Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:283

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
18/2768
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, Msw (knelgevallenregeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/269 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2768

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Leegsma, mr. Y. Groen en mr. J.H. Eleveld).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 16.834 kilogram (kg).

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder op de bezwaren van appellante tegen het besluit van 26 januari 2018 beslist en heeft hij de bezwaren ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 15 mei 2014 ontstond op de melkveehouderij van appellante een uitbraak van Bovine Virus Diarree (BVD). Bij de berekening van het fosfaatrecht is verweerder uitgegaan van de op de peildatum van 2 juli 2015 (de peildatum) aanwezige 298 melk- en kalfkoeien, 157 pinken en 138 vaarzen en heeft hij rekening gehouden met een melkproductie per koe van 9.909 kg (wat een excretieforfait oplevert van 46,4). Het hierbij horende fosfaatrecht bedraagt (afgerond) 18.356 kg. Bij de toekenning van het fosfaatrecht is voorts een generieke korting van 8,3% toegepast.

2.1

Appellante vraagt extra fosfaatrechten vanwege de uitbraak van BVD. Zij voert aan dat artikel 23, zesde lid, van de Msw de ruimte biedt om de reeds ingezette groei mee te nemen. Appellante heeft in 2008-2009 al ingezet op een uitbreiding van haar bedrijf tot 426 melkkoeien. Voor deze uitbreiding heeft zij ook de benodigde vergunningen verkregen. Daartoe is fors geïnvesteerd in mestverwerking op het eigen bedrijf. Als gevolg van de dierziekte is de verwachte groei van het aantal melkkoeien achter gebleven. Er zijn in totaal 36 dieren afgevoerd vanwege het BVD-virus. Daarnaast zijn drachten afgebroken. In totaal zouden er zonder de ziekte 54 melkkoeien, 13 kalveren en 12 pinken op 2 juli 2015 extra op het bedrijf aanwezig zijn geweest. Omgerekend komt dit neer op 2.909 kg fosfaat extra en daarmee voldoet zij aan de voorwaarde dat het fosfaatrecht op de peildatum minimaal vijf procent lager is dan het geval zou zijn zonder de dierziekte (5%-drempel).

2.2

Verweerder berekent het fosfaatrecht op 15 mei 2014 op 16.133 kg en op 2 juli 2015 de op 18.357 kg (telkens afgerond en zonder generieke korting). Hiermee voldoet appellante niet aan de 5%-drempel. De knelgevallenregeling is niet bedoeld voor toekenning van niet gerealiseerde uitbreidingsplannen. Verweerder verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de wetgeschiedenis en de uitspraak van het College van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4). Hieruit volgt dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen het aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015 en het aantal fosfaatrechten dat appellante had direct voor het moment dat de dierziekte zich voordeed. Verweerder heeft het aantal fosfaatrechten berekend voor 1 januari 2013, 1 juli 2013, 1 januari 2014 en 15 mei 2014 en telkens wordt niet voldaan aan de 5%-drempel.

3.1

In dit geval is de bedrijfsgroei (tijdelijk) gestagneerd ten gevolge van dierziekte. In zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) heeft het College gewezen op zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) waarin over artikel 23, zesde lid, van de Msw is geoordeeld dat ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen, een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de dierziekte en de bedrijfssituatie op 2 juli 2015 moet plaatsvinden. Dat dit tot gevolg kan hebben dat de stagnatie in de groei door de dierziekte, niet meer wordt gecompenseerd, heeft het College onder ogen gezien en aanvaard. Het College heeft hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht (zie Kamerstukken II, 2015-2016, 34532, nr.3, p. 40 “De knelgevallenvoorziening die in het wetsvoorstel is opgenomen betrekt bewust niet wat in de toekomst met de op 2 juli 2015 beschikbare productiemiddelen mogelijk zou zijn, maar kijkt naar het verleden…” en Kamerstukken II, 2016-2017, 34532, nr.7, p.47 “Het gaat er nadrukkelijk niet om een vergelijking met de toekomst te maken. Ondernemers die voornemens waren hun bedrijf uit te breiden maar die uitbreiding nog niet hadden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling”). Dat verweerder dit uitgangspunt niet alleen hanteert voor (beoogde en gerealiseerde) uitbreidingen na 2 juli 2015, maar ook van toepassing acht op niet gerealiseerde uitbreidingen op die peildatum, heeft het College in die uitspraak in lijn geacht met de bedoeling van de wetgever in het kader van de vaststelling van de situatie die in redelijkheid op het bedrijf mocht worden verwacht. De wetgever zag geen plaats om toekomstige ontwikkelingen te betrekken, teneinde verhoging van het fosfaatrecht door (nog niet verwezenlijkte) uitbreidingsplannen te voorkomen.

3.3

Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Dit betekent dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling en dat het beroep van appellante niet slaagt. Voor de niet gerealiseerde uitbreiding staat wel beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) open. In dit geval heeft appellante niet betoogd dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Het College ziet derhalve evenmin aanleiding voor een toetsing aan artikel 1 EP. Ook van strijd met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel is het College niet gebleken.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems