Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:286

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
18/641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De accountantskamer heeft de klacht ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met het concentratie van klachten beginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2019/231
AB 2019/403 met annotatie van Y.E. Schuurmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/641

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2019 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. T.A. van Grafhorst),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 30 maart 2018, gegeven op een klacht, door appellant en ingediend tegen [naam 2] (betrokkene),

(gemachtigde van betrokkene: mr. E.A.M. van Lierop).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van

30 maart 2018, met nummer 17/1264 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:16).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018.Voor appellant is zijn gemachtigde verschenen. Betrokkene is verschenen, eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene staat vanaf 23 oktober 1991 ingeschreven als accountant-administratieconsulent (AA) in het accountantsregister van de NOvAA (vanaf 1 januari 2013 het register van de Nba). Hij is werkzaam als openbaar accountant in zijn praktijk [naam 3] , te [plaats 2] .

1.3

In mei 2009 heeft appellant zich gemeld bij het kantoor van betrokkene. Op dat moment was er voor de vennootschap van appellant, Octrooigemachtigde [naam 1] B.V., vanaf 1999 geen jaarrekening meer samengesteld, geen aangifte vennootschapsbelasting meer gedaan en niet meer voldaan aan de publicatieplicht bij de Kamer van Koophandel. De bedoeling was dat er vanaf 2009 weer reguliere aangiften zouden worden ingediend. De Belastingdienst had daarbij als voorwaarde gesteld dat appellant een accountant zou inschakelen waarmee de Belastingdienst kon instemmen. In dat verband heeft betrokkene werkzaamheden verricht voor appellant, onder meer bestaande uit het opsturen van stukken ten behoeve van berekeningen van de fiscale pensioenvoorziening over de jaren 2006 tot en met 2009 en voor het uit te keren pensioen vanaf appellant zijn 65e levensjaar.

1.4

Op enig moment is er onenigheid ontstaan over de pensioenkwestie tussen appellant en betrokkene, in welk kader – tevergeefs – een mediator is ingeschakeld. De mediator heeft in juli 2012 geadviseerd de zaak over te dragen aan de verzekeraar [naam 4] . Bij brief van 13 september 2012 heeft betrokkene aan appellant te kennen gegeven dat hij de werkrelatie beëindigt. Nadien is er nog gecorrespondeerd tussen betrokkene en de gemachtigde van appellant, onder meer door middel van een brief van

20 september 2012.

1.5

Op 21 september 2015 heeft appellant bij de accountantskamer een klacht ingediend tegen betrokkene. Appellant heeft daarbij onder meer gesteld:

a. dat betrokkene in de brief van 20 september 2012 ten onrechte heeft gesteld:

  • -

    dat de door hem vanaf het fiscaal jaar 2003 gebruikte balansposten, waaronder de pensioenvoorziening, door de Belastingdienst waren aangeleverd en

  • -

    dat er een afspraak was gemaakt met de Belastingdienst over het in stand laten van de ambtshalve aanslagen tot en met 2002;

b. dat betrokkene opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven inzake de relatie tussen de mediator en de verzekeraar [naam 4] , die de mediator met medeweten/medewerking van betrokkene in strijd met de waarheid presenteerde als een onafhankelijk en onpartijdig NMI-mediator en;

c. dat betrokkene, toen hij door de gemachtigde van appellant werd aangesproken op tekortkomingen in de door hem verrichte of te verrichten werkzaamheden, niet op een van een accountant te verwachten wijze heeft gereageerd, maar zich achter de rug van appellant om per brief van 20 september 2011 bij de mediator heeft beroepen op een bejegeningsconflict, terwijl hij appellant nooit te kennen heeft gegeven dat hij zich geïntimideerd en bedreigd heeft gevoeld.

De accountantskamer heeft bij zijn uitspraak van 18 april 2016, ECLI:NL:TACAKN:2016:31,

klachtonderdeel b niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het College heeft het hoger beroep van appellant tegen deze uitspraak ongegrond verklaard bij zijn uitspraak van 23 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:63.

Op 8 juni 2017 heeft appellant wederom een klacht tegen betrokkene ingediend.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt het volgende in:

a. Betrokkene heeft op 11 juni 2014 de concept-jaarrekening 2002 van appellant naar de Belastingdienst gestuurd en daarbij niet vermeld dat dit een concept betrof terwijl de Belastingdienst deze jaarrekening zou sturen naar het Gerechtshof, dit zonder toestemming van appellant en op een moment dat de cliëntrelatie al was beëindigd. Hierdoor is appellant in zijn procesbelang geschaad in een procedure over de pensioenvoorziening in de jaarrekening 2002 bij de bestuursrechter, te meer daar betrokkene in die procedure niet wilde optreden als getuige.

b. Betrokkene heeft, door in de brief van 13 september 2012 te stellen dat appellant in februari 2011 een nieuwe adviseur aan hem had voorgesteld terwijl deze nieuwe adviseur door betrokkene zelf naar voren was geschoven, de indruk gewekt bewust op een breuk met klager aan te sturen in plaats van fiscale problemen zelf op te lossen door het herstellen van fouten in de door appellant ingediende aangiften over voorgaande jaren.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in beide onderdelen niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de accountantskamer overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de accountantskamer wordt uitgegaan van het concentratie-van-klachtenbeginsel, inhoudende dat eisen van een goede tuchtprocesorde met zich brengen dat een klager zoveel mogelijk zijn klachten tegen een accountant tegelijk in één tuchtprocedure aanhangig maakt, hetgeen te meer geldt indien alle klachten hun grondslag vinden in hetzelfde feitencomplex. Volgens de accountantskamer valt niet in te zien waarom de onderhavige klacht niet reeds bij de op 21 september 2015 ingediende klacht aan de orde had kunnen worden gesteld. Bovendien vindt de klacht haar grondslag in hetzelfde feitencomplex als waarop zijn vorige klacht was gebaseerd. De klacht is daarom in strijd met het concentratie-van-klachtenbeginsel ingediend. De namens betrokkene andere aangevoerde ontvankelijkheidsverweren heeft de accountantskamer om die reden onbesproken gelaten.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Appellant heeft met zijn eerste grief aangevoerd dat de accountantskamer zijn klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens appellant volgt de verplichting voor een klager om zijn klachten tegen een accountant zoveel mogelijk tegelijk in één klacht naar voren te brengen niet uit de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) en vloeit dit evenmin voort uit de beginselen van een behoorlijke (tucht)procedure of enig ander algemeen rechtsbeginsel. Verder heeft appellant betoogd dat betrokkene bij de Belastingdienst een pensioenvoorziening heeft opgegeven zonder vooraf te controleren of dit in het verleden ten laste van de winst was gebracht, hetgeen niet (volledig) het geval is geweest. Ook was betrokkene er van op de hoogte dat er problemen waren met de pensioenvoorziening. Desalniettemin heeft hij appellant hiervan niet op de hoogte gesteld. Deze gang van zaken voldoet niet aan de kwaliteit die je van een erkend accountant mag verwachten.

4. Betrokkene heeft aangevoerd dat het betoog van appellant niet kan leiden tot de conclusie dat geen sprake is van strijd met het ne bis in idem beginsel dan wel het concentratie-van-klachtenbeginsel. De klacht van appellant is dezelfde als de klacht uit het klaagschrift van 21 september 2015 en heeft betrekking op hetzelfde feitencomplex van deze klacht. De accountantskamer heeft de klacht daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.1

Zoals het College in zijn uitspraak van 4 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:99) heeft overwogen, volgt uit artikel 22 van de Wtra dat een ieder een tuchtklacht kan indienen. Afgezien van de verjaringstermijnen van drie en zes jaar – die in het eerste lid van artikel 22 zijn opgenomen – heeft de wetgever in de wet geen nadere beperkingen gesteld aan de uitoefening van het klachtrecht. Onder omstandigheden kan er echter aanleiding zijn om hieraan niettemin beperkingen te stellen, bijvoorbeeld omdat een inhoudelijke behandeling in strijd zou komen met enig algemeen rechtsbeginsel, waaronder de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde, het hieruit voortvloeiende beginsel van ‘ne bis in idem’ (zie onder meer de uitspraken van het College van 18 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:339, en 20 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:79), of indien sprake is van misbruik van klachtrecht (zie onder meer de uitspraken van 16 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:359, en 25 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:36).


Voorts heeft het College in de uitspraak van 4 april 2018 overwogen dat hij, anders dan de accountantskamer, niet inziet dat de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde met zich zouden brengen dat een klager gehouden is zijn klachten steeds zoveel mogelijk in één keer naar voren te brengen. Weliswaar zal het doorgaans wenselijk zijn dat een klager zijn klachten tegen een accountant zoveel mogelijk bundelt, maar een verplichting daartoe kan niet worden gevonden in de Wtra en vloeit evenmin voort uit de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde of enig ander in dit verband in aanmerking te nemen algemeen rechtsbeginsel (zie ook de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 8 maart 2018, www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TGZCTG:2018:69). Voor zover op grond van eerdere uitspraken wel is verondersteld dat het College het bestaan van zodanige verplichting heeft aangenomen, heeft het College van die veronderstelling afstand genomen.

Het vorenstaande laat onverlet dat zich in een concreet geval specifieke omstandigheden kunnen voordoen, waarin belemmeringen bestaan voor het indienen van een opvolgende klacht, omdat eerder bedoelde algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. Zoals gezegd, brengt bijvoorbeeld het beginsel van ne bis in idem met zich dat handelen waarover reeds eerder is geklaagd en waarover met inachtneming van tuchtrechtelijke normen een eindbeslissing is gegeven, niet andermaal het voorwerp van berechting kan vormen.

5.2

Het oordeel van de accountantskamer dat beide klachtonderdelen niet-ontvankelijk zijn, omdat appellant deze klachtonderdelen al bij zijn klacht van 21 september 2015, in de eerdere klachtprocedure, aan de orde had kunnen en moeten stellen, kan gelet op het voorgaande geen stand houden. In zoverre heeft appellant zijn grief terecht voorgedragen.

5.3

Naar het oordeel van het College bestaat er geen aanleiding voor de conclusie dat klachtonderdeel a op grond van enig algemeen rechtsbeginsel, waaronder de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde en het hieruit voortvloeiende beginsel van ne bis in idem of op grond van misbruik van klachtrecht, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij is van belang dat uit de uitspraak van de accountantskamer van 18 april 2016 niet blijkt dat de accountantskamer reeds een oordeel heeft gegeven over het handelen waarover wordt geklaagd in klachtonderdeel a. Dit betekent dat de accountantskamer klachtonderdeel a ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College is evenwel van oordeel dat de accountantskamer klachtonderdeel b terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het op andere gronden. Gelet op de inhoud van dit klachtonderdeel was appellant reeds op

13 september 2012 op de hoogte van het handelen van betrokkene waarop dit klachtonderdeel ziet. Appellant heeft zijn klacht daarom niet binnen de in artikel 22, eerste lid, van de Wtra bedoelde termijn van drie jaar ingediend. Klachtonderdeel b is om die reden niet-ontvankelijk.

6. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep slaagt. Het College zal de bestreden uitspraak vernietigen, voor zover deze betrekking heeft op klachtonderdeel a. Het College ziet in de omstandigheid dat dit klachtonderdeel nog niet eerder inhoudelijk is behandeld, en gelet op de ter zitting door de gemachtigde van appellant uitgesproken voorkeur voor de mogelijkheid van een inhoudelijk behandeling in twee instanties, aanleiding de zaak in zoverre te verwijzen naar de accountantskamer. Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de beslissing van de accountantskamer over klachtonderdeel b slaagt dit niet. Het College zal het hoger beroep in zoverre ongegrond verklaren.

7. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond voor zover de accountantskamer klachtonderdeel a niet-ontvankelijk heeft verklaard;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak in zoverre;
- verwijst de zaak naar de accountantskamer teneinde met inachtneming van deze
uitspraak inhoudelijk op klachtonderdeel a te beslissen;

- verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond .

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.A.M. van den Berk en

mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. S.M. van Ditmarsch