens ziet op het verwijt dat betrokkene geen duidelijkheid heeft geboden over het beëindigen van zijn werkzaamheden;

- verklaart klachtonderdeel b in zoverre gegrond;

- legt betrokkene de maatregel van waarschuwing op.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.A.M. van den Berk en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.

w.g. S.C. Stuldreher de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen