Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:212

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
18/1115
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft besloten om het verzoek om handhaving van appellante af te wijzen omdat verweerder zich niet bevoegd acht om handhavend op te treden op grond van de regelgeving die van toepassing is op de activiteiten van derde-partij. Verweerder acht zich later alsnog bevoegd om van het verzoek om handhaving kennis te nemen en stelt gehouden te zijn te onderzoeken of de bepalingen van de Wet dieren zijn overtreden. Het College verwijst het beroep het besluit ter behandeling als bezwaar naar verweerder. Tussen partijen heeft immers nog geen inhoudelijk debat heeft plaatsgevonden over het handhavingsverzoek van appellante Het College verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek van appellante gegrond waardoor verweerder aan appellante een dwangsom is verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1454
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1115

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2019 in de zaak tussen

Stichting [naam 1] , te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: v.o.f. [naam 2], te [plaats 2]

(gemachtigde: [naam 6] ).

Procesverloop

Bij brief van 22 maart 2018 heeft appellante verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de activiteiten van de vennootschap onder firma [naam 2] ( [naam 2] ).

Bij brief van 15 juni 2018 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek.

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft verweerder besloten om het verzoek om handhaving van appellante af te wijzen omdat verweerder zich niet bevoegd acht om handhavend op te treden op grond van de regelgeving die van toepassing is op de activiteiten van [naam 2] .

Appellante heeft op 12 februari 2019 tegen het besluit van 3 juli 2018 een aanvullend beroepschrift ingediend en medegedeeld dat zij verweerder heeft verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft bij brief van 22 maart 2019 te kennen gegeven niet in te stemmen met het overslaan van de bezwaarfase.

Bij brief van 4 april 2019 heeft het College aan partijen medegedeeld dat zij de zaak met procedurenummer 18/1115 met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de zitting van 1 mei 2019 zal behandelen. Het College heeft verweerder verzocht alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden.

Bij brief van 10 april 2019 heeft verweerder het College medegedeeld dat het nog niet mogelijk is om alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen. Verweerder heeft desgevraagd aan het College bevestigd dat deze brief (tevens) een verzoek om uitstel inhoudt. Appellante heeft desgevraagd laten weten dat zij niet kan instemmen met het verzoek om uitstel.

Bij brief van 25 april 2019 heeft het College aan partijen medegedeeld dat het verzoek om uitstel niet wordt ingewilligd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019. De zaak is ter zitting gevoegd behandeld met een gezamenlijk beroep van St. [naam 1] en St. [naam 3] (18/2530).

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor appellante zijn tevens verschenen [naam 4] en [naam 5] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens [naam 2] is verschenen [naam 6] .

Ten behoeve van de uitspraak is onderhavige zaak weer gesplitst van het beroep van St. [naam 1] en St. [naam 3] .

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellante heeft verweerder bij brief van 22 maart 2018 verzocht om handhavend op

te treden tegen activiteiten van [naam 2] (het handhavingsverzoek) wegens overtreding van de Wet dieren, het Besluit houders van dieren en Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Bij brief van 24 mei 2018 heeft appellante verweerder in gebreke gesteld omdat verweerder niet heeft gereageerd op het handhavingsverzoek. Op 15 juni 2018 heeft appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek. Bij brief van 4 juli 2018 heeft verweerder erkend dat niet tijdig is beslist op het handhavingsverzoek.

1.3

Bij het primaire besluit van 3 juli 2018 heeft verweerder alsnog beslist op het handhavingsverzoek van 22 maart 2018. Daarbij heeft verweerder het handhavingsverzoek van appellante afgewezen op de grond dat hij niet bevoegd is om te controleren of [naam 2] zich bij het vangen en doden van ganzen houdt aan de daartoe verleende ontheffingen. Volgens verweerder is op de activiteiten van [naam 2] de Wet natuurbescherming van toepassing en is het college van Gedeputeerde Staten bevoegd om handhavend op te treden bij overtredingen van die wet.

1.4

Bij de brief van 22 maart 2019 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij zich bij nader inzien toch gehouden acht te onderzoeken of sprake is van een overtreding. Daartoe heeft verweerder een inspectie bij [naam 2] doen uitvoeren en hiervan zal een inspectierapport worden opgesteld.

Beroep tegen niet tijdig beslissen

2.1

Het College komt tot de volgende beoordeling ten aanzien van het beroep gericht tegen niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek van appellante.

2.2

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

2.3

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan, voor zover hier van belang, het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.

2.4

Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Op grond van het vijfde lid kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

2.5

Op grond van artikel 8:55c van de Awb stelt de bestuursrechter, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. Appellante heeft in het aanvullend beroepschrift verzocht om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen. Het College vat dit op als een verzoek als bedoeld in artikel 8.55c van de Awb.

2.6

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Op grond van het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

2.7

Appellante heeft procesbelang bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om handhaving. Weliswaar is met het besluit van 3 juli 2018 inmiddels een reëel besluit genomen, maar appellante heeft een belang als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb, reeds omdat voor toekenning van een dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb een gegrond beroep noodzakelijk is.

2.8

Verweerder heeft erkend dat niet tijdig is beslist op het handhavingsverzoek. Het College zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaren.

2.9

Het College is, gezien het voorgaande, van oordeel dat verweerder aan appellante een dwangsom is verschuldigd. In aanmerking genomen dat appellante verweerder bij brief van 24 mei 2018 in gebreke heeft gesteld en dat verweerder bij het besluit van 3 juli 2018 op het handhavingsverzoek heeft beslist is, gelet op artikel 4:17, eerste lid en derde lid, van de Awb, 8 juni de eerste dag en 2 juli de laatste dag waarover de dwangsom is verschuldigd. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55c van de Awb zal het College de hoogte van de door verweerder aan appellante verschuldigde dwangsom dan ook vaststellen op € 610,- (14 dagen, € 20 per dag, 11 dagen € 30 per dag).

Het besluit van 3 juli 2018

3.1

Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 overweegt het College als volgt.

3.2

In zijn brief van 22 maart 2019 is verweerder teruggekomen op het standpunt neergelegd in zijn besluit van 3 juli 2018. Verweerder acht zich alsnog bevoegd om van het verzoek om handhaving kennis te nemen en stelt gehouden te zijn te onderzoeken of de bepalingen van de Wet dieren zijn overtreden. Tussen partijen heeft nog geen inhoudelijk debat heeft plaatsgevonden over het handhavingsverzoek van appellante. Het dossier bevat geen inhoudelijke informatie over de door verweerder uitgevoerde en nog uit te voeren inspecties bij [naam 2] . Ter zitting is in overleg met partijen vastgesteld dat het wenselijk is dat verweerder vóór 1 juli 2019 op het bezwaar van appellante beslist. Het College zal daarom met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb het beroep voor een inhoudelijke behandeling als bezwaar verwijzen naar verweerder.

Verzoek om voorlopige voorziening

4.1

Appellante heeft ter zitting het College gevraagd om op de voet van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat [naam 2] haar activiteiten opschort totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist. Daartoe heeft appellante ter zitting aangevoerd dat het doden van ganzen met koolstofdioxide (CO2) valt onder het verrichten van diergeneeskundige handelingen zoals bedoeld in artikel 2.9 van de Wet dieren. Volgens appellante is [naam 2] niet bevoegd om dergelijke handelingen te verrichten.

4.2

Artikel 2.9 van de Wet dieren luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“1 Het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen is verboden voor een ieder die daartoe niet bij of krachtens artikel 4.1 is toegelaten.

2 Het anders dan beroepsmatig verrichten van lichamelijke ingrepen is verboden voor anderen dan de personen, bedoeld in het eerste lid.”

4.3

[naam 2] doodt ganzen met CO2 op grond van ontheffingen die zijn verleend op basis van de Wet natuurbescherming. Het College is van oordeel, nog daargelaten of artikel 2:9 van de Wet dieren in dit geval van toepassing is, dat appellante haar stelling dat hier sprake is van het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen niet met concrete feiten heeft onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbij gegaan. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.

5. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om handhaving zal gegrond worden verklaard en dat besluit zal worden vernietigd. Het College zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 610,- en het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 zal ter behandeling als bezwaar naar verweerder worden verwezen. Het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,--, namelijk 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen van de gemachtigde ter zitting bij het College, met een wegingsfactor van 1 en een waarde per punt van € 512,--.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek van appellante gegrond;

  • -

    stelt de hoogte van de door verweerder aan appellante verschuldigde dwangsom vast op € 610,--;

  • -

    verwijst het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 ter behandeling als bezwaar naar verweerder;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,-- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.A.M. van den Berk en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. T. Kuiper