Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:284

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
17/1843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in artikel 1.1 van de Taxiverordening een wettelijke grondslag ontbeert omdat daarin een andere maatstaf besloten ligt dan in artikel 75 van de Wp2000. Daar waar artikel 75 van de Wp2000 het verrichten van taxivervoer gelijkstelt met het aanbieden van dat vervoer, gaat de Taxiverordening in artikel 1.1 een stap verder door te bepalen dat (reeds) van verboden taxivervoer sprake is wanneer een betrokkene zich op aangewezen delen van de openbare weg bevindt met het kennelijke doel om consumenten te werven. Het College is verder van oordeel dat appellant wel degelijk taxivervoer heeft aangeboden. Daartoe is redengevend dat appellant met zijn auto met daarop het bord TAXI stilstond op een als een illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plek, te weten de laad- en losplaats gelegen voor het Park Hotel. Daargelaten de aannemelijkheid van de stelling van appellant dat hij zijn auto aan de kant heeft gezet om op zijn telefoon te kijken in verband met de mogelijkheid van app-werk, doet deze niet af aan het oordeel dat appellant, door op de hiervoor bedoelde wijze en gedurende een viertal minuten stil te staan op de betreffende laad- en losplaats, taxivervoer aanbood in de zin van artikel 75 van de Wp2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2019/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1843

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.I. L’Ghdas),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A.K. Pieters).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening).

Bij besluit van 3 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is voor verweerder verschenen mr. R.N. Ionescu.

Bij beschikking van 8 november 2018 heeft het College bepaald dat het onderzoek wordt heropend en dat de behandeling zal worden voortgezet door een meervoudige kamer.

Partijen hebben desgevraagd niet laten weten dat zij nader ter zitting willen worden gehoord. Vervolgens heeft het College het onderzoek opnieuw gesloten en de uitspraakdatum bepaald op heden.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder terecht heeft besloten tot het opleggen van een dwangsom aan appellant.

2. Verweerder heeft appellant bij het primaire besluit een last onder dwangsom van

€ 5500,-- opgelegd voor iedere keer dat hij op of na 7 juli 2017 zonder geldige Taxxxivergunning als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening vervoer aanbiedt op de openbare weg te [plaats] . Het gaat hierbij, aldus het besluit, om het aanbieden van vervoer op de opstapmarkt, te weten het aanbieden van vervoer vanaf de standplaats(en) en het aanhouden van klanten op straat in de gemeente [plaats] . De dwangsom is daarbij gemaximeerd op een bedrag van € 27.750,-. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 3 november 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

3. Artikel 1.1 van de Taxiverordening, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat in de verordening en de daarop berustende bepalingen onder het ‘aanbieden van taxivervoer’ wordt verstaan het zich met de auto waarmee taxivervoer wordt verricht, op de door de gemeenteraad aangewezen delen van de openbare weg bevinden met het kennelijke doel van vervoerder of bestuurder consumenten te werven ten behoeve van taxivervoer, daaronder mede begrepen de situatie dat naar het oordeel van het college niet aannemelijk kan worden gemaakt dat sprake is van taxivervoer op de bel- of contractmarkt (ook wel genoemd de opstapmarkt).

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder geldige vergunning van het college van burgemeester en wethouders (de zogeheten Taxxxivergunning) op de in bijlage 1 bij deze verordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.

Artikel 75 van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) bepaalt dat voor hoofdstuk 5 van de wet en de daarop berustende bepalingen - behoudens een hier niet van toepassing zijnde uitzondering - met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld wordt het aanbieden van dat vervoer.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wp2000 kunnen bij of krachtens gemeentelijke verordening regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke weg aangeboden taxivervoer. Artikel 82, tweede lid, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en geen betrekking hebben op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.

4. Verweerder stelt zich, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, op het standpunt dat appellant zonder geldige Taxxxi-vergunning op de laad- en losplaats voor het [naam 2] stond geparkeerd met het kennelijke doel klanten te werven ten behoeve van taxivervoer.

5.1

Appellant stelt zich op het standpunt dat artikel 1.1 van de Taxiverordening een wettelijke grondslag ontbeert omdat daarin een andere maatstaf besloten ligt dan in artikel 75 van de Wp2000. Daar waar artikel 75 van de Wp2000 het verrichten van taxivervoer gelijkstelt met het aanbieden van dat vervoer, gaat de Taxiverordening in artikel 1.1 een stap verder door te bepalen dat (reeds) van verboden taxivervoer sprake is wanneer een betrokkene zich op aangewezen delen van de openbare weg bevindt met het kennelijke doel om consumenten te werven. Aan de orde is zijns inziens dan ook het toetsingskader van artikel 75 Wp2000 en van aanbieden in de zin van die bepaling is geen sprake. Appellant heeft immers geen personen benaderd met de bedoeling deze te vervoeren en evenmin is hij ingegaan op een verzoek daartoe van een potentiële klant.

5.2

Appellant voert subsidiair aan dat geen strijd is met de Taxiverordening. Uit het enkele stilstaan op een laad- en loshaven nabij een hotel kan niet worden geconcludeerd tot de kennelijke bedoeling van appellant om taxivervoer aan te bieden op de opstapmarkt. De term ‘kennelijk’ impliceert een hoge mate van waarschijnlijkheid die in onderhavige situatie ontbreekt omdat appellant niet op een taxistandplaats heeft stilgestaan, maar op een laad- en loshaven. Verweerder, die stelt dat de betreffende laad- en loshaven wordt gebruikt voor het illegaal aanbieden van taxivervoer, kan er niet zonder meer van uitgaan dat een ieder die daar stilstaat de bedoeling heeft taxivervoer aan te bieden. Daarnaast meent appellant dat hij genoegzaam heeft aangetoond dat hij (ook op de ochtend van 13 april 2017) actief was op de belmarkt. Tot slot voert appellant aan dat het handelen van de toezichthouder onzorgvuldig is geweest. Volgens appellant had de toezichthouder moeten wachten tot een potentiële klant appellant zou benaderen.

6. Op 13 april 2017 heeft een toezichthouder van de gemeente [plaats] een proces‑verbaal van bevindingen op ambtsbelofte opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt - voor zover hier relevant - het volgende:

“Op donderdag 13 april 2017, omstreeks 07.46 uur, bevond ik mij in uniform gekleed, met handhaving belast op de openbare weg, [adres 1] ter hoogte van het perceelnummer [… 1] te [plaats] . Ik zag daar een taxi, voorzien van het kenteken [kenteken] , merk [… 2] , type – en kleur grijs (...). Ik zag (…) in mijn 4 minuten waarnemingstijd het voornoemd taxivoertuig geparkeerd staan op een laden en los haven aangegeven door bord e7 zonder onderbord. Deze laad en loshaven ligt voor de ingang van het [naam 2] . Het [naam 2] is gelegen nabij het uitgaanscentrum [adres 2] te [plaats] . Ambtshalve is mij bekend dat deze laad en los haven wordt gebruikt als illegale taxistandplaats (...). Ik zag dat voornoemd taxivoertuig als eerste in de rij stond. Ik zag dat er op het taxivoertuig een daklicht was bevestigd met de opdruk TAXI. (...) Ik vroeg vervolgens aan de chauffeur wat hij op deze laad en los haven aan het doen was. Ik hoorde de chauffeur zeggen “ik wacht op appwerk”. Ik vroeg de chauffeur of hij mij bewijs kon overhandigen. Na controle van de app op de telefoon van de chauffeur kon ik niet opmaken dat hij werk haalde uit die app. Ik verbalisant zag alleen gesprekken tussen chauffeurs en anderen.”

7. Het College is van oordeel dat de stelling van appellant ter zake de grondslag van artikel 1.1. van de Taxi-verordening slaagt. Artikel 82 van de Wp2000 bepaalt dat bij of krachtens gemeentelijke verordening regels kunnen worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke weg aangeboden taxivervoer. Deze dienen (slechts) tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b van de Wp2000. De Wp2000 bevat derhalve geen grondslag voor een nadere omschrijving van het begrip dat de reikwijdte van hoofdstuk 5 van de wet bepaalt, te weten het verrichten van taxivervoer. Het College zal artikel 1.1 van de Taxiverordening, dat wel een zodanige nadere omschrijving behelst, dan ook buiten toepassing laten. Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen.

8.1

Het College zal beoordelen of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in stand te laten. Hiertoe zal het College de vraag of appellant artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden, beoordelen aan de hand van de maatstaf of in dit geval sprake was het aanbieden van taxivervoer in de zin van artikel 75 van de Wp2000.

8.2

Het College is van oordeel dat dit het geval was. Daartoe is redengevend dat appellant met zijn auto met daarop het bord TAXI stilstond op een als een illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plek, te weten de laad- en losplaats gelegen voor het [naam 2] . Appellant heeft in de zienswijze verklaard dat hij de auto aan de kant had gezet om op zijn telefoon te kijken in verband met de mogelijkheid van app-werk en tegenover de toezichthouder ter plaatse verklaard dat hij wachtte op app-werk. Daargelaten de aannemelijkheid van deze stellingen, doen deze niet af aan het oordeel dat appellant, door op de hiervoor bedoelde wijze en gedurende een viertal minuten stil te staan op de betreffende laad- en losplaats, taxivervoer aanbood in de zin van artikel 75 van de Wp2000. Het betoog dat de toezichthouder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te wachten tot een potentiële klant appellant zou benaderen, slaagt niet.

9. Gelet op het bovenstaande zal het College de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand laten.

10. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet eveneens het door appellant betaalde griffierecht van € 168,- vergoeden.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, mr. E.R. Eggeraat en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

w.g. I.M. Ludwig w.g. T. Kuiper