Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:267

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
18/499
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten tijde van het bestreden besluit stond het aantal uit te betalen betalingsrechten nog niet onherroepelijk vast door lopende beroepszaken voor de jaren 2015 en 2016. Het College heeft in haar uitspraak van 28 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:435) inmiddels geoordeeld dat verweerder ten aanzien van de uit te betalen betalingsrechten van appellante in 2015 en 2016 is uitgegaan van juiste aantal hectare subsidiabele landbouwgrond. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/499

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2019 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. drs. C.C.J. Hartendorf),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: S. van Rijn).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling) en de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2017 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 6 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019.

Appellante en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft middels de Gecombineerde opgave 2017 om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling) en de extra betaling jonge landbouwers gevraagd. In deze Gecombineerde opgave heeft appellante 29,74 hectare (ha) landbouwgrond opgegeven voor uitbetaling.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 13.184,47 vastgesteld aan basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2017. Daarbij is verweerder uitgegaan van 28,39 betalingsrechten die op naam staan van appellante.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat een landbouwer enkel uitbetaling van zijn basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2017 kan aanvragen voor het aantal betalingsrechten waarover hij beschikt op 15 mei 2017. In bezwaar was in geschil of verweerder in 2017 bij de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van het juiste aantal betalingsrechten is uitgegaan nu het aantal betalingsrechten nog niet onherroepelijk vaststaat door lopende beroepszaken voor de jaren 2015 en 2016. In dat kader heeft verweerder overwogen dat op grond van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het instellen van bezwaar of beroep niet de werking van het besluit schorst.

3. In beroep heeft appellante, wederom, aangevoerd dat verweerder uitgaat van een onjuist aantal aan haar toekomende betalingsrechten per 15 mei 2017. Appellante meent dat zij 29,74 betalingsrechten heeft en niet 28,39 waarvan verweerder uitgaat. Volgens appellante staat een aantal perceeloppervlakten niet onherroepelijk vast. In dat kader wijst appellante op de omstandigheid dat bij het College procedures aanhangig zijn omtrent het aantal betalingsrechten van 2015 en 2016. Appellante voert aan dat de beroepen inzake de betalingsrechten van 2015 en 2016 op 9 mei 2018 ter zitting bij het College zullen worden behandeld. Volgens appellante zal uit die uitspraak blijken wat het juiste aantal toe te wijzen betalingsrechten is per 15 mei 2017.

4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat alle betalingsrechten waarover appellante beschikt zijn uitbetaald. Het instellen van beroep schorst de werking van het besluit, waartegen het beroep is gericht, niet. Verweerder gaat vooralsnog uit van de juistheid van het bestreden besluit.

5.1

Het College overweegt als volgt.

5.2

De vraag die in beroep voorligt is of verweerder in 2017 bij de uitbetaling van de betalingsrechten terecht is uitgegaan van 28,39 betalingsrechten voor de basis- en vergroeningsbetaling.

5.3

Appellante kan enkel uitbetaling van zijn betalingsrechten en vergroeningsbetaling 2017 aanvragen voor het aantal betalingsrechten waarover hij beschikt op 15 mei 2017. Als er meer hectaren worden opgegeven voor uitbetaling, dan wordt de aanvraag verkleind naar het aantal beschikbare betalingsrechten. Ten tijde van het bestreden besluit stond het aantal betalingsrechten nog niet onherroepelijk vast door lopende beroepszaken voor de jaren 2015 en 2016. Echter op grond van artikel 6:16 van de Awb schorst het instellen van bezwaar of beroep niet de werking van het besluit. Dit betekent dat het aantal beschikbare betalingsrechten van appellante per 15 mei 2017 bepalend is voor de hoogte van de basis- en vergroeningsbetaling over het jaar 2017. Het College heeft in haar uitspraak van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:435 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van de toegewezen betalingsrechten van appellante in 2015 en 2016 terecht is uitgegaan van 23,62 betalingsrechten. Verweerder is dan ook terecht in 2017 tot uitbetaling van 28,39 betalingsrechten overgegaan.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2019.

w.g. T. Pavićević w.g. T. Kuiper