Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:106

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
18/408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Zaaizaad en Plantgoedwet 2005 (ZPW) Kwekersrecht.

Het College is van oordeel dat verweerder niet bevoegd is een door hem verleend kwekersrecht in te trekken. Uit de artikelen 75 en volgende van de ZPW vloeit voort dat het de civiele rechter is die bevoegd is tot vernietiging van het kwekersrecht, en dat zodanige vernietiging te allen tijde kan worden gevorderd door een belanghebbende dan wel door of namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Met deze bevoegdheid van de civiele rechter is de door verweerder bepleite (impliciete) bevoegdheid van verweerder tot intrekking van een verleend kwekersrecht niet verenigbaar. Indien verweerder zou worden gevolgd in zijn standpunt dat hem, impliciet, de bevoegdheid toekomt tot het intrekken van een verleend kwekersrecht, zou dat meebrengen dat geschillen tussen kwekers over een verleend kwekersrecht via besluitvorming door verweerder aan de bestuursrechter in plaats van aan de civiele rechter zouden kunnen worden voorgelegd. Een kweker zou dan verweerder kunnen verzoeken een aan een ander verleend kwekersrecht in te trekken. Daarmee zou de op de artikelen 75 en 78 van de ZPW berustende bevoegdheid van de civiele rechter naar het oordeel van het College op onaanvaardbare wijze worden doorkruist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/653
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/408

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

Holland Bolroy Markt B.V. te Heiloo, appellante

(gemachtigde: mr. I.N.A. Denninger),

en

de Raad voor plantenrassen, verweerder

(gemachtigden: mr. J.P. Heinrich, mr. A.H.T. van Gijssel en mr. C.J.A. Groenewoud).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder zijn eerdere besluit van 28 november 2014, waarmee hij aan appellante een nationaal kwekersrecht heeft verleend voor het (tulpen)ras met de benaming Strong Strike, ingetrokken.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij het College als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden aan het College.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2018. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor appellante zijn verder nog verschenen [naam 1] en [naam 2] .

Het onderzoek is ter zitting geschorst om [naam 3] B.V. te [plaats] (de rechtsopvolger van [naam 4] V.O.F.) ( [naam 4] ) in de gelegenheid te stellen zich als derde partij te voegen in dit geding. [naam 4] heeft het College desgevraagd schriftelijk bericht dat zij niet als derde partij aan het geding wenst deel te nemen.

Nadat partijen zijn gewezen op hun recht nogmaals ter zitting te worden gehoord en zij binnen de hen daarvoor gestelde termijn niet hebben verklaard dat zij van dat recht gebruik willen maken, heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Op 19 december 2011 is in het internationale cultivar register van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) het ras Strong Energy van [naam 4] geregistreerd.

1.2

Bij besluit van 28 november 2014 (verleningsbesluit) heeft verweerder aan appellante op haar aanvraag kwekersrecht verleend voor het (tulpen)ras Strong Strike. Verweerder heeft dit ras ingeschreven in het Nederlands Rassenregister (rassenregister).

1.3

Op 26 februari 2015 heeft [naam 4] kwekersrecht aangevraagd voor haar (tulpen)ras Strong Energy. Verweerder heeft deze aanvraag in afwachting van de uitkomst van het onderhavige geding aangehouden.

1.4

Verweerder heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (het College begrijpt gelet op artikel 1, aanhef en onder a van de Zaaizaad- en Plantgoedwet (ZPW): de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) op 3 oktober 2017 verzocht hem op grond van artikel 75, tweede lid, van de ZPW een machtiging te verstrekken om namens de minister een vernietigingsprocedure te starten om zo het aan appellante verleende kwekersrecht door de rechter te laten vernietigen. De minister heeft verweerder te kennen gegeven hiertoe niet bereid te zijn.

1.5

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verleningsbesluit ingetrokken en appellante verzocht haar schade te concretiseren zodat verweerder en appellante kunnen komen tot een schaderegeling. Verweerder heeft het kwekersrecht van appellante per 8 februari 2018 uitgeschreven uit het rassenregister.

1.6

Verweerder heeft aan de intrekking van het verleningsbesluit het volgende ten grondslag gelegd. Het ras Strong Energy was op 19 december 2011 en dus voorafgaand aan de aanvraag van appellante tot het verlenen van kwekersrecht voor haar tulpenras Strong Strike al geregistreerd in het register van de KAVB. Het ras Strong Energy behoorde volgens verweerder daarom toen al tot de algemeen bekende rassen als bedoeld in artikel 49, vierde lid, van de ZPW. Het ras Strong Strike van appellante is volgens verweerder niet duidelijk te onderscheiden van het referentieras Strong Energy, als bedoeld in artikel 49, eerste en vierde lid, van de ZPW. Dat heeft verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van appellante tot het verlenen van kwekersrecht voor haar tulpenras Strong Strike niet onderkend, omdat hij toen abusievelijk het ras van appellante niet heeft vergeleken met het referentieras. Als hij die vergelijking destijds wel had gemaakt, had hij op de aanvraag van appellante afwijzend beslist. Het kwekersrecht is daarom volgens verweerder ten onrechte aan appellante verleend.

2.1

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is het aan haar verleende kwekersrecht in te trekken. Artikel 75 van de ZPW sluit volgens haar uit dat verweerder een verleend kwekersrecht kan intrekken. Verder stelt zij dat het vertrouwens-beginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel aan intrekking van het aan haar verleende kwekersrecht in de weg staan. Van kennelijke onjuistheid van de verlening van het kwekersrecht aan appellante is geen sprake, aldus appellante.

2.2.1

Verweerder heeft in beroep gesteld dat hij (eind)verantwoordelijk is voor een correcte registratie van kwekersrechten in het rassenregister. Verweerder acht zich er daarom voor verantwoordelijk dat de door hem gemaakte fout wordt hersteld en de gevolgen van het ten onrechte aan appellante verleende kwekersrecht ongedaan worden gemaakt. Daarom heeft hij bij het bestreden besluit het aan appellante verleende kwekersrecht ambtshalve ingetrokken. Dat hij bij de beoordeling van de aanvraag van appellante een referentieras heeft gemist is volgens hem een kennelijke fout die niet gepasseerd kan worden.

2.2.2

Verweerder acht zich, naar deze ter zitting heeft toegelicht, bevoegd de aanvraag van appellante alsnog af te wijzen door het besluit waarmee hij aan appellante kwekersrecht heeft verleend in te trekken. Volgens verweerder geldt ingevolge vaste rechtspraak dat zijn bevoegdheid tot het verlenen van kwekersrecht, als vermeld in artikel 56, eerste lid, van de ZPW, tevens de bevoegdheid impliceert om, als in dit geding aan de orde, een kennelijk onjuist verleningsbesluit in te trekken (impliciete intrekkingsbevoegdheid).

2.2.3

Volgens verweerder zijn bij het bestreden besluit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen. Het bestreden besluit is zorgvuldig voorbereid. Wat betreft het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging geldt volgens verweerder dat het publieke belang van een correcte registratie van kwekersrechten in het rassenregister zwaarder moet wegen dan het belang van appellante bij het behoud van haar kwekersrecht, zeker nu hij heeft aangeboden de eventuele schade van appellante aan haar te vergoeden. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel is volgens verweerder evenmin sprake. Appellante kon gelet op artikel 75 van de ZPW rekening ermee houden dat, als achteraf zou komen vast te staan dat het kwekersrecht ten onrechte is verleend, zij het kwekersrecht zou verliezen. Het feit dat de vergissing van verweerder voor appellante niet kenbaar was, maakt dat niet anders. Ook van strijd met het legaliteitsbeginsel is volgens verweerder geen sprake. Omdat de aanleiding tot intrekking is gelegen in het terugdraaien van een kennelijk onjuist gebruik van een verleningsbevoegdheid, vormt het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke grondslag volgens verweerder dan ook geen obstakel om hier het bestaan van een bevoegdheid tot intrekking aan te nemen.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1

In dit geding is de vraag aan de orde of, als gesteld door verweerder en betwist door appellante, verweerder bevoegd was om met het bestreden besluit het aan appellante verleende kwekersrecht in te trekken.

3.2.1

In dit geding zijn de volgende bepalingen uit de ZPW van belang:

“Artikel 56

1 De Raad (Raad voor plantenrassen, College) beslist op een aanvraag tot verlening van kwekersrecht en stelt overeenkomstig hoofdstuk 4 de karakteriserende beschrijving en de benaming van het ras vast.

2 Bij de inschrijving van het ras in het rassenregister wordt gelijktijdig aantekening gedaan van de verlening van het kwekersrecht.

3 Het kwekersrecht verkrijgt als dagtekening en begint te werken de dag, onmiddellijk volgend op die waarop de in het vorige lid bedoelde inschrijving en aantekening in het rassenregister is gedaan.

(...)

Artikel 75

1 Een kwekersrecht wordt door de rechter vernietigd:

(...)

b. indien blijkt dat het ras op het tijdstip van verlening van het kwekersrecht niet onderscheidbaar was als bedoeld in artikel 49, vierde lid;

(...)

2 De vernietiging kan te allen tijde door iedere belanghebbende en door of namens Onze Minister worden gevorderd.

3 De dagvaarding wordt op verzoek van de eiser in het rassenregister ingeschreven.

4 Vernietiging van een kwekersrecht ontneemt aan het kwekersrecht en aan de rechten, die daaruit zijn afgeleid, alle verdere rechtsgevolgen.

(...)

Artikel 77

1 Van de toewijzing of afwijzing van een vordering tot (...) vernietiging van een kwekersrecht wordt aantekening gedaan in het rassenregister.

2 De vernietiging (…) werken terug tot de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde aantekening in het rassenregister.

Paragraaf 7. Kwekersrechtelijke geschillen

Artikel 78

1 De rechtbank Den Haag is in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd voor vorderingen tot vernietiging (…) van het kwekersrecht als bedoeld in de artikelen 75 (...)

3 Van de vonnissen en beschikkingen van de rechtbank staat beroep open bij het gerechtshof Den Haag.”

3.2.2

In de MvT, p. 64, wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Vernietiging van een kwekersrecht is aan de orde, zodra blijkt dat een kwekersrecht ten onrechte is verleend, doordat een ras achteraf gezien niet aan de daarvoor geldende eisen van nieuwheid, onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid blijkt te voldoen. (...) Vernietiging kan (...) te allen tijde worden gevorderd. (...)”

3.3

Het College is van oordeel dat verweerder niet bevoegd is een door hem verleend kwekersrecht in te trekken. Uit de artikelen 75 en volgende van de ZPW vloeit voort dat het de civiele rechter is die bevoegd is tot vernietiging van het kwekersrecht, en dat zodanige vernietiging te allen tijde kan worden gevorderd door een belanghebbende dan wel door of namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Met deze bevoegdheid van de civiele rechter is de door verweerder bepleite (impliciete) bevoegdheid van verweerder tot intrekking van een verleend kwekersrecht niet verenigbaar. Indien verweerder zou worden gevolgd in zijn standpunt dat hem, impliciet, de bevoegdheid toekomt tot het intrekken van een verleend kwekersrecht, zou dat meebrengen dat geschillen tussen kwekers over een verleend kwekersrecht via besluitvorming door verweerder aan de bestuursrechter in plaats van aan de civiele rechter zouden kunnen worden voorgelegd. Een kweker (hier: [naam 4] ) zou dan verweerder kunnen verzoeken een aan een ander (hier: appellante) verleend kwekersrecht in te trekken. Daarmee zou de op de artikelen 75 en 78 van de ZPW berustende bevoegdheid van de civiele rechter naar het oordeel van het College op onaanvaardbare wijze worden doorkruist.

4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige door appellante tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden geen bespreking meer.

5. Het College zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

6.1

Het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Appellante heeft primair verzocht om vergoeding van de volledige proceskosten. Subsidiair heeft appellante verzocht om het gewicht van de zaak in het kader van de forfaitaire proceskostenveroordeling te bepalen op 2 (zeer zwaar).

6.2

Het College is van oordeel dat geen aanleiding bestaat tot het veroordelen van verweerder in de volledige proceskosten van appellante. Hetgeen in het onderhavige geding aan de orde is - de vraag of verweerder bevoegd was tot intrekking van het aan appellante verleende kwekersrecht - kan op zichzelf geen grond vormen om te concluderen dat sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die een volledige vergoeding van proceskosten rechtvaardigen. Dat verweerder appellante op extra kosten heeft gejaagd door tegen beter weten in een bestuursrechtelijk traject in te slaan, zoals appellante heeft gesteld, is niet gebleken. Evenmin bestaat aanleiding om het gewicht van de zaak in het kader van de forfaitaire proceskostenveroordeling te bepalen op 2 (zeer zwaar) nu, anders dan appellante aanvoert, niet met recht kan worden betoogd dat dit geding materie van uitzonderlijk lastige aard betreft.

6.3

Gelet op het hiervoor overwogene stelt het College de kosten van appellante voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- waarbij het gewicht van de zaak op 1 (gemiddeld) is bepaald).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 februari 2018;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. R.R. Winter en mr. H.L. van der Beek

in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.W.E. Pinckaers