Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:203

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
17-05-2019
Zaaknummer
18/1321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zwaarte van de opgelegde maatregel. Toevoegen van geantedateerde documenten aan het toetsingsdossier. Schending van de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Tijdelijke doorhaling in de registers voor de duur van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1321

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2019 op het hoger beroep van:

[naam 1] , gevestigd te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.G. Kelder),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 29 juni 2018, gegeven op een klacht, door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van accountants (Nba) ingediend tegen appellant

(gemachtigde van Nba: mr. G.M.C. Neuteboom en mr. drs. D.G. Tersmette).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 29 juni 2018, met nummer 18/359 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:48).

Nba heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Nba heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Van de zijde van Nba is tevens verschenen [naam 2] AA.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant stond sinds 5 maart 1997 als accountant-administratieconsulent ingeschreven in het accountantsregister. Hij was ten tijde van de hierna te vermelden toetsing eigenaar en dagelijks beleidsbepaler van [naam 3] B.V. Per 1 september 2018 heeft appellant zich laten uitschrijven als accountant uit het accountantsregister.

1.3

Bij brieven van 26 april 2016 en van 19 mei 2016 heeft de Raad voor Toezicht (hierna: de Raad) appellant laten weten dat een kwaliteitstoetsing van zijn kantoor zou worden uitgevoerd op 23 en 24 augustus 2016.

1.4

In verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen een cliënt van appellant is op het kantoor van appellant een inval gedaan door de inspectie SZW op 28 juni 2016 en is hij meermalen verhoord.

1.5

In verband met dit strafrechtelijk onderzoek heeft de Raad appellant bij brief van

2 augustus 2016 onder meer meegedeeld dat de geplande kwaliteitstoetsing wel doorgang vindt, maar dat het dossier [naam 4] in afwachting van het strafrechtelijk onderzoek ter zake niet zal worden betrokken bij de toetsing.

1.6

De accountantspraktijk van appellant is op 23 en 25 augustus 2016 getoetst op grond van de destijds geldende Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen. Het toetsingsteam bestond uit de toetsers [naam 5] RA ( [naam 5] ) en [naam 6] RA ( [naam 6] ).

1.7

Op 23 augustus 2016 heeft [naam 6] het toetsingsdossier SSZ (een vrijwillige controleopdracht) met appellant besproken en appellant medegedeeld dat hij onder meer de volgende stukken miste:

a. een verslag van de bespreking van het conceptjaarverslag met de bestuurder van SSZ op 2 mei 2016;

b. een verslag van de bespreking met de Raad van Toezicht van SSZ op 10 mei 2016 van de jaarrekening en het accountantsverslag;

c. een vastlegging van de constatering dat de jaarrekening van SSZ voldeed aan de vereisten die de branche specifieke richtlijn RJ 655 aan de jaarrekening stelt.

1.8

Appellant heeft op 24 augustus 2016 op basis van de in het (controle)dossier SSZ teruggevonden aantekeningen van een bespreking van 2 mei 2016 en een bespreking van 10 mei 2016 twee bespreekverslagen opgesteld, geantedateerd op respectievelijk 2 en 10 mei 2016, en deze toegevoegd aan het controledossier van SSZ. Daarnaast heeft hij de op 28 april 2016 gedateerde checklist afronding jaarrekening aangepast zodanig dat daarin vermeld werd dat de jaarrekening getoetst was aan RJ 665.

1.9

Op 25 augustus 2016 heeft het toetsingsteam haar werkzaamheden hervat en geconstateerd dat er drie geantedateerde documenten aan het dossier SSZ waren toegevoegd.

1.10

Bij e-mail van 26 augustus 2016 aan de toetsers heeft appellant excuses gemaakt voor deze naar aanleiding van de toetsing ontstane situatie. Daarin schrijft hij te bemerken dat de combinatie van het in de picture staan door een fraudeonderzoek en een toetsing hem als persoon zeer raakt.

1.11

Namens de toetsers heeft [naam 5] de Raad bij notitie van 6 september 2016 geïnformeerd over de toetsing en het afbreken daarvan.

1.12

Het toetsingsteam heeft de toetsing voortgezet op 18 oktober 2016. Bij brief van 25 oktober 2016 is het concepttoetsingsverslag en de recapitulatie van de toetsing op 23 augustus, 25 augustus en 18 oktober 2016 aan appellant gezonden met het verzoek daarop binnen twee weken te reageren. Dat bespreekverslag behelst een weergave van de notitie van 6 september 2016 van de toetsers en vermeldt de hiervoor in 1.8 genoemde stukken.

1.13

Appellant heeft bij brief van 18 november 2016 op het concepttoetsingsverslag gereageerd.

1.14

Bij brief van 6 december 2016 is appellant het definitieve toetsingsverslag toegezonden. Daarin is het voorstel voor het eindoordeel “B: voldoet op belangrijke onderdelen niet” gehandhaafd. De toetsing heeft geresulteerd in het eindoordeel van 9 februari 2017. Dit eindoordeel houdt in dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk van appellant op belangrijke onderdelen in opzet of werking niet voldeed aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep en aangepast diende te worden. Appellant heeft naar aanleiding daarvan bij brief van 16 maart 2017, in samenwerking met Auxilium, een verbeterplan ingediend. Dat verbeterplan is bij brief van 26 april 2017 door de Raad goedgekeurd. Per 1 oktober 2017 heeft accountantskantoor [naam 7] [naam 3] B.V. van appellant overgenomen.

1.15

De rechtbank Rotterdam heeft appellant, wegens betrokkenheid bij een door een cliënt gepleegde valsheid in geschrift, bij vonnis van 18 december 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant, in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels, de toetsing in ernstige mate heeft gefrustreerd en door het toevoegen van tenminste drie (geantedateerde) documenten aan het toetsingsdossier SSZ de uitkomst daarvan heeft willen beïnvloeden.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en geoordeeld dat appellant de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit als bedoeld in de artikelen 6 en 4 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountant (VGBA) heeft geschonden. De accountantskamer heeft aan appellant de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van drie maanden opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Het College stelt vast dat appellant in hoger beroep niet opkomt tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van de gegrondheid van de klacht en de schending van de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Appellant heeft – ook in hoger beroep – erkend dat hij na afloop van de eerste toetsingsdag op 23 augustus 2016 twee, geantedateerde, bespreekverslagen heeft opgesteld en een eerder opgemaakte checklist afronding jaarrekening heeft aangepast en deze documenten toen heeft toegevoegd aan het toetsingsdossier SSZ. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel.

4. In punt 4.6 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer ten aanzien van de zwaarte van de maatregel het volgende overwogen:

“Nu de klacht gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daaromtrent houdt zij rekening met de aard en de ernst van het verzuim van de betrokkene en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van drie maanden passend en geboden. Aldus wordt in aanmerking genomen dat betrokkene met zijn handelwijze het onderzoek van klaagster in verband met haar toezichthoudende taak op de beroepsuitoefening van accountants heeft gefrustreerd althans de uitkomst daarvan door manipulaties in het controledossier ten voordele van zich zelf heeft willen beïnvloeden, welk gedrag een accountant onwaardig is. Daardoor heeft betrokkene in strijd gehandeld met twee fundamentele beginselen. Anderzijds is meegewogen dat betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en dat ervan uitgegaan moet worden dat betrokkene de werkzaamheden, welke door hem achteraf en geantedateerd in zijn controledossier gerelateerd werden, op zich wel had verricht.”

5.1

Appellant kan zich niet verenigen met de zwaarte van de opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling in de registers voor de duur van drie maanden. Appellant voert aan dat de accountantskamer in rechtsoverweging 4.6 ten onrechte heeft overwogen, dan wel gesuggereerd, dat hij met het gewraakte handelen uitsluitend zichzelf heeft willen bevoordelen. De accountantskamer geeft hier een te beperkte invulling aan hetgeen appellant voor ogen stond toen hij de gewraakte handelingen verrichtte. Zoals appellant ook ter zitting bij de accountantskamer heeft verklaard dacht hij daarbij onder meer aan de verantwoordelijkheid voor zijn kantoor in de situatie van een inspectie, een achterliggende strafzaak, negen personeelsleden en zorg voor de klanten van het kantoor. Naar de mening van appellant is dit ruimere oogmerk een omstandigheid die de accountantskamer ten onrechte niet heeft betrokken bij het bepalen van de zwaarte van de maatregel. Daarnaast is appellant van mening dat de accountantskamer bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel de volgende door hem aangevoerde omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen:

- Appellant stond door het strafrechtelijk onderzoek onder een zeer grote druk.
- Het dossier [naam 4] is tijdens de toetsing ter sprake gekomen terwijl de kwestie met betrekking tot [naam 4] daarin niet zou worden betrokken.
- Beide toetsers hebben appellant het gevoel gegeven te twijfelen aan de juistheid van zijn antwoorden.
- [naam 6] heeft appellant aan het einde van de eerste toetsingsdag onvoldoende tijd gegeven om zijn aantekeningen ten aanzien van ontbrekende documenten terug te vinden.
- De wijze waarop appellant heeft gehandeld, nadat de toetsers aangaven dat er mogelijk stukken aan het dossier waren toegevoegd, tot aan de uitschrijving als accountant uit het accountantsregister.
Tot slot voert appellant aan dat hij het onbegrijpelijk vindt dat hij een schorsing van drie maanden opgelegd krijgt, terwijl de accountantskamer drie maanden later slechts een berisping oplegt aan een accountant die ten behoeve van een aangekondigd boekenonderzoek van de Belastingdienst factuurspecificaties heeft aangepast met als doel om de werkelijke werkzaamheden van het kantoor ten behoeve van de cliënt verborgen te houden voor de fiscus (zie de uitspraak van 17 september 2018, ECLI:NL:TACAKN:2018:66).

5.2

Nba onderschrijft de maatregel die de accountantskamer heeft opgelegd. De door appellant naar voren gebrachte omstandigheden doen volgens Nba niet af aan de ernst van zijn handelen en rechtvaardigen de handelwijze van appellant niet. Voor appellant had volstrekt duidelijk moeten zijn dat zijn handelwijze niet toelaatbaar was. Toetsingen moeten vanuit onderling vertrouwen tussen toetser en accountant kunnen worden uitgevoerd. Door dit vertrouwen op deze ernstige wijze te schenden heeft appellant in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen van professionaliteit en integriteit.

6.1

Het College overweegt dat bij de bepaling van de strafmaat eerst en vooral rekening wordt gehouden met de aard en ernst van de tuchtrechtelijk laakbare gedragingen. Vervolgens kan ook betekenis worden toegekend aan, onder meer, de omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden.

6.2

Het College acht de handelwijze die heeft geleid tot schending van het fundamentele beginselen van professionaliteit en integriteit ernstig. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant door het onderzoek van Nba te frustreren en de uitkomst daarvan door manipulaties in het controle dossier ten voordele van zich zelf te beïnvloeden willens en wetens het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht. Naar het oordeel van het College is de door de accountantskamer op grond deze verwijten opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling in de registers voor de duur van drie maanden passend en geboden te achten. Hierbij houdt het College, evenals de accountantskamer, rekening met het feit dat appellant niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en de werkzaamheden, welke door hem achteraf en geantedateerd in zijn controledossier gerelateerd werden, op zich wel had verricht. Het College neemt verder nog in aanmerking dat appellant vrij snel (bij e-mail van 26 augustus 2016) excuses heeft gemaakt voor deze naar aanleiding van de toetsing ontstane situatie.

6.3

De stelling van appellant dat de accountantskamer in rechtsoverweging 4.6 ten onrechte heeft overwogen c.q. gesuggereerd dat hij met het gewraakte handelen uitsluitend zichzelf heeft willen bevoordelen, berust op een onjuiste lezing van de bestreden tuchtuitspraak. De accountantskamer heeft immers niet overwogen dat appellant uitsluitend ten voordele van zichzelf heeft gehandeld. Dat appellant in ieder geval mede ten voordele van zichzelf de uitkomst van de toetsing heeft willen beïnvloeden, zoals de accountantskamer heeft overwogen, wordt door appellant niet betwist. Daarbij komt dat het ging om een kwaliteitstoetsing van een accountantskantoor waar appellant eigenaar van was, zodat niet aannemelijk is dat hij bij het gewraakte handelen louter belangen van derden voor ogen had.

6.4

In de door appellant overige aangevoerde omstandigheden, zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.1, ziet het College, nog daargelaten of de aan genoemde omstandigheden ten grondslag liggende stellingen juist zijn, geen aanleiding een minder zware maatregel op te leggen. Deze omstandigheden kunnen niet afdoen aan de ernst en mate van verwijtbaarheid van de door de accountantskamer vastgestelde schendingen door appellant van de fundamentele beginselen van professionaliteit en integriteit. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat appellant zijn accountantskantoor per 1 oktober 2017 heeft verkocht, zich heeft teruggetrokken uit de audit- en samenstelpraktijk en zich per 1 september 2018 heeft laten uitschrijven als accountant. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de accountantskamer van 17 september 2018 kan appellant niet baten. Deze uitspraak betreft geen vergelijkbare zaak, omdat in die tuchtrechtelijke procedure de opgelegde maatregel niet zag op gedragingen in het kader van een periodieke toetsing. Bovendien was de accountant in die zaak – anders dan appellant – reeds strafrechtelijk veroordeeld voor de tuchtrechtelijk verweten gedraging, welke omstandigheid mede leidde tot een matiging van de maatregel.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. S.C. Stuldreher en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. A. El Markai