Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:238

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
18/1294
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het handelen als penningsmeester wordt aangemerkt als beroepsmatig handelen en is daarmee aan tuchtrechtspraak onderworpen. Artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wab is een restbepaling waaraan kan worden getoetst indien niet kan worden geconcludeerd dat de accountant heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wab waaronder het fundamentele beginsel van professionaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1294

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2019 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA, te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J.M. Geerders),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 juni 2018, gegeven op een klacht, door [Stichting] (Stichting) ingediend tegen appellant.


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van

15 juni 2015, met nummer 17/1927 Wtra AK, (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:40).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor de Stichting zijn verschenen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant stond van 19 augustus 1992 tot 31 december 2017 ingeschreven in het accountantsregister. Appellant was gedurende de periode van 11 mei 2016 tot 25 april 2017 op onbezoldigde basis actief als penningmeester van de Stichting. In dat verband was appellant bevoegd om betalingen voor de Stichting te verrichten. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) was destijds de voorzitter van de Stichting.

1.3

Naar aanleiding van twee op 12 april 2017 aan appellant verzonden e-mails met daarin een betaalverzoek en bankgegevens heeft appellant op die dag een bedrag van € 9.500,- van de bankrekening van de Stichting overgeboekt naar een bankrekening in Italië op naam van [naam 5] . De e-mails waren afkomstig van het e-mailadres [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] . In de adresbalk voor het beantwoorden van de e-mails stond het andere e-mailadres [e-mailadres 3] vermeld.

1.4

Op 18 april 2017 heeft appellant bij de politie aangifte gedaan van oplichting. In het proces-verbaal van aangifte staat onder meer dat:

“Wij maken nooit geld over naar Italië. Ik vond het niet heel erg vreemd aangezien mijn collega, [naam 2] op vakantie was in Frankrijk. Ik had het vermoeden dat hij dit bedrag voor een privéredenen nodig had en dit later terug zou storten. Hierop heb ik het geldbedrag overgemaakt en een mail teruggestuurd dat het geld morgen op de rekening van [naam 5] staat. Dit was omstreeks 11:12 uur.

Op dat moment viel mij het emailadres op van [naam 2] . Dit was namelijk niet zijn normale emailadres. (…)

Om 11:28 uur heb ik telefonisch contact gezocht met [naam 2] . Ik kreeg van hem te horen dat hij geen mails heeft verzonden en al helemaal niet gevraagd heeft om geld over te maken. Op dat moment had ik al een vermoeden dat ik opgelicht werd.”

1.5

Het bestuur van de Stichting heeft appellant op 25 april 2017 bericht dat het appellant aansprakelijk houdt voor het overboeken van het bedrag van € 9.500,-. Bij brief van 10 juli 2017 heeft het bestuur van de Stichting aan appellant te kennen gegeven dat het zijn standpunt handhaaft en dat het bestuur een tuchtklacht zal indienen, zo nodig gevolgd door een procedure voor de kantonrechter, tenzij appellant kenbaar maakt belangstelling te hebben voor een minnelijke regeling. Op 12 juli 2017 is hierop namens appellant aan het bestuur te kennen gegeven dat, indien een tuchtklacht zal worden ingediend, appellant de Stichting aansprakelijk stelt voor de eventuele schade die hij daardoor zal lijden.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, luidt:

a. appellant heeft op basis van een atypisch betalingsverzoek een – voor de stichting zeer substantieel en ongebruikelijk hoog – bedrag overgemaakt zonder zich van de juistheid van het betalingsverzoek te vergewissen;

b. appellant heeft de stichting onder druk gezet om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen door (via zijn rechtsbijstandsverzekeraar) de stichting aansprakelijk te stellen voor schade die hij zou lijden ingeval een klacht zou worden ingediend.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in beide onderdelen gegrond verklaard. Daartoe heeft de accountantskamer overwogen dat het uitoefenen van werkzaamheden als penningmeester onder het bereik valt van het begrip “Ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep”, zoals bedoeld in artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (Wab), zodat appellant ten aanzien van deze werkzaamheden onderworpen is aan tuchtrechtspraak op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants. Dit betekent dat het handelen en/of nalaten te handelen waarover wordt geklaagd, kan worden getoetst aan de geldende gedrags- en beroepsregels. De omstandigheid dat die werkzaamheden onbezoldigd zijn verricht maakt dat niet anders.

2.3

Naar het oordeel van de accountantskamer mocht van appellant op grond van artikel 13, tweede lid, van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) worden verwacht dat hij op het tot hem gerichte betalingsverzoek nauwgezet had gereageerd. Ook indien appellant ervan had mogen uitgaan dat de e-mail van 12 april 2017 daadwerkelijk van één van de bestuurders afkomstig was, past het niet om op grond van alleen deze e-mail geld van de Stichting over te maken naar een buitenlandse rekening ten behoeve van die bestuurder persoonlijk. Die handelwijze ontbeert elke zorg en aandacht die bij de uitvoering van een dergelijk verzoek van appellant verwacht mocht worden. Dit geldt te meer nu sprake was van een atypisch betalingsverzoek, de betaling het saldo op de betaalrekening oversteeg, de hoogte van het bedrag in relatie tot de begroting van de Stichting aanzienlijk was en dat aan betalingen gewoonlijk overleg en besluitvorming binnen het bestuur of een geaccordeerde factuur ten grondslag lagen. Daarnaast had appellant de omstandigheid dat [naam 2] in Frankrijk verbleef en de betaling een rekening in Italië betrof, in zijn afwegingen moeten betrekken. Ook indien haast geboden was, zoals appellant veronderstelde, had van appellant in het licht van het vorenstaande verwacht mogen worden dat hij op zijn minst vooraf telefonisch contact met [naam 2] zou opnemen. Dat dit ook simpelweg had gekund, blijkt uit het feit dat appellant na enig verkregen argwaan over zijn e-mailadres vrijwel direct met [naam 2] heeft gebeld. Nu appellant een en ander niet heeft gedaan, heeft hij naar het oordeel van de accountantskamer gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en treft hem een tuchtrechtelijk verwijt.

2.4

De accountantskamer heeft voorts overwogen dat de raadsvrouw van appellant in de brief van 10 juli 2017 een passage heeft opgenomen inhoudende dat appellant de Stichting aansprakelijk houdt voor de eventuele schade die hij lijdt doordat de Stichting een ongegronde klacht indient. De accountantskamer heeft geoordeeld dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep altijd toetsbaar moet opstellen. Appellant had zich daarom dienen te onthouden van het uitoefenen van druk om geen tuchtklacht tegen hem in te dienen. Nu het opnemen van een uitlating zoals in de passage is verwoord in het algemeen wordt ervaren als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht heeft appellant gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wab.

2.5

De accountantskamer heeft aan appellant de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Het College stelt vast dat appellant geen grieven heeft aangevoerd tegen het hiervoor hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van de accountantskamer dat appellant heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

3.2

Appellant heeft met zijn eerste grief aangevoerd dat de accountantskamer de tegen hem ingediende klachten ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, omdat het uitoefenen van werkzaamheden als penningmeester niet onder het bereik van het begrip “ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep”, zoals bedoeld in artikel 42 van de Wab valt. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellant gewezen op een uitspraak van het College van 11 oktober 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0646. Verder heeft appellant aangevoerd dat het doen van overboekingen niet kan worden aangemerkt als een professionele dienst en dat het geen bijzondere vakbekwaamheid vergt. Iedereen kan een overboeking doen. Appellant is slachtoffer geworden van oplichting. Dit kan iedereen overkomen.

3.3

Het College overweegt dat bij de inwerkingtreding van de Wab op 1 januari 2013, waarbij de Wet op de Registeraccountants (Wet RA) is ingetrokken, de werkingssfeer van het tuchtrecht in die zin is verruimd dat daaronder naast beroepsmatige gedragingen ook andere gedragingen vallen, mits die andere gedragingen te allen tijde van invloed zijn op de uitoefening van het beroep (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 025, nr. 3, blz. 27 en 28). In artikel 42, eerste lid, van de Wab is – voor zover hier van belang – bepaald dat de accountant “ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep” aan tuchtrechtspraak is onderworpen.

3.4

Het College onderschrijft het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van de accountantskamer dat de gedragingen waarop de aan appellant gemaakte verwijten betrekking hebben zien op beroepsmatig handelen van appellant in de hiervoor bedoelde zin en maakt dit tot het zijne. Het College neemt hierbij in aanmerking dat het als penningmeester overboeken van gelden van de bankrekening van de Stichting ligt op het vlak van de activiteiten die een accountant over het algemeen verricht. Daarbij is van belang dat de Stichting ter zitting van het College onweersproken heeft gesteld dat appellant juist vanwege zijn bijzondere competenties als accountant is aangesteld als penningmeester van de Stichting. Gelet hierop ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat appellant in zijn functie van penningmeester handelde als ieder ander die die functie zou kunnen verrichten. De aan de orde zijnde gedragingen vallen daarmee binnen de reikwijdte van artikel 42 van de Wab. Het beroep op de uitspraak van het College van 11 oktober 2012 kan appellant niet baten, omdat die uitspraak ziet op het tuchtrechtelijk verwijtbaar beroepsmatig handelen van een accountant dat tot 1 januari 2013 onder artikel 33, eerste lid, van de Wet RA viel. Zoals het College onder 3.3 heeft overwogen is die regeling op 1 januari 2013 aangepast en is daarmee de werkingssfeer van het tuchtrecht verruimd.

4.1

Met zijn tweede grief heeft appellant aangevoerd dat de accountantskamer ten onrechte heeft overwogen dat hij laakbaar heeft gehandeld door de Stichting te verzoeken om van het indienen van een tuchtklacht af te zien. Appellant heeft erop gewezen dat een dergelijke handelwijze in het civiele recht gebruikelijk is en dat het niet zijn intentie is geweest om de Stichting daadwerkelijk van het indienen van een klacht af te houden.

4.2

Naar het oordeel van het College is uitgangspunt dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep toetsbaar moet opstellen. Het opnemen van een passage zoals vermeld onder 2.4, in een fase waarin nog niet daadwerkelijk een tuchtklacht is ingediend, zal in het algemeen als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht kunnen worden ervaren. Ter zitting van het College heeft appellant bevestigd dat hij ermee heeft ingestemd dat de desbetreffende passage in de brief aan de Stichting zou worden opgenomen. Appellant heeft zich aldus niet toetsbaar opgesteld en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Appellant heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van professionaliteit als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de VGBA. Een toetsing aan artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wab, zijnde een restbepaling, is hier daarom en anders dan de accountskamer heeft overwogen, niet aan de orde. Tot een ander oordeel omtrent de gegrondheid van dit klachtonderdeel leidt dit niet. Ook de tweede grief faalt.

5. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

6. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.A.M. van den Berk en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. S.M. van Ditmarsch