Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:171

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
18/1312 em 18/1313
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zowel de oorspronkelijk klagers als de accountant hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de accountantskamer. Het hoger beroep van de oorspronkelijk klagers is ongegrond. Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat de klacht op verschillende punten onvoldoende is onderbouwd. Het hoger beroep van de accountant slaagt gedeeltelijk. De accountantskamer is deels buiten de klacht getreden. De schending van het beginsel van objectiviteit blijft echter in stand. Dat geldt ook voor de door de accountantskamer opgelegde maatregel van berisping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 18/1312 en 18/1313


uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2019 op de hoger beroepen van:

[naam 1] AA, gevestigd te [plaats 1] , appellant 1 ( [naam 1] )

(gemachtigde: mr. W.K. van den Berg),

en

Aquapro B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante 2 (Aquapro) en

[naam 2] , te [plaats 2] , appellant 3 ( [naam 2] )

(gemachtigde: mr. C.M.H. van Vliet)


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 8 juni 2018, gegeven op een klacht, door Aquapro en [naam 2] ingediend tegen [naam 1]


Procesverloop in hoger beroep

Appellanten 1 tot en met 3 hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 8 juni 2018, met nummer 16/2455 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:39).

Appellanten 1 tot en met 3 hebben een schriftelijke reactie op elkaars hogerberoepschriften gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen [naam 2] en zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 1] is sinds 14 juni 1999 als accountant-administratieconsulent ingeschreven in het accountantsregister van thans de Nba. [naam 1] is verbonden aan [naam 9] te [plaats 1] .

1.3

Tot 19 december 2014 was Ricon B.V. (Ricon) enig aandeelhouder in het kapitaal van Riako Compressoren B.V. (hierna: Riako). [naam 4] ( [naam 4] ) is bestuurder en enig aandeelhouder in het kapitaal van Ricon. Riako was (tot haar faillissement op 15 maart 2016) een onderneming die zich bezig hield met de handel in en het uitvoeren van reparaties aan compressoren.

1.4

[naam 1] was sinds 2012 accountant van Riako, [naam 4] en Ricon.

1.5

De activiteiten van Riako vonden tot 24 december 2014 plaats in een andere vennootschap, genaamd Riako Kompressoren B.V., waarvan de aandelen werden gehouden door Riako Holding B.V. Aandeelhouders van Riako Holding B.V. waren destijds Ricon en twee anderen. Onderdeel van reorganisatieplannen eind 2014 was dat Riako (dochteronderneming van Ricon) de activiteiten van Riako Kompressoren B.V. zou voortzetten.

1.6

Aquapro, waarvan [naam 2] statutair directeur en aandeelhouder is, heeft op 19 december 2014 75% van de aandelen Riako gekocht van [naam 4] en Ricon. De overnamegesprekken tussen Aquapro, [naam 4] en Ricon die tot de koopovereenkomst hebben geleid, zijn gevoerd in de periode tussen 11 december 2014 en 19 december 2014. Op 11 december 2014 heeft [naam 2] [naam 4] voor de eerste maal ontmoet. Op 12 en op 14 december 2014 heeft er overleg plaatsgevonden in verband met de hiervoor vermelde koop. Daarbij zijn in ieder geval [naam 1] en [naam 2] aanwezig geweest.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

Aan de klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, liggen de volgende verwijten ten grondslag:

a. [naam 1] is betrokken geweest bij het opmaken en verstrekken van onjuiste, onvolledige en/of misleidende informatie aan Aquapro en [naam 2] op 11 december 2014 in het kader van de overname van Riako;

b. [naam 1] heeft onjuiste balansen van Riako opgesteld en op 11 december 2014 aan Aquapro en [naam 2] verstrekt;

c. [naam 1] heeft financiële belangen gehad bij of in Ricon, Riako en [naam 4] , en hij heeft daardoor persoonlijk voordeel gehad bij de resultaatontwikkeling en continuïteit van Ricon en/of Riako;

d. [naam 1] heeft [naam 4] op 14 juli 2014 geïnstrueerd om de jaarrekening 2011 van Riako te deponeren en te antedateren op 31 januari 2013;

e. [naam 1] heeft op 17 december 2014 ten onrechte aan een schuldeiser meegedeeld dat er niets zou worden afgelost op de bankschulden; voorts heeft [naam 1] een koopovereenkomst gestuurd aan ABN Amro en heeft hij ten onrechte geen actie ondernomen nadat hij had geconstateerd dat een handtekening op die koopovereenkomst was vervalst;

f. [naam 1] heeft fraudesignalen genegeerd; hij is zelfs op de hoogte geweest van fraude bij Riako en;

g. [naam 1] heeft de samenstellingswerkzaamheden niet (goed) uitgevoerd en is onvoldoende zorgvuldig en kritisch geweest.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ten aanzien van de klachtonderdelen a, b en c (deels) gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Aan [naam 1] is de maatregel van berisping opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Het College stelt vast dat het hoger beroep van Aquapro en [naam 2] is gericht tegen de (gedeeltelijke) ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a, b en d tot en met g. Het hoger beroep van [naam 1] is gericht tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de klachtonderdelen a, b en c.

3.2

Het College stelt voorop dat het in de klacht aan [naam 1] verweten handelen zich zou hebben voorgedaan in de periode rondom de aankoop van de aandelen door Aquapro en [naam 2] in december 2014. Voor zover Aquapro en [naam 2] in hoger beroep hebben verwezen naar stukken die zijn gedateerd na die periode, gaat het College er vanuit dat zij daarmee het betoog onderbouwen dat [naam 1] gedurende voornoemde periode verwijtbaar heeft gehandeld.

Hoger beroep Aquapro en [naam 2]
4.1 In de eerste grief voeren Aquapro en [naam 2] allereerst aan dat de accountantskamer de klachtonderdelen a en b volstrekt onjuist heeft samengevat. Uit de klacht en de verklaring ter zitting bij de accountantskamer blijkt duidelijk dat niet wordt geklaagd over het door [naam 1] verstrekken van stukken (op 11 december 2014). De klacht ziet op de verantwoordelijkheid van [naam 1] voor de inhoud en de samenstelling van de verkoopdocumentatie, en op het gegeven dat [naam 1] geen afstand heeft gedaan van onjuistheden in die documentatie.

4.2

Volgens [naam 1] is de formulering van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel a correct. Dat geldt ook ten aanzien van klachtonderdeel b, zij het dat het naast de balans van 11 december 2014 ook gaat om de balans van 14 december 2014.

4.3

Het College is van oordeel dat uit de klacht niet duidelijk blijkt dat deze niet mede betrekking heeft op het verstrekken van stukken door [naam 1] aan Aquapro en [naam 2] . In onder meer de samenvattingen van klachtonderdelen a en b, op de pagina’s 6 en 15 van de klacht, staat vermeld dat het mede gaat om betrokkenheid van [naam 1] bij het verstrekken van informatie door [naam 1] aan Aquapro en [naam 2] . De accountantskamer heeft hier dan ook terecht een oordeel over gegeven. Aangezien Aquapro en [naam 2] in hoger beroep echter uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat de klacht niet (langer) ziet op het verstrekken van stukken door [naam 1] aan Aquapro en [naam 2] , zal het College dat aspect niet bij zijn beoordeling betrekken. Verder heeft [naam 1] terecht opgemerkt dat het in klachtonderdeel b ook gaat om vermeende onjuistheden in de balans van 14 december 2014. In de samenvatting van de klachtonderdelen heeft de accountantskamer ten onrechte niet expliciet de balans van 14 december 2014 genoemd. Voor zover van belang zal het College de balans van 14 december 2014 bij zijn oordeel betrekken.

4.4

In het kader van de eerste grief voeren Aquapro en [naam 2] verder aan dat de accountantskamer de klachtonderdelen a en b ten onrechte gezamenlijk heeft beoordeeld. Beide klachtonderdelen zien op van elkaar te onderscheiden gegevens, stukken en gedragingen. De accountantskamer is niet ingegaan op de afzonderlijke klachtonderdelen. Verder hebben Aquapro en [naam 2] zich in klachtonderdeel b onder meer beklaagd over het geven van verkeerde voorlichting door [naam 1] over gelegde beslagen (punt 63 van de klacht en bijlagen 34 en 35). [naam 1] heeft een deel van een e-mail van de Belastingdienst ten aanzien van deze beslagen verwijderd voordat hij deze toestuurde aan Aquapro en [naam 2] . Op dit onderdeel is de accountantskamer ten onrechte niet ingegaan, aldus Aquapro en [naam 2] .

4.5

Het College volgt Aquapro en [naam 2] niet in hun standpunt. Er is geen rechtsregel die er aan in de weg staat om klachtonderdelen samen te beoordelen. Verder is het College van oordeel dat de accountantskamer wel op de afzonderlijke klachtonderdelen in is gegaan. In beide klachtonderdelen gaat het over onjuistheden in stukken en de rol die [naam 1] daarbij speelde. In punt 4.5 van de bestreden uitspraak oordeelt de accountantskamer ten aanzien van al die stukken a) dat Aquapro en [naam 2] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke rol [naam 1] bij het opstellen van die stukken heeft gehad en b) onvoldoende concreet hebben aangevoerd waar de gestelde onjuistheden in de stukken op zagen. Ten aanzien van de balansen en prognoses is weliswaar niet in geschil dat [naam 1] deze heeft opgesteld, maar dat betekent naar het oordeel van het College op zich zelf nog niet dat duidelijk is welke invloed [naam 1] heeft gehad op de inhoud daarvan. In dit licht begrijpt het College het oordeel van de accountantskamer zo dat Aquapro en [naam 2] het verwijtbare gedrag van [naam 1] bij het opstellen van balansen en prognoses onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt, gelet op het verweer van [naam 1] dat hij de van [naam 4] ontvangen gegevens in de balansen heeft verwerkt, maar deze gegevens niet heeft beoordeeld. Verder overweegt het College dat het argument over de gelegde beslagen (in punt 63 van de klacht) in de klacht is geschaard onder het kopje dat ziet op de balanspost ‘overige schulden’. Het argument maakt aldus onderdeel uit van het onderwerp van de balansen en daarover heeft de accountantskamer een oordeel gegeven in punt 4.5 van de bestreden uitspraak. De grief slaagt niet.

4.6

Voorts hebben Aquapro en [naam 2] in hun eerste grief aangevoerd dat zij, anders dan de accountantskamer oordeelt, wel duidelijk hebben gemaakt wat de rol van [naam 1] was bij het opstellen van de stukken. De balansen heeft [naam 1] als accountant van Riako in ieder geval opgesteld. Ten aanzien van de overige stukken is de betrokkenheid van [naam 1] per stuk uitvoerig aangetoond, onder overlegging van bewijsstukken. Bovendien wordt reeds in de klacht per stuk aangegeven (en onder verwijzing naar bijlagen) op welke punten deze onjuistheden bevatten. Aldus is het oordeel van de accountantskamer dat Aquapro en [naam 2] onvoldoende concreet hebben aangevoerd waar de onjuistheden op zagen onbegrijpelijk. Bij de uiteenzetting van deze grief hebben Aquapro en [naam 2] ten aanzien van verschillende aspecten van het turnaroundplan (executive summary, nevenvestiging, organogram, liquiditeitsprognose, prognose en cijfers, resultatenrekening, Tata steel) en ten aanzien van de posten materiële vaste activa en voorraad en onderhanden werk op de balansen nogmaals uiteengezet welke onjuistheden daar volgens hen in zaten en wat de rol van [naam 1] daarbij is geweest.

4.7

[naam 1] voert aan dat het betoog van Aquapro en [naam 2] een herhaling betreft van de argumenten in eerste aanleg. Daarmee kan in hoger beroep niet worden volstaan. [naam 1] betwist verder dat hij het turnaroundplan van december 2014, de beginbalans per ultimo november 2014 en de prognoses voor december 2014 en het boekjaar 2015 heeft opgesteld en dat hij deze stukken met Aquapro en [naam 2] heeft besproken op 14 december 2014. Het turnaroundplan is opgesteld door [naam 6] en [naam 7] . [naam 1] functioneerde als doorgeefluik. [naam 6] en [naam 7] zijn ook degenen die overleg hebben gevoerd met de banken. De balansen en prognoses zijn opgesteld op basis van de administratie van Riako. De rol van [naam 1] was beperkt tot het omzetten van de informatie in een door de banken gehanteerd format. Hij heeft de informatie niet beoordeeld. [naam 1] betwist ook dat hij Aquapro en [naam 2] onjuist zou hebben voorgelicht over gelegde beslagen. Aquapro en [naam 2] zijn daar gewoon over geïnformeerd.

4.8

Het College volgt de accountantskamer in het oordeel dat Aquapro en [naam 2] onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke rol [naam 1] heeft gehad bij het opstellen van de betreffende stukken. Aquapro en [naam 2] hebben weliswaar verwezen naar een groot aantal bijlagen, maar naar het oordeel van het College hebben Aquapro en [naam 2] ten aanzien van geen van deze stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 1] daarvoor inhoudelijk de verantwoordelijkheid draagt. Dat [naam 1] niet de opsteller is van het turnaroundplan staat vast. Het turnaroundplan is opgesteld door [naam 6] en [naam 7] . In zijn e-mail van 3 december 2014 heeft [naam 1] ten aanzien van de executive summary (dat onderdeel uitmaakt van het turnaroundplan) weliswaar opgemerkt: ‘Eerste stuk moet anders. Te negatief.’, maar dat gegeven is onvoldoende om aan te nemen dat [naam 1] verantwoordelijk dient te worden gehouden voor de inhoud van de executive summary, dan wel het turnaroundplan. De balansen en prognoses heeft [naam 1] wel opgesteld, maar dat heeft hij naar zijn zeggen gedaan op basis van gegevens die hij van de onderneming ontving. Hij heeft die gegevens niet gecontroleerd. Dat de opdracht van [naam 1] meer behelsde dan het verrichten van samenstellingswerkzaamheden, is niet gebleken. Het College heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de rol van [naam 1] uitgebreider was dan hij heeft verklaard, dan wel dat hij wist van onjuistheden waar hij zich bewust niet van heeft gedistantieerd. De eerste grief slaagt niet.

5.1

In de tweede grief voeren Aquapro en [naam 2] ten aanzien van klachtonderdeel d aan dat de accountantskamer het in dit verwijt gemaakte punt mist. [naam 1] heeft een cliënt geadviseerd om te antedateren. Of er nu feitelijk wel of niet is geantedateerd doet niets af aan het tuchtrechtelijk verwijt dat wordt gemaakt. Aquapro en [naam 2] hebben dit klachtonderdeel onderbouwd en toegelicht bij het pleidooi in eerste aanleg (randnummer 62) en met bijlage 80.

5.2

Het College is van oordeel dat Aquapro en [naam 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 1] zijn cliënt heeft geadviseerd om te antedateren. Volgens [naam 1] heeft er op 31 januari 2013 een vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden, waarbij de jaarrekening is vastgesteld. In zijn e-mail van 14 juli 2014 heeft [naam 1] zijn cliënt om die reden geadviseerd om de jaarrekening 2011 te dateren op 31 januari 2013. Dat er op 31 januari 2013 geen vergadering van aandeelhouders heeft plaatsgevonden waarin de jaarrekening 2011 is vastgesteld, zoals Aquapro en [naam 2] stellen en [naam 1] betwist, is door Aquapro en [naam 2] niet onderbouwd. Voor zover Aquapro en [naam 2] hun standpunt hebben onderbouwd door te verwijzen naar productie 80 van de aanvullende producties, overweegt het College dat die productie ziet op het jaar 2012 en niet op het jaar 2011. De productie betreft dus geen onderbouwing van het standpunt van Aquapro en [naam 2] dat [naam 1] in de betreffende e-mail zijn cliënt heeft geadviseerd om te antedateren. De grief slaagt niet.

6.1

In de derde grief voeren Aquapro en [naam 2] ten aanzien van klachtonderdeel e aan dat het oordeel van de accountantskamer onbegrijpelijk is, gelet op alle overgelegde bijlagen. Onomstotelijk staat vast dat [naam 1] wél wist dat de handtekening vals was. Productie 83 waarnaar in het pleidooi in eerste aanleg (randnummer 69) is verwezen, is daarvoor afdoende bewijs, aangezien daaruit blijkt dat [naam 1] op 10 juni 2014 wist dat [naam 8] deze handtekening niet had gezet.

6.2

[naam 1] heeft naar voren gebracht dat hij op 7 mei 2014 een overeenkomst tussen [naam 4] en [naam 8] aan ABN Amro heeft gestuurd. Een aantal maanden later hoorde [naam 1] van ABN Amro dat [naam 8] betwistte dat hij de overeenkomst heeft ondertekend. [naam 1] heeft deze mededeling voorgelegd aan [naam 4] bij mail van 10 juni 2014. [naam 4] verzekerde hem vervolgens dat [naam 8] wel had getekend en dat de kwestie in onderling overleg was opgelost. Er was geen reden om nadere actie te ondernemen, aldus [naam 1] .

6.3

Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer in punt 4.16 van de bestreden uitspraak dat Aquapro en [naam 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 1] wist dat een handtekening was vervalst. De grief slaagt niet.

7.1

In grief vier, die betrekking heeft op klachtonderdeel f, voeren Aquapro en [naam 2] aan dat zij hun stellingen, anders dan de accountantskamer oordeelt, wel voldoende hebben onderbouwd. De klacht behelst veel meer dan hetgeen waarover de accountantskamer een oordeel geeft. Het meermalen crediteren en debiteren van grote facturen, waaronder een factuur van Tata Steel en in verband hiermee het omzetten in een leaseconstructie, staat vast . Verder heeft [naam 1] alle fraudesignalen ten aanzien van de waardering van voorraden en het onderhanden werk genegeerd en geen nader onderzoek gedaan. Aquapro en [naam 2] hebben hun standpunt uitgebreid onderbouwd en verwezen naar diverse onderzoeken en andere stukken, waaronder getuigenverklaringen. Dat de door een notaris opgemaakte verklaringen niet zijn ondertekend betreft geen onvolkomenheid, aangezien de inhoud ervan door de notaris is geverifieerd.

7.2

Voor de conclusie dat [naam 1] fraudesignalen bewust zou hebben genegeerd, ziet het College onvoldoende aanknopingspunten. Anders dan Aquapro en [naam 2] stellen, staat het meerdere malen crediteren en debiteren van grote facturen, waaronder een factuur van Tata Steel, niet vast. Ook staat niet vast dat [naam 1] fraudesignalen heeft genegeerd ten aanzien van de posten voorraden en onderhanden werk. Net als de accountantskamer is het College van oordeel dat de vele feiten die Aquapro en [naam 2] hebben gepresenteerd, onvoldoende concreet maken dat sprake was van fraudesignalen, laat staan dat [naam 1] daarvan op de hoogte was. Aan de in eerste aanleg overgelegde getuigenverklaringen heeft de accountantskamer terecht niet veel waarde gehecht, aangezien deze verklaringen niet zijn ondertekend, terwijl [naam 1] de inhoud ervan heeft betwist. Hetgeen Aquapro en [naam 2] hebben opgemerkt over de notariële verklaringen treft geen doel. Met de inhoud van de notariële verklaringen in het dossier, die overigens zijn overgelegd als onderbouwing van de klachtonderdelen a en b, is hetgeen in klachtonderdeel f is gesteld niet aannemelijk gemaakt. De verklaringen in het dossier die (onder meer) zien op de waardering van voorraden en het onderhanden werk, zijn geen notariële verklaringen en zijn evenmin ondertekend. In hoger beroep hebben Aquapro en [naam 2] hun standpunt niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van alsnog ondertekende verklaringen. Het klachtonderdeel is aldus onvoldoende onderbouwd. De grief slaagt niet.

8.1

Ten aanzien van klachtonderdeel g voeren Aquapro en [naam 2] met grief vijf aan de accountantskamer heeft miskend dat het in dit klachtonderdeel gaat om alle feiten en documenten die in de voorgaande klachtonderdelen zijn besproken en die een invloed hebben gehad op het vermogen en het resultaat van Riako. Al deze elementen zijn verwerkt in de jaarrekening. De kern van de klacht is dus dat de jaarrekening is samengesteld uit feiten die niet juist zijn en waarvan [naam 1] op de hoogte was. De richtlijnen zoals neergelegd in de Standaard 4410 waren op deze werkzaamheden van toepassing. Derden mogen er van uitgaan dat de informatie een getrouw beeld geeft van het vermogen, het resultaat en de solvabiliteit en liquiditeit van de onderneming. Het is juist dat een accountant in principe uit mag gaan van de juistheid van de aangeleverde informatie, maar dat is anders indien er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de verkregen informatie.

8.2

Het College stelt vast dat Aquapro en [naam 2] in hoger beroep nog steeds niet hebben benoemd over welke jaarrekening het in dit klachtonderdeel gaat. Reeds om die reden faalt deze grief. Bovendien heeft de accountantskamer terecht geoordeeld dat dit klachtonderdeel zelfstandige betekenis mist. Alle genoemde aspecten zijn bij de beoordeling van de eerdere klachtonderdelen aan bod gekomen. De grief slaagt niet.

9. Het hoger beroep van Aquapro en [naam 2] is ongegrond.

Hoger beroep [naam 1]

10.1

voert in zijn eerste grief aan dat de accountantskamer met zijn oordeel in punt 4.6 van de bestreden uitspraak buiten de klacht is getreden. In de klacht wordt niet gerept over onduidelijkheden over de rol van [naam 1] , dan wel dat [naam 1] Aquapro en [naam 2] had moeten adviseren een eigen accountant in te schakelen. Ook in het pleidooi van Aquapro en [naam 2] ter zitting bij de accountantskamer is dit niet naar voren gekomen. Het verwijt komt dus geheel uit de koker van de accountantskamer, hetgeen ook blijkt uit de ter zitting door de accountantskamer gestelde vragen. De accountantskamer is hiermee op ongeoorloofde wijze buiten de klacht getreden.

10.2

Volgens Aquapro en [naam 2] is de accountantskamer niet buiten de klacht getreden. [naam 1] heeft meermalen in zijn verweer in eerste aanleg betoogd dat zijn rol zeer beperkt was en dat Aquapro zelf maar onderzoek had moeten doen. De accountantskamer heeft dat verweer beoordeeld en is daarbij niet buiten de klacht getreden. Dat [naam 1] zich overvallen zou hebben gevoeld door de vragen van de accountantskamer is dan ook volstrekt onjuist. Door op deze wijze verweer te voeren heeft hij deze punten aan het oordeel van de accountantskamer voorgelegd. [naam 1] laat erg veel onduidelijkheid bestaan over wat zijn rol op welk moment nu precies was. Bij Aquapro en [naam 2] bestond daarover echter geen onduidelijkheid. [naam 1] is geïntroduceerd als accountant, heeft zich zo gedragen en presenteerde zich zo. Pas na het indienen van de klacht stelt hij zich op het standpunt dat hij op enig moment slechts als adviseur optrad. Aquapro en [naam 2] mochten er dan ook op vertrouwen dat [naam 1] optrad als accountant en zich aan de geldende beroepsregels zou houden.

10.3

Volgens vaste rechtspraak van het College bepaalt de klacht de grenzen van het geschil. Het is de accountantskamer niet toegestaan om in haar uitspraak omstandigheden te betrekken die niet door de klager ten grondslag zijn gelegd aan de klacht. Het College is van oordeel dat de accountantskamer ten aanzien van deze klachtonderdelen inderdaad, zoals door [naam 1] wordt betoogd, buiten de klacht is getreden. De klachtonderdelen a en b zien op onjuistheden in stukken en de rol die [naam 1] daarbij speelde. Anders dan de accountantskamer, leest het College in de klacht niet terug dat [naam 1] onduidelijk zou zijn geweest over zijn rol en dat hij Aquapro en [naam 2] niet zou hebben gewezen op de eigen onderzoeksplicht. Uit het verweerschrift in eerste aanleg en het proces-verbaal van de zitting bij de accountantskamer, leidt het College wel af dat er naar aanleiding van het gevoerde verweer een discussie is ontstaan over de vraag of [naam 1] duidelijk was over zijn rol en of hij Aquapro en [naam 2] heeft gewezen op hun onderzoeksplicht. Die discussie betekent echter niet dat deze elementen liggen besloten in de klacht (zoals bijvoorbeeld wel het geval was ten aanzien van de betreffende klacht in de uitspraak van het College van 21 december 2017, ECLI:NL:CBB:2017:504). Voor zover de accountantskamer in punt 4.6 van de bestreden uitspraak de klachtonderdelen a en b inhoudelijk heeft beoordeeld en (gedeeltelijk) gegrond heeft verklaard, is dat ten onrechte. Deze grief slaagt.

10.4

Gelet op het voorgaande, kunnen de argumenten van [naam 1] tegen de inhoudelijke overwegingen van de accountantskamer in punt 4.6 van de bestreden uitspraak onbesproken blijven.

11.1

Als tweede grief voert [naam 1] aan dat de accountantskamer met betrekking tot klachtonderdeel c ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het beginsel van objectiviteit heeft geschonden. [naam 1] heeft weliswaar vanuit zijn persoonlijke werkmaatschappij een bedrag van € 50.000 aan de Riako-groep geleend, maar dat had een reden. In 2014 heeft [naam 9] een fout gemaakt bij een faillissementsaanvraag van Riako Zuidoost, waardoor het faillissement tegen de verwachting in werd uitgesproken. Riako Zuidoost kwam in acute betalingsproblemen. Om verdere problemen te voorkomen heeft [naam 1] de noodzakelijke betalingen voor zijn rekening genomen. De fout lag immers bij [naam 9] . [naam 1] zag in de verstrekte lening niet direct een bedreiging voor zijn objectiviteit, maar om een potentiële bedreiging voor zijn objectiviteit bij voorbaat te mitigeren, leek het hem verstandig om de accountantswerkzaamheden over te dragen. De overdracht van de werkzaamheden is per e-mail, gericht aan de nieuwe accountant, vastgelegd. [naam 4] is telefonisch op de hoogte gesteld.

Er was ook geen reden waarom [naam 1] [naam 4] en zijn vennootschappen niet langer als adviseur bij kon staan rondom de overname. [naam 1] had geen financieel voordeel bij een verkoop, maar hij wilde [naam 4] ook niet in de kou laten staan op dit cruciale moment. De rol van [naam 1] in de overname was zeer beperkt. Ook de openstaande vorderingen van [naam 9] op [naam 4] vormden, ondanks dat het om een omvangrijke vordering van
in totaal € 99.000,- ging, geen reden om de werkzaamheden voor [naam 4] en zijn vennootschappen te beëindigen. Het betroffen vorderingen op vennootschappen die niets met de overname te maken hadden. De druk vanuit [naam 9] op [naam 1] was bovendien niet bijzonder groot in vergelijking tot andere dossiers en het is vrij gebruikelijk om een klant over dit soort dingen aan te schrijven en te proberen een betalingsregeling overeen te komen.

Het gegeven dat [naam 1] eenmalig en bij hoge uitzondering een toegangskaart voor een bijzondere voetbalwedstrijd aan [naam 4] heeft verkocht, waarover [naam 1] via een kennis de beschikking had gekregen, vormde evenmin een bedreiging voor de objectiviteit. Het ging om een beperkt bedrag, dat was terugbetaald op het moment van de overname.

11.2

Net als de accountantskamer stelt het College voorop dat artikel 21 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) bepaalt dat de accountant omstandigheden moet identificeren en beoordelen die een bedreiging kunnen zijn voor het zich houden aan de fundamentele beginselen. Indien dergelijke omstandigheden zich voordoen, moet een maatregel worden genomen en, als dat niet mogelijk is, moet de opdracht worden geweigerd of beëindigd. Als er een maatregel wordt genomen, moet de accountant de bedreiging, zijn beoordeling daarvan en de maatregel vastleggen in zijn dossier (artikel 21, lid 1 tot en met 3, VGBA).

11.3

Het College is van oordeel dat de accountantskamer in de punten 4.7 tot en met 4.10 van de bestreden uitspraak terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat [naam 1] het fundamentele beginsel van objectiviteit heeft geschonden. Het voor grote bedragen verstrekken van leningen in privé en de daardoor ontstane band tussen [naam 1] en [naam 4] vormden een bedreiging voor het zich houden aan het beginsel van objectiviteit. In de door [naam 1] genoemde reden voor het verstrekken van deze lening, namelijk de gemaakte fout door [naam 9] , ziet het College geen grond hierover anders te oordelen. Onduidelijk is namelijk waarom [naam 1] een lening in privé zou verstrekken, als sprake is van een fout van het kantoor waarvoor hij werkzaam is. [naam 1] heeft deze bedreiging niet onderkend en niet vastgelegd in zijn dossier. Ook het aanzienlijke bedrag aan openstaande vorderingen van [naam 9] op [naam 4] vormde een bedreiging voor het beginsel van objectiviteit. De accountantskamer heeft daarbij terecht gewicht toegekend aan de mailwisseling in het dossier, waaruit blijkt dat [naam 9] druk uitoefende op [naam 1] ten aanzien van deze openstaande vorderingen. Voor zover [naam 1] heeft gesteld dat hij voldoende maatregelen heeft genomen door zijn werkzaamheden over te dragen aan een nieuwe accountant en dit te bevestigen met de e-mail van 2 december 2014, volgt het College hem daarin niet. Het verzenden van deze e-mail kan niet worden aangemerkt als het vastleggen van een (potentiële) bedreiging en de daarvoor genomen maatregel in zijn dossier, zoals bedoeld in artikel 21, derde lid, van de VGBA. De accountantskamer heeft in haar oordeel ook terecht meegewogen dat [naam 1] zijn werkzaamheden voor [naam 4] heeft voortgezet (in de hoedanigheid van adviseur), ondanks de bestaande bedreiging voor het fundamentele beginsel van objectiviteit. Het betoog van [naam 1] in hoger beroep, dat hij voldoende afstand tot [naam 4] bewaarde en om die reden zijn werkzaamheden kon voortzetten, is naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk gemaakt. De grief slaagt niet.

12.1

Als laatste grief voert [naam 1] aan dat de opgelegde maatregel van berisping te zwaar is. Voor zover [naam 1] laakbaar heeft gehandeld door zijn werkzaamheden te blijven uitvoeren voor [naam 4] en zijn vennootschappen, is dat met goede intenties gedaan. [naam 1] heeft de Riako-groep met de privé leningen willen behoeden voor faillissement, [naam 4] willen bijstaan op het belangrijke moment van de overname en, voor zover er een bedreiging was voor zijn objectiviteit, zijn accountantswerkzaamheden beëindigd. Uit niets blijkt dat [naam 1] zich ongepast heeft laten beïnvloeden. De opgelegde maatregel is dan ook te zwaar. Anders dan de accountantskamer oordeelt is de bedreiging wel degelijk vastgelegd. Bovendien is de accountantskamer deels buiten de klacht getreden. Tot slot voert [naam 1] aan dat de accountantskamer ten onrechte heeft laten meewegen dat [naam 1] geen blijk heeft gegeven van inzicht in het verwijtbare karakter van zijn handelen. [naam 1] had het recht verweer te voeren tegen de klacht.

12.2

Het College volgt [naam 1] niet in dit betoog. Dat de accountantskamer de klachtonderdelen a en b ten onrechte (gedeeltelijk) gegrond heeft verklaard (zoals hiervoor overwogen in punt 10.3) doet niet af aan de als ernstig aan te merken schending van het fundamentele beginsel van objectiviteit. [naam 1] heeft de ontstane bedreiging niet onderkend, niet vastgelegd in zijn dossier en is, ondanks de bedreiging, doorgegaan met het verrichten van werkzaamheden voor [naam 4] en zijn vennootschappen. Dat [naam 1] dit met goede intenties heeft gedaan, doet aan het voorgaande niet af. Het College is van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

Slotsom

13. De slotsom is dat het hoger beroep van Aquapro en [naam 2] ongegrond is.

14. Het hoger beroep van [naam 1] is gegrond voor zover het betreft de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b. De uitspraak van de accountantskamer, voor zover in hoger beroep aan de orde, dient te worden vernietigd voor zover het betreft de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b. Het College zal de zaak zelf afdoen en de klachtonderdelen a en b (geheel) ongegrond verklaren. De bestreden tuchtuitspraak zal voor het overige in stand worden gelaten.

15. De beslissing op deze hoger beroepen berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep van Aquapro en [naam 2] ongegrond;

- verklaart het hoger beroep van [naam 1] gegrond voor zover het betreft de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak voor zover het betreft de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b;

- verklaart de klachtonderdelen a en b (geheel) ongegrond;

- laat de bestreden tuchtuitspraak voor het overige in stand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. S.C. Stuldreher en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. L.N. Foppen