Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:285

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
18/2643
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, Msw (knelgevallenregeling). Uit de wet volgt niet dat de systematiek van artikel 23, derde lid, van de Msw onverkort moet worden toegepast op de knelgevallenregeling. Het moet gaan om een periode (waar dat kan van een jaar) die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden. Verweerder zal alsnog moeten vaststellen welke periode als representatief heeft te gelden voor de melkproductie en met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing moeten nemen over het fosfaatrecht van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/270 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2643

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.I.J. Langenberg),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J.G. Biesheuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.681 kilogram.

Bij besluit van 11 september 2018 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.766 kilogram.

Appellante heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Bij besluit van 27 november 2018 (bestreden besluit 2) heeft verweerder bestreden besluit 1 herzien en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.940 kilogram.

Verweerder heeft op 3 mei 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Namens appellante is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op bestreden besluit 2. Niet is gesteld of gebleken dat appellante nog belang heeft bij een beoordeling van bestreden besluit 1 zodat het College het beroep gericht tegen dat besluit niet-ontvankelijk zal verklaren.

2.1

Ingevolge artikel 21b van de Msw is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.

2.2

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

2.3

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een
bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

3. Bij bestreden besluit 2 heeft verweerder - onder meer - het beroep van appellante op de knelgevallenregeling gehonoreerd in verband met de dierziekte BVD in zoverre dat de peildatum is verlegd naar 1 juni 2014. Appellante is evenwel van mening dat verweerder bij de nieuwe berekening van het fosfaatrecht ten onrechte is uitgegaan van de gegevens over de melkproductie van het kalenderjaar 2014, omdat deze niet representatief zijn voor het bedrijf. Verweerder had haars inziens moeten rekenen met de gegevens uit 2015.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de systematiek van artikel 23 van de Msw volgt dat bij toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw het fosfaatrecht moet worden bepaald aan de hand van de gehouden dieren op de alternatieve peildatum en de melkproductie van het kalenderjaar waarin die datum valt. Nu de alternatieve peildatum, op verzoek van appellante, vastgesteld is op 1 juni 2014, moet voor de melkproductie worden uitgegaan van het kalenderjaar 2014. Dat BVD een sluimerende ziekte is, zoals appellante heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van appellante om te verzoeken om een peildatum die past bij haar situatie.

5. Het College is van oordeel dat uit de wet niet volgt dat de systematiek van artikel 23, derde lid, van de Msw onverkort moet worden toegepast op de knelgevallenregeling. Het moet, zoals is overwogen in de uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248, gaan om een periode (waar dat kan van een jaar) die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden. Verweerder is uitgegaan van de totale melkproductie van 2014, wat, nu de dierziekte is ingetreden op 1 juni 2014, niet zonder meer representatief is voor het bedrijf en niet aansluit bij de bijzondere omstandigheid. In zoverre is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Verweerder zal dan ook alsnog moeten vaststellen welke periode als representatief heeft te gelden voor de melkproductie en met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing moeten nemen over het fosfaatrecht van appellante.

6. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het College zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en hiervoor een termijn van zes weken stellen.

7. Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 768,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie op verzoek van het College, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 2;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 768,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. P.B. van Onzenoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

w.g. I.M. Ludwig w.g. P.B. van Onzenoort