Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:105

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
18/329
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het College is van oordeel dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit van verweerder om artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toe te passen evident onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 18/329

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

Netzozeker B.V., te Deventer, appellante

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het (door hem als zodanig opgevatte) verzoek van appellante om zijn besluiten van 9 juli 2014 en 11 juli 2017 te herzien, afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is tevens verschenen [naam 4] .

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.2

Bij besluit van 14 februari 2013 heeft verweerder de aanvraag van appellante van 29 november 2012 om een verklaring voor het verrichten van speur- en ontwikkelingswerk (S&O-verklaring) op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 deels toegewezen.

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft verweerder de aanvraag van appellante van 29 mei 2013 om een S&O-verklaring over de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 toegewezen.

1.3

Op 21 oktober 2013 is appellante verhuisd van Zutphen naar Deventer. Appellante heeft deze verhuizing niet doorgegeven aan verweerder.

1.4

Bij brieven van januari 2014, 14 april 2014 en 22 mei 2014 heeft verweerder appellante verzocht mededeling te doen van de door haar gerealiseerde S&O-uren over het jaar 2013.

1.5

Op 21 maart 2014 heeft verweerder een algemene mail verstuurd, onder meer naar appellante, waarin wordt meegedeeld dat het verplicht is mededeling te doen van de gerealiseerde S&O-uren over het jaar 2013.

1.6

Bij besluit van 9 juli 2014 heeft verweerder het aantal bestede S&O-uren over het jaar 2013 vastgesteld op nul en de aan appellante afgegeven S&O-verklaringen gecorrigeerd voor een bedrag van € 22.620,-. Daarnaast heeft verweerder aan appellante een boete opgelegd van € 4.400,-. Appellante heeft op 12 juni 2017 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.7

Bij besluit van 11 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 9 juli 2014 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend.

1.8

Op 8 augustus 2017 heeft appellante verweerder verzocht om het besluit van 11 juli 2017 te herzien. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’, waarbij hij het verzoek heeft opgevat als mede gericht tegen zijn besluit van 9 juli 2014.

2. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de besluiten van 9 juli 2014 en 11 juli 2017 onherroepelijk zijn en dat er geen grondslag is aan te wijzen op grond waarvan hij de besluiten kan aanpassen. Verweerder voert bij de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot afwijking van dit standpunt een eenduidig herzieningsbeleid. Bij het beoordelen van een verzoek om herziening van zijn beslissing beoordeelt hij of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dan wel of sprake is van een kennelijke misslag, die maakt dat het evident onredelijk is om het verzoek om herziening af te wijzen op de enkele grond dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zich geen van deze gevallen voordoet.

3. Appellante voert, samengevat weergegeven, aan dat verweerder haar verzoek om herziening inhoudelijk had moeten beoordelen. Wegens omstandigheden die buiten haar macht liggen, heeft appellante niet tijdig mededeling kunnen doen van de door haar gerealiseerde S&O-uren over het jaar 2013. Appellante vertrouwde erop dat haar voormalige adviseur, die haar had bijgestaan bij het doen van de aanvragen, alles zou afhandelen. Volgens appellante is verder sprake van een kennelijke misslag van verweerder omdat hij de brieven die betrekking hebben op de mededeling, anders dan de besluiten waarbij de S&O-verklaringen zijn verstrekt, niet naar haar voormalige adviseur heeft gezonden, maar naar het oude adres van appellante. Daarnaast is volgens appellante wel degelijk sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Appellante heeft immers zodra zij ervan op de hoogte was dat zij de urenstaten moest inleveren, deze direct ingestuurd.

4.1

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of verweerder het verzoek van appellante van 8 augustus 2017 tot herziening kon afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt.

4.2

In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden (eerste lid), alsook dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking (tweede lid).

4.3

Naar vaste jurisprudentie van het College (zie onder meer de uitspraken van 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:190, en 15 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:276) betekent dit dat uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Hetzelfde geldt als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Voor het toetsingskader is van belang welke keuze het bestuursorgaan maakt.

4.4

Het College stelt vast dat verweerder in deze zaak in overeenstemming met zijn herzieningsbeleid toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De door appellante op 12 juli 2017 overgelegde urenstaten over het jaar 2013 bevatten gegevens die reeds ten tijde van het besluit van 9 juli 2014 beschikbaar waren en ook voor die datum door appellante naar voren hadden kunnen worden gebracht.

4.5

Ook ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit van verweerder om artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toe te passen, evident onredelijk is. Daarbij is van belang dat appellante behoorde te weten dat zij de urenstaten binnen drie maanden na afloop van het jaar waarop de S&O-verklaringen betrekking hebben, had moeten aanleveren. Niet alleen staat dit in de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, maar ook in de besluiten van 14 februari 2013 en 23 juli 2013 die, zoals ter zitting namens appellante is bevestigd, door haar zijn ontvangen. Appellante heeft ook geen (andere) bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die maken dat verweerder het verzoek van appellante om herziening inhoudelijk had moeten beoordelen.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. B. Bastein en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. F. Willems