Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:103

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
18/2865
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Kennelijk ongegrond. Artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2.2, achtste lid Wet dieren. Artikel 1.6 en 1.7 van het Besluit houders van dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/18 met annotatie van R. Stijnen, J.G. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2865

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 maart 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.H.A. Augustien),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd om voor 22 augustus 2018 ervoor te zorgen dat het verblijf van de door verzoekster gehouden kippen geschikt is voor de diersoort, waarbij de kippen voldoende ruimte moeten hebben in het verblijf, de beschikking moeten hebben over een zitstok en de mogelijkheid moeten hebben om een zandbad te nemen.

Bij besluit van 2 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Bij besluit van eveneens 2 november 2018 (invorderingsbeschikking) heeft verweerder vastgesteld dat verzoekster niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom en dat zij een dwangsom van € 250,- heeft verbeurd.

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Bij brief van 12 december 2018 heeft verzoekster de invorderingsbeschikking betwist.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter primair verzocht om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het bestreden besluit en de invorderingsbeschikking te vernietigen en subsidiair bij wijze van voorlopige voorziening de invorderingsbeschikking te schorsen.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb, in samenhang met artikel 8:108 van de Awb, kan, indien bij het College beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:83, derde lid, Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer als het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Daartoe bestaat in dit geval aanleiding.

3. Verzoekster heeft gesteld dat zij niet de financiële middelen heeft om de ingevorderde dwangsom van € 250,- te betalen en dat om die reden een spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft haar stelling evenwel op geen enkele manier toegelicht, laat staan onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Ook nadat zij hierop telefonisch was gewezen, heeft zij haar stelling niet toegelicht. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen het betrekkelijk geringe bedrag van de ingevorderde dwangsom valt niet in te zien dat verzoekster niet de financiële middelen heeft om de verbeurde dwangsom in afwachting van de beslissing op haar beroep te betalen. Overigens heeft verweerder bij e-mail van 17 december 2018 laten weten dat de invordering van de dwangsom inmiddels is stopgezet. Voor zover verzoekster verder heeft aangevoerd dat de last onder dwangsom slechts een begin is en dat er mogelijk nadere bestuursrechtelijke sancties worden opgelegd, overweegt de voorzieningenrechter dat op dit moment geen spoedeisend belang kan zijn gelegen in een dergelijke toekomstige onzekere gebeurtenis.

4. De conclusie is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om gebruik te maken van zijn bevoegdheid vermeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Op het beroep in de hoofdzaak zal afzonderlijk worden beslist.

6. Het verzoek wordt, als kennelijk ongegrond, afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.

w.g. J.L.W Aerts w.g. E. van Kampen