Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:292

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
18/1366
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001. Verklaring energie-investeringsaftrek. Energielijst 2017.

Investering in zonnepanelen die zijn verdeeld over vier aansluitingen op het elektriciteitsnet.

Gezamenlijk piekvermogen. Samenstel van nieuwe voorzieningen, geen onderlinge verbondenheid voor de productie van elektriciteit. Aanvraag terecht afgewezen nu sprake is van vier systemen met elk een gezamenlijk piekvermogen van minder dan 25 kW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1366

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen

[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M. Lenting-Florissen),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan appellant een verklaring Energie-investeringsaftrek (EIA-verklaring) als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 af te geven voor het bedrijfsmiddel: zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking (code 251102 van de Energielijst 2017).

Bij besluit van 20 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019.

De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor verweerder is verder nog verschenen [naam 3] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant heeft op 30 november 2017 een aanvraag om een EIA-verklaring ingediend voor een investering in zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking. Appellant heeft de aanvraag ingediend onder EIA code 251102 van de Energielijst 2017. In de aanvraag is vermeld dat het gezamenlijk piekvermogen van de zonnepanelen 81 kW bedraagt. Appellant heeft op verzoek van verweerder met e-mails van 9 februari 2018, 27 maart 2018 en 28 maart 2018 aanvullende informatie verstrekt. Daaruit blijkt dat de gemelde investering 300 zonnepanelen betreft die op het dak van het bedrijfsgebouw van appellant worden geplaatst. De zonnepanelen zijn verdeeld over vier aansluitingen op het elektriciteitsnet. De vier kWh meters (omvormers) hebben een piekvermogen van respectievelijk 23,22 kW (86 x 270 Wp/1000), 18,36 kW (68 x 270 Wp/1000), 20,52 kW (76 x 270 Wp/1000) en 18,36 kW (68 x 270 Wp/1000).

1.2

Bij het primaire besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag om de EIA-verklaring afgewezen op de grond dat het bedrijfsmiddel niet voldoet aan de omschrijving onder code 251102 van de Energielijst. Deze code komt overeen met categorie D, code 1.1.B van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Regeling). Uit de codeomschrijving volgt dat het moet gaan om panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piekvermogen van meer dan 25kW. Voor het bepalen van het gezamenlijke piekvermogen van de panelen dient het samenstel van nieuwe voorzieningen te worden genomen. Daaronder wordt verstaan: alle aanwezige nieuwe middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie van elektriciteit opgewekt door middel van panelen met fotovoltaïsche zonnecellen. Omdat de door appellant gedane investering betrekking heeft op vier individuele fotovoltaïsche zonnesystemen (hierna ook: PV-systemen) met een afzonderlijke aansluiting op het elektriciteitsnet met elk een gezamenlijk piekvermogen van minder dan 25 kW wordt niet voldaan aan de in de Regeling gestelde.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

3. Ter beoordeling van het College ligt voor of verweerder de aanvraag van appellant om een EIA-verklaring terecht heeft afgewezen.

3.1

In dit geding is de volgende wet- en regelgeving van toepassing.

3.1.1

Ingevolge artikel 3.42, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001(Wet IB 2001) wordt indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door de minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

3.1.2

Ingevolge artikel 3.42, tweede lid, van de Wet IB 2001 zijn energie-investeringen investeringen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

3.1.3

In bijlage 1 van de Regeling zijn in categorie D technische voorzieningen opgenomen die ertoe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken. In deze categorie zijn onder 1.1.B, aanhef en onder a. opgenomen het fotovoltaïsch zonnesysteem, bestaande uit panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk piekvermogen van meer dan 25 kW, die zijn aangesloten op het elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van 3*80A of minder, aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) actief zonvolgsysteem, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accumulator.

Onder 2 bij 1.1.B is opgenomen dat voor het bepalen van het gezamenlijke piekvermogen van de panelen met fotovoltaïsche zonnecellen het samenstel van nieuwe voorzieningen dient te worden genomen waarbij onder een samenstel van nieuwe voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige nieuwe middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie van elektriciteit opgewekt door middel van panelen met fotovoltaïsche zonnecellen.

3.1.4

De investering is gemeld onder code 251102 van de energielijst 2017. Code 251102 correspondeert met categorie D onder 1.1.B, aanhef en onder a, van bijlage 1 bij de Regeling.

3.2

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij in overleg met de leverancier om praktische redenen heeft gekozen voor vier aansluitingen op het elektriciteitsnet. Het betreft evenwel één bedrijfspand waarvan appellant de eigenaar is. De afzonderlijke bedrijfsruimtes in het pand hebben onder meer met het oog op verhuur daarvan een eigen aansluiting. Appellante meent dat is voldaan aan de voorwaarde van het gezamenlijk piekvermogen omdat de zonnepanelen tezamen meer opleveren dan 25 kW. Volgens appellant dient de gehele zonnestroominstallatie als ‘samenstel van nieuwe voorzieningen’ te worden aangemerkt. Appellant heeft verder aangevoerd dat de beoordeling van het piekvermogen per aansluiting in dit geval tot een onredelijk resultaat leidt. Gebleken is dat het zonder al te veel inspanning mogelijk is om de zonnepanelen te verdelen over twee aansluitingen die daarvoor verzwaard zouden moeten worden. Appellant meent dat verweerder hem de gelegenheid had moeten geven de installatie aan te passen zodat hij alsnog voor de gevraagde EIA-verklaring in aanmerking kon komen.

3.3

Het College komt tot de volgende beoordeling.

3.3.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de zonnepanelen op het dak van het bedrijfspand van appellant zijn aangesloten op het elektriciteitsnet via vier afzonderlijke aansluitingen met elk een gezamenlijk piekvermogen van < 25 kW. Ook is niet in geschil dat de vier aansluitingen met zonnepanelen afzonderlijk van elkaar functioneren en dat van een onderlinge verbondenheid voor de productie van elektriciteit geen sprake is.

3.3.2

Naar het oordeel van het College volgt uit de van toepassing zijnde regelgeving als hiervoor onder 3.1.3 weergegeven en zoals door verweerder aan het besluit ten grondslag gelegd, dat de door appellant gemelde investering betrekking heeft op vier individuele PV-systemen. Deze PV-systemen zijn niet onderling met elkaar verbonden voor de productie van elektriciteit. Van samenstel van nieuwe voorzieningen zoals bedoeld in de Regeling is derhalve geen sprake. Dat de zonnepanelen op het dak van één gebouw zijn geplaatst, maakt dit niet anders. Aangezien vaststaat dat elk van de vier aansluitingen wordt gevoed door panelen met een gezamenlijk piekvermogen van minder dan 25 kW, is niet voldaan aan de piekvermogenseis van meer dan 25 kW. Verweerder heeft de aanvraag van appellant voor een EIA-verklaring dan ook terecht afgewezen.

3.3.3

Dat de investering van appellant aan de doelstelling van de EIA voldoet kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder was op grond van de wettelijke regeling gehouden de EIA-verklaring te weigeren. Voor een belangenafweging is in dit geval geen plaats.

3.3.4

Ten aanzien van het aanbod van appellant in de bezwaarfase om de vier aansluitingen op het elektriciteitswet terug te brengen naar twee aansluitingen om aldus aan de piekvermogenseis te voldoen, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat dit niet tot een andere uitkomst zou leiden omdat het dan niet meer gaat om niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen, wat een voorwaarde is voor het in aanmerking komen voor EIA. Het College overweegt dat in dit standpunt besloten ligt dat de door appellant beoogde wijziging van de gemelde investering zodanig ingrijpend is dat na deze wijziging niet meer van dezelfde aanvraag of hetzelfde bedrijfsmiddel kan worden gesproken zodat hiervoor een nieuwe aanvraag voor een EIA-verklaring zou moeten worden ingediend. Het College ziet in de omstandigheden van dit geval geen grond voor het oordeel dat deze opvatting van verweerder onjuist is. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in het aanbod van appellant aanleiding had moeten zien hem in de gelegenheid te stellen de aansluitingen te wijzigen.

4. Het beroep van appellant is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.

w.g. B. Bastein w.g. A. Graefe

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen (artikel 3.42, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001).