Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:116

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
17/1496
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoeringsregeling GLB, weigering uitbetaling basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016. Melding bedrijfsoverdracht. Artikel 8 van Verordening 809/2014 en artikel 4.10 van de Uitvoeringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1496

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

1. Notarispraktijk [naam] B.V. te [plaats] , appellante sub 1

2. Agrarische Onderneming [naam] te [plaats] , appellant sub 2

(gemachtigde: C. Blokland),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. N.M. Brok).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 15 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante sub 1 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op 26 april 2016 heeft appellante sub 1 een Gecombineerde Opgave 2016 bij verweerder ingediend, waarin zij heeft verzocht om uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling. In de Gecombineerde opgave is onder het kopje ‘Relatiegegevens’ bij SBI code hoofdactiviteit 69103 (Notariskantoren) en bij SBI-code nevenactiviteit 64303 (Beleggingsinstellingen met beperkte toetreding) en 0129 (Teelt van overige meerjarige gewassen) ingevuld.

1.2

Op 16 november 2016, door verweerder ontvangen op 24 november 2016, hebben appellanten een melding overdracht agrarisch bedrijf gedaan. Hierbij is gemeld dat appellante sub 1 haar agrarische bedrijf overdraagt aan appellant sub 2. Als datum van de overdracht is 1 januari 2016 ingevuld. Blijkens het bij de melding gevoegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) is het bedrijf van appellant sub 2 op 11 mei 2016 geregistreerd bij de KvK met de activiteiten met SBI-code 0119 (Teelt van overige eenjarige gewassen) en SBI-code 0129 (Teelt van overige meerjarige gewassen).

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 afgewezen. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante sub 1 niet voldoet aan de voorwaarde voor actieve landbouwer. Het bedrijf van appellante sub 1 staat bij de KvK geregistreerd als bedrijf met landbouwactiviteiten als nevenactiviteit. Appellante sub 1 heeft niet met een accountantsverklaring aangetoond dat haar landbouwactiviteiten een belangrijk deel zijn van haar totale economische activiteit.

1.4

In bezwaar heeft appellante sub 1 aangevoerd dat haar landbouwbedrijf, inclusief de betalingsrechten, aan appellant sub 2 is overgedragen. Het bedrijf van appellant sub 2 staat bij de KvK ingeschreven met een agrarische hoofdactiviteit en voldoet derhalve aan alle eisen om als een actieve landbouwer te worden aangemerkt. De betalingsrechten moeten dan ook aan hem worden uitbetaald.

1.5

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante sub 1 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich - voor zover hier van belang - op het standpunt gesteld dat er over het jaar 2016 geen uitbetaling van de betalingsrechten aan appellant sub 2 kan plaatsvinden. De reden daarvan is gelegen in het feit dat de melding overdragen betalingsrechten niet voor 2016 geregistreerd kan worden. Om de melding per 2016 te kunnen registeren moet deze uiterlijk 17 mei 2016 zijn ontvangen (artikel 2.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling). De melding is echter op 24 november 2016 ontvangen. Dat is te laat. Ook is er geen bewijs ingediend waaruit blijkt dat de melding wel tijdig is ingediend. Met betrekking tot de weigering om aan appellante sub 1 rechtstreekse betalingen toe te kennen heeft verweerder zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.

2. Appellanten stellen zich in beroep - kort gezegd - op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen betalingsrechten heeft uitbetaald. Nadat appellante sub 1 op 11 oktober 2016 en 4 november 2016 van verweerder de besluiten op bezwaar met betrekking tot de toewijzing en uitbetaling van betalingsrechten over het jaar 2015 had ontvangen, heeft zij de overdracht van haar onderneming aan appellant sub 2 met terugwerkende kracht per 1 januari 2016 bij verweerder gemeld. Uit het uittreksel van de KvK blijkt dat op 11 mei 2016 is geregistreerd dat de onderneming van appellant sub 2 op 1 januari 2016 is gevestigd. De inschrijfdatum in het handelsregister van de KvK is dus gelegen vóór 17 mei 2016’.

3. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de stelling dat er op 16 november 2016 een melding overdracht aan verweerder is gezonden, appellanten niet kan baten. Appellante sub 1 heeft een aanvraag voor de uitbetaling van betalingsrechten gedaan. Voor toekenning van die uitbetaling dient appellante sub 1 zelf aan de voorwaarden van uitbetaling te voldoen. Appellante sub 1 kon op 15 mei 2016 echter niet aangemerkt worden als actieve landbouwer. Appellant sub 2 kan slechts uitbetaling van betalingsrechten voor het jaar 2016 krijgen indien de melding overdracht vóór 17 mei 2016 bij verweerder zou zijn ontvangen én appellant sub 2 zelf een aanvraag voor uitbetaling van betalingsrechten zou hebben gedaan. Daarbij dient appellant sub 2 aan de voorwaarden voor de uitbetaling van de betalingsrechten te voldoen.

4.1

Artikel 8 van Verordening 809/2014 luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt:

“Overdracht van bedrijven

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a. a) „overdracht van een bedrijf”: de verkoop, verhuring of welke soortgelijke transactie ook van de betrokken productie-eenheden;

b) „cedent”: de begunstigde wiens bedrijf wordt overgedragen aan een andere begunstigde;

c) „overnemer”: de begunstigde aan wie het bedrijf wordt overgedragen.

(…)

3. De door de cedent aangevraagde steun of betaling wordt toegekend aan de overnemer mits:

a. a) de overnemer binnen een door de lidstaten te bepalen termijn de bevoegde autoriteit van de overdracht in kennis stelt en om betaling van de steun en/of bijstand verzoekt;

b) de overnemer alle door de bevoegde autoriteit verlangde bewijzen levert;

c) ten aanzien van het overgedragen bedrijf aan alle voorwaarden voor toekenning van de steun en/of bijstand wordt voldaan.

(…)

5. De lidstaten kunnen, waar dat passend is, besluiten de steun en/of bijstand aan de cedent toe te kennen. In dat geval:

a. a) wordt geen steun of bijstand toegekend aan de overnemer;

b) zorgen de lidstaten voor een overeenkomstige toepassing van de leden 2, 3 en 4.”

4.2

Artikel 4.10 van de Uitvoeringsregeling luidde ten tijde van belang als volgt:

“1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 8, derde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 geschiedt in de periode, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, na de overdracht van een bedrijf, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 809/2014 met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

2. Voor de toepassing van artikel 8, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 wordt als passend aangemerkt de situatie waarin:

a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 8, derde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 niet of na de periode, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, is ontvangen;

b. de persoon wiens bedrijf is overgedragen, voldoet aan alle voorwaarden voor de verstrekking van rechtstreekse betalingen, en

c. de persoon wiens bedrijf is overgedragen alle bewijsstukken heeft overgelegd die de minister nodig acht om de betalingen aan hem toe te kennen.”

4.3

Artikel 4.2, derde lid, van de Uitvoeringsregeling hield ten tijde en voor zover hier van belang - kort gezegd - in dat de verzamelaanvraag in de periode van 1 april tot en met 15 mei wordt ingediend bij de minister.

4.4.

Gelet op hetgeen is bepaald in de Algemene termijnenwet is de uiterste indiening van de verzamelaanvraag voor 2016 bepaald op 17 mei 2016.

5. Het College komt tot de volgende beoordeling.

5.1

Niet in geschil is, en ook voor het College staat vast, dat appellante sub 1 niet als actieve landbouwer kon worden aangemerkt. Appellante sub 1 stond niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit bij de KvK ingeschreven, noch heeft zij met een accountantsverklaring aangetoond dat de landbouwactiviteiten een belangrijk deel uitmaakten van de totale economische activiteiten. Omdat appellante sub 1 niet voldoet aan het vereiste van het zijn van actieve landbouwer kan zij ook niet voor uitbetaling van betalingsrechten in aanmerking komen op grond van artikel 8, vijfde lid, van Verordening 809/2014, gelezen in samenhang met artikel 4.10, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling. Verweerder heeft de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 dan ook terecht afgewezen.

5.2.1

Voor zover appellanten hebben beoogd te stellen dat verweerder, gelet op de Melding overdracht, de door appellante sub 1 aangevraagde uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 aan appellante sub 2 als overnemer had moeten uitbetalen, overweegt het College als volgt.

5.2.2

Voor toekenning van de aangevraagde uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling aan de overnemer, appellant sub 2, moet zijn voldaan aan de in artikel 8 van Verordening 809/2014 gestelde vereisten. Dat is hier niet het geval. Er is namelijk niet voldaan aan artikel 8, derde lid, van Verordening 809/2014, gelezen in samenhang met de artikelen 4.10, eerste lid, en 4.2, derde lid, van de Uitvoeringsregeling. Ingevolge deze bepalingen had de Melding overdracht in de periode van 1 april tot en met 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar moeten plaatsvinden. In het jaar 2016 lag de laatste indieningsdatum in verband met de toepassing van de Algemene termijnenwet op 17 mei 2017. De kennisgeving (de Melding overdracht) is echter pas op 24 november 2016 door verweerder ontvangen. Zoals verweerder terecht heeft gesteld is dat te laat. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellant sub 2 (de overnemer) zelf heeft verzocht om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling of dat appellante sub 1 namens hem heeft verzocht om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling.

5.3

Nu appellanten geen andere grond hebben aangevoerd die tot uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 zou kunnen leiden, komt het College tot de conclusie dat verweerder terecht en op goede gronden de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling heeft afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. L.N. Nijhuis