Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:29

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
17/1437
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen is verjaard. Niet tijdig gestuit door middel van een stuitingshandeling in de zin van artikel 4:105 en 4:106 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 17/1437

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2019 in de zaak tussen

[naam] te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 19 januari 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder verbeurde dwangsommen bij appellant ingevorderd ter hoogte van respectievelijk € 1.000,-,

€ 4.250,- en € 3.250,-.

Bij besluit van 15 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:432) heeft de voorzieningenrechter van het College het bestreden besluit en de primaire besluiten geschorst totdat het College uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak.

Appellant en verweerder hebben aanvullende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018.

Appellant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Bij e-mail van 14 december 2018 heeft de bewindvoerder van appellant aan hem toestemming verleend tot het voeren van onderhavige procedure.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Verweerder heeft bij besluit van 26 mei 2016 aan appellant een last onder dwangsom opgelegd. Hierin is appellant gelast om de volgende vier maatregelen te nemen:

“1. Zorg dat een beheerder werkzaam is die in het bezit is van een geldig vakbekwaamheidsbewijs.

2. Zorg dat uw bedrijfsinrichting is aangemeld, zoals bedoeld in artikel 3.7 lid 1 van het Besluit houders van dieren (het beschikken over een UBN).

3. Zorg dat de behuizing en inrichting van de verblijven/hokken zodanig zijn geconstrueerd, en in een zodanige staat van onderhoud verkeren, dat de hier gehuisveste dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soortspecifieke behoefte wordt voldaan.

4. Zorg dat uw honden worden voorzien van de benodigde (herhalings)entingen.”

Appellant is opgedragen om de maatregelen 1 en 2 te nemen voor 27 juni 2016 en de maatregelen 3 en 4 voor 31 mei 2016. Ten aanzien van maatregel 1 bedraagt de dwangsom

€ 1.250,- per controle, tot een maximum van € 7.500,-. Ten aanzien van de maatregelen 2 tot en met 4 bedraagt de dwangsom € 1.000,- per niet uitgevoerde maatregel, tot een maximum van € 3.000,- per maatregel.

1.3

Op 19 januari 2017 heeft verweerder de primaire besluiten genomen. Het eerste primaire besluit vermeldt dat tijdens een hercontrole op 3 juni 2016 is gebleken dat appellant maatregel 4 niet heeft uitgevoerd, zodat daarvoor een dwangsom van € 1.000,- is verbeurd. Het tweede primaire besluit vermeldt dat tijdens een hercontrole op 1 juli 2016 is gebleken dat appellant de maatregelen 1 tot en met 4 niet heeft uitgevoerd, zodat daarvoor dwangsommen van in totaal € 4.250,- zijn verbeurd. Het derde primaire besluit vermeldt dat tijdens een hercontrole op 12 december 2016 is gebleken dat appellant de maatregelen 1, 3 en 4 niet heeft uitgevoerd, zodat daarvoor dwangsommen van in totaal € 3.250,- zijn verbeurd.

1.4

Op 31 januari 2017 zijn twee acceptgirokaarten aan appellant toegezonden, waarbij hem is verzocht om een bedrag van € 2.000,- en € 1.000,- te betalen. Bij acceptgirokaart van 4 februari 2017 is appellant verzocht een bedrag van € 3.750,- te betalen en bij acceptgirokaart van 5 februari 2017 een bedrag van € 3.000,-. Bij acceptgirokaart van 21 februari 2017 is appellant verzocht om een bedrag van € 2.500,- te betalen.

1.5

Bij brief van 9 februari 2017 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

1.6

Appellant heeft bij brief van 6 april 2018 een afschrift van een aanmaning van

20 maart 2018 in het geding gebracht. Daarbij is appellant aangemaand tot betaling van een bedrag van € 2.015.

1.7

Verweerder heeft op 29 november 2018 afschriften van een aantal andere aanmaningen in het geding gebracht. Het gaat om twee aanmaningen van 31 maart 2017, waarbij appellant is aangemaand om bedragen van € 2.000,- en € 1.000,- te betalen. Voorts gaat het om twee aanmaningen van 5 april 2017, waarbij appellant is aangemaand om bedragen van € 3.000,- en € 3.750,- te betalen en een aanmaning van 21 april 2017, waarbij appellant is aangemaand om een bedrag van € 2.500,- te betalen. Ook is een aanmaning van 20 maart 2018 ingezonden, waarbij appellant is aangemaand om een bedrag van € 2.000,- te betalen, alsmede twee aanmaningen van 3 juli 2018, waarbij appellant is aangemaand om bedragen van € 6.280,- en € 1.000,- te betalen. Genoemde bedragen zijn vermeerderd met eventuele aanmaningskosten.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan alle maatregelen die zijn opgelegd in de last onder dwangsom, zodat de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd.

3.1

Appellant voert primair aan dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen is verjaard, omdat verweerder niet binnen een jaar na de dag waarop de dwangsommen zijn verbeurd tot invordering is overgegaan en verweerder de verjaring ook niet tijdig heeft gestuit. Subsidiair stelt appellant dat ten onrechte is bepaald dat dwangsommen zijn verbeurd, omdat bij de hercontroles niet is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan de last onder dwangsom. Meer subsidiair voert appellant aan dat, voor zover er wel dwangsommen zijn verbeurd, deze gematigd dienen te worden vanwege zijn beperkte draagkracht en omdat de dwangsommen onevenredig hoog zijn.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verjaring van het recht van invordering buiten de omvang van het geding valt. Verder stelt verweerder dat appellant niet heeft voldaan aan alle maatregelen die zijn opgelegd in de last onder dwangsom en dat geen aanleiding bestaat om de verbeurde dwangsommen te matigen.

4. Ingevolge artikel 5:33 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een verbeurde dwangsom betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Ingevolge artikel 5:35 van de Awb verjaart de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom, door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom.

Ingevolge artikel 4:105, eerste lid, van de Awb wordt de verjaring gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 4:106 van de Awb kan het bestuursorgaan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Ingevolge artikel 4:110, eerste lid, van de Awb, begint door stuiting van de verjaring een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.

5.1

Het College overweegt dat om een rechtsingang te hebben bij de bestuursrechter vereist is dat de desbetreffende appellant procesbelang heeft. Dit staat ter zelfstandige beoordeling van de bestuursrechter ten tijde van de beoordeling van het rechtsmiddel. In het geval van een aanhangig beroep tegen een invorderingsbesluit speelt, ter voorkoming van het geven van een rechtsoordeel over uitsluitend een theoretische kwestie, hierbij een rol of de bevoegdheid tot invordering inmiddels is verjaard. Is dat het geval, dan kan de overtreder door het bestuursorgaan niet meer langs bestuursrechtelijke weg worden gedwongen om de dwangsom te betalen. Het belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het invorderingsbesluit vervalt dan, tenzij appellant aannemelijk maakt dat er nog procesbelang bij een beoordeling aanwezig is (zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2523). Anders dan door verweerder is gesteld, zal het College dus antwoord moeten geven op de vraag of de invorderingsbevoegdheid is verjaard.

5.2

Het College stelt vast dat verweerder bij het besluit van 26 mei 2016 een last onder dwangsom heeft opgelegd strekkende tot het ongedaan maken van vier overtredingen. Gezien de hierin opgenomen termijnen waarbinnen de last kon worden uitgevoerd zonder een dwangsom te verbeuren, te weten voor 31 mei 2016 (maatregel 3 en 4) en 27 juni 2016 (maatregel 1 en 2), wordt bij het niet voldoen aan de opgelegde maatregelen vanaf

31 mei 2016 (maatregel 3 en 4) en 27 juni 2016 (maatregel 1 en 2) van rechtswege een dwangsom verbeurd. Gelet op hetgeen is bepaald in de artikelen 5:35, 4:105 en 4:106 van de Awb verjaart de bevoegdheid tot invordering door verloop van een jaar na de dag van verbeurte van de dwangsom, tenzij tijdig een stuitingshandeling wordt verricht zoals bedoeld in de artikelen 4:105 en 4:106 van de Awb. De vorderingen zijn dan ook tijdig gestuit als voor 1 juni 2017 en 28 juni 2017 stuitingshandelingen zijn verricht. Als tijdig is gestuit, dient er, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 4:110, eerste lid, van de Awb, vervolgens binnen een jaar opnieuw een stuitingshandeling te worden verricht.

5.3

Het College volgt verweerder niet in zijn standpunt dat tijdig een stuitingshandeling is verricht in de zin van artikel 4:105 en 4:106 van de Awb. De primaire besluiten zelf gelden niet als een stuitingshandeling (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:817 en de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2626). Ook de acceptgirokaarten kunnen niet als zodanig worden aangemerkt, aangezien daarin enkel wordt verzocht om tot betaling over te gaan. Een geschrift kan alleen als aanmaning gelden als daaruit onmiskenbaar blijkt dat ingeval niet wordt betaald, na afloop van de daarin vermelde betalingstermijn, dwanginvordering zal volgen (zie de uitspraak van de ABRvS van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301). Verweerder stelt dat op 31 maart 2017 en 5 april 2017 door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) aanmaningen zijn verzonden en dat hiermee tijdig een stuitingshandeling is verricht en dus van verjaring geen sprake is. Appellant betwist echter de ontvangst van die aanmaningen.

5.4

Het is vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van

27 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:160) dat in geval van niet-aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnde document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het betrokken stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van de verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het document is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzend-administratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van problemen bij de verzending van poststukken.

5.5

Niet in geschil is dat op de aanmaningen van 31 maart 2017, 5 april 2017 en

21 april 2017 het juiste adres staat vermeld. Op deze aanmaningen staat ‘31-03-2017’ respectievelijk ‘05-04-2017’ en ’21-04-2017’ bij ‘dagtekening’ vermeld. Er staat geen aparte verzenddatum op de aanmaningen. Verweerder heeft een e-mail van 25 juli 2018 van het CJIB in het geding gebracht, met daarbij een uitdraai van de verzendadministratie van het CJIB. Hieruit volgt volgens verweerder dat de aanmaningen daadwerkelijk op 31 maart 2017, 5 april 2017 en 21 april 2017 verzonden zijn. Verweerder heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de ABRvS van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4154), waaruit volgens verweerder blijkt dat de verzendadministratie van het CJIB door de ABRvS deugdelijk wordt geacht. Het College constateert dat de aanmaningen en de overgelegde uitdraai van de verzendadministratie geen concrete en specifieke gegevens bevatten over de (datum van) verzending. Naar het oordeel van het College kan uit de overgelegde uitdraai van de verzendadministratie niet zonder nadere onderbouwing of toelichting worden afgeleid dat de aanmaningen daadwerkelijk op 31 maart 2017, 5 april 2017 en 21 april 2017 zijn verzonden. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting geen enkele onderbouwing of toelichting kunnen geven op de wijze waarop het CJIB de verzending van aanmaningen voor het innen van verbeurde dwangsommen als hier in geding heeft ingericht in relatie tot de in de verzendadministratie vermelde gegevens. Het College is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat genoemde aanmaningen daadwerkelijk per post zijn verzonden. De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de ABRvS van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4154), leidt reeds niet tot een ander oordeel nu die zaak op relevante punten afwijkt van de onderhavige. Zo ging het in die zaak specifiek om het innen van leges en kon in die zaak door middel van een uitgebreide toelichting ter zitting wel aannemelijk worden gemaakt dat een stuk op een bepaalde datum was verzonden. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat met genoemde aanmaningen tijdig stuitingshandelingen zijn verricht.

6. Het voorgaande brengt mee dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen is verjaard, waardoor er geen dwangsommen meer bij appellant kunnen worden ingevorderd. Nu appellant niet heeft gesteld dat er nog procesbelang bij een beoordeling aanwezig is, verklaart het College het beroep daarom niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. P.H.A. Knol in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. E. van Kampen