Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:89

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
16/1065 en 17/6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoeringsregeling rechtstereekse betalingen GLB. Toewijzing en uitbetaling betalingsrechten en vergroeningsbetaling 2015. Fysieke controle. Subsidiabele oppervlakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/1065 en 17/6

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2018 in de zaken tussen

de maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. T. Potharst),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Zwaard en mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan appellante 44,97 betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan appellante voor 2015 als basisbetaling en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers een totaalbedrag van € 23.508,81 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 13 oktober 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard, dit besluit herroepen en appellante 47,24 betalingsrechten toegewezen.

Bij besluit van 24 november 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en appellante als basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2015 een totaalbedrag van € 26.565,08 toegewezen.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit 1 is geregistreerd onder zaaknummer 16/1065. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2 is geregistreerd onder zaaknummer 17/6.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 februari 2018. Voor appellante is verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft op 26 mei 2015 met het doen van een Gecombineerde Opgave 2015 toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsrechten voor 2015 aangevraagd. Appellante heeft hiertoe 32 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 50,06 ha. Met de Gecombineerde Opgave 2015 heeft appellante ook de extra betaling jonge landbouwers aangevraagd.

1.2

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling appellante 44,97 betalingsrechten toegewezen voor de periode 2015 tot en met 2019.

1.3

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling aan appellante als basisbetaling en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers voor 2015 een totaalbedrag van € 23.508,81 toegewezen.

2.1

Verweerder heeft bij het bestreden besluit 1 het perceel 32 alsnog aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond omdat het in goede landbouw- en milieuconditie is. Verweerder acht de subsidiabele oppervlakte van de percelen 34, 35 en 38 kleiner dan de door appellante opgegeven oppervlakte. Op perceel 34 is sprake van verruiging en verstruiking. Op perceel 35 is een de bomenrij aanwezig zodat dit deel niet in gebruik is als landbouwgrond en op perceel 38 ligt een afgegraven drinkplaats. De percelen 33, 36 en 41 zijn afgewezen omdat deze niet in goede landbouw- en milieucondities verkeren. Ook bevindt zich hierop een schouwpad. Dit in overweging genomen heeft verweerder appellante 47,24 betalingsrechten toegewezen.

2.2

Verweerder heeft bij het bestreden besluit 2 met verwijzing naar het bestreden besluit 1 aan appellante als basisbetaling en vergroeningsbetaling en betaling voor jonge landbouwers voor 2015 een totaalbedrag van € 26.565,08 toegewezen. Het verschil tussen de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder goedgekeurde oppervlakte bedraagt meer dan 3%, namelijk 5,91%. Om deze reden heeft verweerder op basis van
artikel 19 bis, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 640/2014 de basisbetaling aan appellante gekort met het bedrag dat overeenkomt met anderhalf keer het verschil tussen de goedgekeurde en de aangevraagde oppervlakte.

3. In beroep voert appellante aan dat de percelen 33, 36 en 41 ten onrechte zijn afgewezen voor de toewijzing van betalingsrechten. De luchtfoto’s van verweerder geven geen juist en actueel beeld van de situatie. De percelen maken onderdeel uit van de nieuwe natuur rond de beek [naam 4] die in 2014 is verlegd. Op de percelen hebben destijds graafwerkzaamheden plaats gevonden. Dit is terug te zien op de luchtfoto’s waarvan verweerder gebruik heeft gemaakt. De percelen verkeren echter in een goede landbouw- en milieuconditie, worden door het vee van appellante begraasd en zo nodig wordt er gemaaid ten behoeve van ruwvoerwinning. Bovendien is met de gemeente een natuurbeheercontract voor deze percelen afgesloten. Hierbij wordt de gewascode 33, “Grasland natuurlijk, Hoofdfunctie landbouw” gehanteerd.

4.1

Ten aanzien van de beroepen overweegt het College als volgt.

4.2

Appellante stelt dat de beoordeling van haar percelen niet enkel kon plaats vinden aan de hand van luchtfoto’s. Appellante heeft bij verweerder aangedrongen op een fysieke controle gelet op de veranderingen die het gebied waarvan de percelen onderdeel uitmaken, heeft ondergaan. Appellante heeft zelf ook foto’s overlegd.

4.3

Zoals het College eerder onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 april 2014, inzake Maatschap [naam 5] , C-485/12, (ECLI:EU:C:2014:250) heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:30) heeft het Hof overwogen dat artikel 24, tweede lid, van Verordening 796/2004 (thans artikel 29, tweede lid, van Uitvoeringsverordening 809/2014) bepaalt dat de constatering van onjuistheden in de aangifte van de landbouwer aanleiding geeft tot een vervolgactie in de vorm van enige passende administratieve procedure en zo nodig een controle ter plaatse. Dit geldt - ingevolge de doelstelling van artikel 23, eerste lid, van Verordening 796/2004 - ook als die onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen door een vergelijking tussen opgegeven percelen landbouwgrond en recente luchtbeelden die worden gebruikt voor actualisering van het systeem voor identificatie van de landbouwpercelen. Wordt een onregelmatigheid geconstateerd dan is het aan de bevoegde autoriteit om te beoordelen welke maatregelen dienen te worden genomen. Uit het voorgaande volgt dat de bevoegde autoriteit die geen enkele twijfel koestert over de meetgegevens die zij heeft ontleend aan de luchtbeelden waarover zij beschikt, in elk geval niet verplicht is om de betrokken percelen ter plaatse op te meten. Zou de bevoegde autoriteit in het geval zij een onregelmatigheid constateert altijd de percelen ter plaatse moeten meten, dan zou de beoordelingsruimte betekenisloos zijn, aldus het Hof.

4.4

De door appellante overgelegde foto’s leiden niet tot het oordeel dat er sprake is van duidelijke aanwijzingen dat de vaststelling van de referentiepercelen op basis van nauwkeurige luchtfoto’s uit 2015 tot onjuiste of onbetrouwbare resultaten heeft geleid en dat een controle ter plaatse het geëigende middel zou zijn om tot een (nog) meer gedegen oppervlaktevaststelling te komen. Deze foto’s geven immers niet de situatie van de percelen in het jaar 2015 weer.

4.5

Het College heeft het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen waarbij gebruik wordt gemaakt van een luchtfoto met een schaal van 1:2.500 bij uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:197, onder 5.3, akkoord bevonden. Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van de percelen daarom kunnen vaststellen aan de hand van de luchtfoto’s van 2015.

4.6

De conclusie is dat deze beroepsgrond niet slaagt.

5.1

In geschil is verder of verweerder terecht de percelen 33, 36 en 41 niet als subsidiabel landbouwareaal heeft aangemerkt.

5.2

Zowel voor de vaststelling van het toe te wijzen aantal betalingsrechten als voor de vaststelling van de basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder ‘subsidiabele hectare’ wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013). Onder ‘landbouwareaal’ wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013). Onder blijvend grasland wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, onder h, van Verordening 1307/2013). Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, onder h, van Verordening 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Verordening 639/2014).

5.3

Wat betreft deze percelen overweegt het College dat op de zomerluchtfoto’s van elk van deze percelen duidelijk kleurverschillen te zien zijn over de gehele oppervlakte hiervan. De oppervlakte van deze afgewezen percelen is duidelijk anders van kleur en structuur dan de naastgelegen oppervlakten die als blijvend grasland zijn goedgekeurd. Dit wordt bevestigd door de winterluchtfoto’s. De door verweerder afgewezen percelen zijn geen blijvend grasland omdat het hier overwegend ruigte en bosjes betreft. Bovendien blijkt uit de luchtfoto’s dat er op deze percelen schouwpaden zijn langs [naam 4] . Het College is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de percelen 33, 36 en 41 uit de luchtfoto’s niet blijkt dat er sprake is van blijvend grasland. Deze percelen heeft verweerder daarom terecht niet als subsidiabel landbouwareaal aangemerkt.

5.4

De conclusie is dat deze beroepsgrond niet slaagt.

6. In hetgeen appellante heeft aangevoerd over de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van de betrokken percelen ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de juiste vaststelling door verweerder hiervan en het hiermee corresponderende aantal van 47,24 betalingsrechten voor appellante.

7. Dit betekent dat het beroep met nummer 16/1065 ongegrond is.

8. Appellante heeft in het beroep 17/6 aangevoerd dat de uit te betalen basisbetaling en vergroeningsbetaling en betaling voor jonge landbouwers te laag door verweerder is vastgesteld. Daarnaast heeft verweerder volgens appellante ten onrechte een korting toegepast.

9. Uit rechtsoverweging 6 volgt dat de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte door verweerder in stand blijft en daarmee ook de toewijzing van betalingsrechten waarop het bestreden besluit 1 ziet. Gelet hierop mocht verweerder de bij dat besluit toegewezen betalingsrechten ten grondslag leggen aan de basisbetaling en de vergroeningsbetaling waarop het bestreden besluit 2 ziet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. Uit het voorgaande volgt verder dat het verschil tussen het door appellante aangevraagde oppervlakte en door verweerder goedgekeurde oppervlakte 5,91% is. Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 20 november 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:451) en 3 maart 2016 (ELCI:NL:CBB:2016:157) is verweerder gehouden een korting toe te passen door de steun te berekenen op basis van de geconstateerde oppervlakte verminderd met onder het voorheen geldende recht tweemaal en thans anderhalf maal het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte, aangezien dat verschil meer dan 3% bedraagt. Dit betekent dat verweerder terecht de basisbetaling van appellante heeft gekort. Deze beroepsgrond slaagt niet.

11. Dit betekent dat het beroep met nummer 17/6 ook ongegrond is.

12. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.P.A. DeKoninck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.P.A. DeKoninck