Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:85

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
16/980
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kostenbesluit voor toegepaste bestuursdwang ten aanzien van katten. Geen bezwaar gemaakt tegen de last. Verweerder was bevoegd om over te gaan tot feitelijke tenuitvoerlegging van de last. Inbeslagname niet disproportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/980

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Henneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving voor een bedrag van € 6.254,90 bij appellant in rekening gebracht.

Bij besluit van 13 september 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 april 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft verweerder het bezwaar van appellant deels gegrond verklaard, het primaire besluit deels herroepen en het te verhalen bedrag aan kosten verlaagd naar € 4.857,90.

Appellant heeft aanvullende gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Stevers, kantoorgenoot van voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting geschorst. De ter zitting gemaakte afspraken zijn in een aan partijen toegezonden uittreksel uit het proces-verbaal vastgelegd.

Bij besluit van 10 oktober 2017 (het bestreden besluit III) heeft verweerder wederom een herziene beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft verweerder het bezwaar van appellant deels gegrond verklaard, het primaire besluit deels herroepen en het te verhalen bedrag aan kosten verlaagd naar € 3.641,62.

Appellant heeft aanvullende gronden van beroep ingediend.

Nadat partijen toestemming hebben verleend om uitspraak te doen zonder een tweede zitting heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Op 25 maart 2015 en op 30 maart 2015 heeft een toezichthouder van politie, samen met een wijkagent, controles uitgevoerd in en rondom de woning van appellant, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het toezichtrapport van 31 maart 2015 met nummer: [… 1] . Dit rapport vermeldt met betrekking tot de controle op 25 maart 2015 voor zover van belang het volgende:

“(…)

Voor de voordeur zag ik enkele bakken/schalen met voedsel. (…) Tevens stond er drinkwater. Voor de deur van de woning zag ik een grijze kat. Deze was niet mager en had geen vachtproblemen.

Wij hebben vervolgens aangebeld. Hierop werd niet gereageerd. Ik rook een vieze lucht welke afkomstig was vanuit de openstaande deur. Vervolgens heeft de wijkagent met luide stem, via de openstaande voordeur, de bewoner aangeroepen en zich kenbaar gemaakt als politie.

Ook hierop werd niet gereageerd. (…) Ik zag dat de keuken erg vervuild was. Ik zag meerdere bakjes, schalen en pannen met voedselresten. Ook was de vloer erg vervuild. Ik rook een zeer penetrante ammoniak lucht in de woning. (…)

Aan de achterzijde zag ik enkele katten. Dit waren een zwarte, een rode en een grijze. Deze katten zagen er goed doorvoed uit maar waren erg schuw.

(…)”.

Met betrekking tot de controle op 30 maart 2015 is voor zover van belang verder het volgende geconstateerd:

“Voor de woning zag ik een grijze kat. Ik zag dat deze grijze kat een slechte vacht had. Ik zag dat deze kat veel kale plekken in de vacht had en met name de achterzijde ter hoogte van de staart. Ik zag dat deze kat steeds, nadat hij een stukje gelopen had, zijn linker voorpoot optrok. Kennelijk heeft hij pijn aan dit pootje waardoor hij er niet op steunt. Bij het benaderen van deze kat rook ik een vieze penetrante lucht afkomstig van de kat.

Wij hebben wederom aangebeld maar hoorde de bel niet. Hierop hard geklopt op de deur en de bewoner wederom aangeroepen.

Helaas zonder resultaat. (…)

Terwijl wij voor de deur stonden kwam er een zwarte kat aangelopen. Ik zag dat deze zwarte kat ook een zeer slechte onverzorgde vacht had. Ik zag dat de gehele achterzijde kaal was. (…) Bij de achtertuin zag ik een andere grijze kat. Dit was grijze kat met cypers tekening. Ik zag dat deze grijze cyperse kat zijn ogen niet geheel open deed. Kennelijk heeft deze kat problemen met zijn ogen. Ik zag dat deze kat ook een slechte vacht had.

(…)

Tijdens de hierboven omschreven controles heb ik in totaal 8 verschillende katten gezien. (…) Van deze katten hebben er 3 duidelijk vacht- en/of huidproblemen.

1.3

Bij besluit van 1 april 2015 is aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd. Verweerder heeft daarin opgenomen dat uit onderzoek was gebleken dat de gezondheid en het welzijn van de katten van appellant was aangetast. Voor de overtredingen wordt verwezen naar het onder 1.2 vermelde toezichtrapport van 31 maart 2015. Appellant dient voor 8 april 2015 de volgende maatregelen te nemen:

1. Zorg dat uw katten altijd over een schone en zindelijke huisvesting kunnen beschikken.

2. Zorg dat in de ruimtes waar de katten worden gehouden voldoende verse lucht binnen wordt gelaten. Alle ruimtes waarin de katten zijn, moeten goed geventileerd zijn en de katten moeten voldoende frisse lucht tot hun beschikking hebben.

3. Consulteer een dierenarts over de huidproblemen, conditie en gezondheid van uw katten. Voer het (eventuele) behandelplan, opgesteld door de dierenarts, uit.

1.4

Op 13 april 2015, 21 april 2015 en 24 april 2015 zijn er opnieuw controles uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een toezichtrapport van 28 april 2015 met LID/B nummer: [… 2] . Voor zover van belang is daarbij geconstateerd:

“(…)

N.a.v. de te nemen maatregelen in het toezichtrapport en het besluit hierboven vermeld, ben ik rapporteur op maandag 13 april 2015, omstreeks 10.00 uur ter plaatse gegaan (…) om de maatregelen, opgelegd in het bovengenoemde besluit te controleren.

(…)

Aan de voorzijde van de woning, nabij de voordeur zagen wij meerdere bakken met voedsel voor de katten. Ik zag dat enkele bakken gevuld waren met kattenbrokjes, vlees en vis. Tevens stonden er bakken met water. Wij hebben meerdere malen op de deur geklopt en aangebeld. De wijkagent heeft meerdere malen met luide stem aangeroepen dat hij van de politie was en dat de bewoner de deur moest openen. Helaas werd de deur niet geopend. De beklaagde bleek niet thuis of deed de deur niet open. Via een opening tussen de gordijnen bij de voordeur kon ik de woning in kijken. Ik zag dat de woning nog steeds ernstig bevuild was. Ik zag in de woning enkele katten lopen. Bij de voordeur rook ik een vieze penetrante lucht afkomstig vanuit de woning. Ik zag buiten de woning enkele katten lopen welke zichtbare kale plekken in de vacht hadden. (…)

Terwijl wij bij de achtertuin van de woning stonden kwam een buurtbewoonster aanlopen. De vrouw vroeg of we wat konden doen voor de katten met de huidproblemen. Ik heb haar verteld dat wij dit in behandeling hebben en dat de beklaagde naar de dierenarts moet met zijn katten. Ik hoorde de vrouw zeggen dat hij dat niet gaat doen. Zij vertelde dat de beklaagde kennelijk altijd zegt dat de natuur zijn werk moet doen en dat hij niet naar de dierenarts gaat met zijn katten.

Ik hoorde van de wijkagent dat de beklaagde op vrijdag 24 april 2015, middels een gerechtelijke procedure uit zijn woning gezet wordt. Dit zal gedaan worden met een gerechtsdeurwaarder.

(…)

Op dinsdag 21 april 2015, omstreeks 10.15 uur ben ik (…) wederom ter plaatse gegaan (…). Bij deze controle waren ook enkele medewerkers van de GGD Amsterdam aanwezig.

Wij hebben wederom enkele malen hard op de voor deur geklopt en de politie heeft met luide stem de beklaagde aangeroepen. Echter werd ook deze keer de deur niet geopend.

Wij zagen buiten de woning enkele katten met kale plekken in de vacht. Via een opening in de gordijnen konden wij een gedeelte van de woning bekijken. De situatie was nog steeds hetzelfde. Ernstig vervuild en een vieze lucht afkomstig vanuit de woning.

(…)

Ik, rapporteur, heb na deze her-controle telefonisch gesproken met RvO. (…) Ik heb gesproken met (…). In overleg met hem afgesproken om op vrijdag 24 april 2015 aan te sluiten bij de ontruiming. Ik zou dan als eerste de woning betreden en wanneer de situatie nog ongewijzigd lijkt, ik de dieren in bewaring kan nemen.

(…)

Op vrijdag 24 april 2015, om 11.10 uur was ik ter plaatse (…). Bij het betreden van de woning moesten wij enkele kleden en lakens weghalen. Ik zag dat de woonkamer erg vervuild was. In de woonkamer zag ik een bed staan. Op dit bed lag veel afval. In de woning rook ik een vieze penetrante lucht. In de hoek naast heb bed zag ik een kast. In deze kast en deels op het bed zag ik 4 kittens. Ik zag dat deze kittens grijs van kleur waren en ik schat de ongeveer 3 weken oud. Op het bed zag ik dunne lichtgekleurde ontlasting. Mogelijk van de kittens. Ik zag vervolgens een grijze kat met enkele kale plekken in de vacht een naastgelegen kamer inlopen. Ik ben naar die kamer gegaan en zag daar tussen de rommel 3 volwassen katten. Dit waren 2 grijze en 1 rode kat. Ik zag dat 1 grijze kat behoorlijke huidproblemen had en zag er vermagerd uit. Ik zag dat deze kat opgezette melkklieren had. Mogelijk dat dit de moeder van de 4 aangetroffen kittens is. De kamer waar de katten in zaten was ook ernstig bevuild. Overal lag afval en rommel. Er was bijna geen loopruimte.

(…)

Samen met de inmiddels ter plaatse gekomen dierenambulance Amsterdam heb ik de katten gevangen. In de kamer waar de volwassen katten zaten, bleken in totaal 4 katten te zitten. Deze en de 4 kittens zijn door de dierenambulance meegenomen en overgebracht naar de aangewezen opslaghouder.

(…)

Op zaterdag 25 april 2015 ontving ik een mail van de opslaghouder. In deze e-mail las ik dat de katten van de beklaagde in 2014 ook bij hun verbleven na een inbeslagname. De katten zijn toen allen voorzien van een chipnummer. Na die inbeslagname heeft de beklaagde zijn katten weer teruggekregen.

Van de 4 aangetroffen volwassen katten, die ik tijdens de ontruiming heb aangetroffen in de woning van de beklaagde, komen 2 chipnummers overeen. De andere 2 katten bleken niet voorzien van een chipnummer. Van de opslaghouder heb ik een lijst ontvangen waarop de geregistreerde chipnummers staan.

Verder las ik dat de Stichting Amsterdamse Zwerfkatten op vrijdagmiddag 24 april, na de ontruiming in de directe omgeving van de woning (…) 3 katten heeft gevangen. De chipnummers van deze 3 katten staan ook op de lijst met nummers welke ik van de opslaghouder heb ontvangen.

Op dinsdag 28 april 2015, omstreeks 11.00 uur heb ik telefonisch contact opgenomen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland om de situatie van de gevangen katten voor te leggen. In overleg met (…) ook deze 3 katten in bewaring genomen.

Hierop telefonisch gesproken met (…) van RvO afdeling IBG. In overleg met hem konden ook deze katten overgebracht worden naar de aangewezen opslaghouder.

Omstreeks 13.40 uur heb ik telefonisch gesproken met de opslaghouder. Ik hoorde dat 1 van de gevangen katten inmiddels bij de opslaghouder was gebracht. De andere 2 katten bleken hoogzwanger en hadden kennelijk complicaties waardoor deze door de stichting Amsterdamse Zwerfkatten, op eigen initiatief, al naar een dierenarts zijn gebracht en op een later tijdstip naar de opslaghouder gaan. Hierop heb ik telefonisch contact opgenomen met de Stichting Amsterdamse Zwerfkatten. Ik hoorde van de medewerkster dat de katten zijn opgenomen bij de dierenarts waar kennelijk de zwangerschap van de 2 zwangere katten beëindigd is. Deze 2 katten worden morgen, woensdag 29 april overgebracht worden naar de opslaghouder.

1.5

Bij brief van 29 april 2015 is aan appellant medegedeeld dat tijdens de hercontrole op 24 april 2015 is gebleken dat de opgelegde last onder bestuursdwang niet is nagekomen en dat, om de gezondheid en het welzijn van de dieren te verbeteren ten minste 11 katten op onder andere 24 april 2015 in bewaring zijn genomen. Daarin is eveneens aangekondigd dat de gemaakte kosten op appellant zullen worden verhaald en dat verweerder voornemens is de dieren op 8 mei 2015 over te dragen aan een derde.

1.6

Bij het primaire besluit heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving voor een bedrag van € 6.254,90 bij appellant in rekening gebracht. Daarin is vermeld dat verweerder over de periode 24 april 2015 tot en met 2 oktober 2015 voor een bedrag van € 11.479,38 aan facturen heeft ontvangen. Een bedrag van € 5.224,48 wordt niet in rekening gebracht, omdat de opbrengsten van de katten in mindering zijn gebracht en de kosten komen te vervallen wegens het veterinaire vrijgeven van de katten. Het resterende bedrag van € 6.254,90 is bij appellant in rekening gebracht.

1.7

Het bezwaar van appellant is ongegrond verklaard bij het bestreden besluit I. Daarin is allereerst vastgesteld dat het besluit van 1 april 2015 tot oplegging van de last onder bestuursdwang onaantastbaar is geworden, omdat appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Dat de artikelen 2.1, eerste en zesde lid, van de Wet dieren, artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder d, f en g van het Besluit houders van dieren (Bhd) zijn overtreden staat volgens verweerder daarom vast. Tijdens de controles op 13, 21 en 24 april 2015 is geconstateerd dat de situatie omtrent de gezondheid en het welzijn van de katten onveranderd was. Nu er geen uitvoering is gegeven aan de last, is verweerder overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang. Gedurende geen van de controles was appellant te zien of te spreken. Verder was het verweerder bekend dat appellant op 24 april 2015 uit zijn woning gezet zou worden. Verweerder heeft daarom in redelijkheid ervan kunnen afzien om door middel van feitelijk handelen zelf ter plekke in de woning de maatregelen uit te voeren die in de last zijn omschreven. De wijze van bekendmaking van het besluit van 1 april 2015 is in overeenstemming met artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien appellant op dat moment nog woonachtig was op dat adres. De brief van 29 april 2015 is geen besluit in de zin van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar gemaakt kon worden. Appellant is dan ook niet de mogelijkheid ontnomen om tegen deze brief in verweer te komen. Volgens verweerder is geen sprake van omstandigheden die maken dat de kosten van de toegepaste bestuursdwang niet of niet geheel ten laste van appellant moeten komen. Op de kosten zijn de verkoopopbrengsten van de katten, de kosten van castratie en sterilisatie van twee katten en de medische – en opvangkosten vanaf zes weken na de vrijgavedatum reeds in mindering gebracht. De gemaakte kosten zijn niet onredelijk. De persoonlijke financiële situatie van appellant levert ook geen grond op om de vordering kwijt te schelden.

1.8

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van de kosten herzien. Verweerder had ook kosten in rekening gebracht voor drie van de katten van appellant die op 11 mei 2015, op 3 juni 2015 en op 12 juni 2015 zijn meegevoerd en opgeslagen. Uit nader onderzoek is gebleken dat niet voldoende is vastgesteld dat de overtreding nog van toepassing was op de momenten dat deze katten zijn meegevoerd en opgeslagen. Die kosten zijn daardoor ten onrechte in rekening gebracht. Het totaalbedrag van deze facturen bedraagt € 1.6888,88 (het College begrijpt: € 1.688,88). Verder had verweerder voor de kat die op 28 april 2015 naar de opslaghouder is gebracht ten onrechte opvangkosten in rekening gebracht voor de periode 24 april 2015 tot en met 27 april 2015. Voor de katten die op 29 april 2015 naar de opvang zijn gebracht waren ten onrechte opvangkosten in rekening gebracht voor de periode van 24 april tot en met 28 april 2015. Het op appellant te verhalen bedrag wordt daarom verlaagd naar € 4.857,90.

1.9

Bij het bestreden besluit III heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van de kosten wederom herzien. De kosten van de opvang voor drie katten die op 24 april 2015 in de directe omgeving van de woning zijn gevangen door de Stichting Amsterdamse Zwerfkatten brengt verweerder niet langer in rekening, omdat er bij nader inzien op dat moment geen sprake meer was van een overtreding. Het bedrag is om die reden verlaagd naar € 3.641,62.

2. Het College stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit III een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Met het bestreden besluit III wordt niet volledig tegemoetgekomen aan het beroep. Het beroep van appellant wordt dan ook op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit III.

3. Het College gaat ervan uit dat verweerder de bestreden besluiten I en II heeft ingetrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant het beroep tegen het bestreden besluit I ingetrokken, zodat dat beroep geen nadere bespreking behoeft. Ten aanzien van het bestreden besluit II overweegt het College dat niet is gebleken dat appellant nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit II. Voor zover het beroep is gericht tegen het bestreden besluit II zal het College dit beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. Gelet op verweerders gewijzigde standpunt in beroep zal verweerder aan appellant het griffierecht en de gemaakte proceskosten dienen te vergoeden.

4. Het College stelt vast dat het besluit van 1 april 2015, waarin aan appellant een last onder bestuursdwang is opgelegd, in rechte vaststaat. Dat betekent dat het College als uitgangspunt neemt dat de last onder bestuursdwang terecht is opgelegd en dat appellant de in het besluit en in het toezichtrapport van 31 maart 2015 genoemde overtredingen heeft begaan.

5. Appellant heeft in de gronden van beroep opgemerkt dat hij de (onder punt 1.5 van deze uitspraak vermelde) brief van 29 april 2015 niet heeft ontvangen. Die brief is echter niet op rechtsgevolg gericht, aangezien daarin alleen is meegedeeld dat bestuursdwang is toegepast en welke gevolgen dit zal hebben. Pas bij het primaire besluit is daadwerkelijk overgegaan tot verhaal van de kosten. Of appellant de brief wel of niet heeft ontvangen heeft dan ook geen gevolgen voor de hier aan de orde zijnde beoordeling van het bestreden besluit III.

6. Verder heeft appellant aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was om bestuursdwang toe te passen. Op grond van de opgelegde last onder bestuursdwang van 1 april 2015 diende appellant voorzieningen te treffen in zijn woning. Nadat de gestelde termijn was verstreken heeft verweerder niet zelf de voorzieningen die vermeld stonden in de last onder bestuursdwang, aangebracht maar andere, verstrekkender maatregelen genomen. Appellant is niet aangezegd dat wanneer hij zou nalaten de aangezegde voorzieningen te treffen de katten in beslag genomen zouden worden. De gemaakte kosten zijn dan ook geen gevolg van het uitvoeren van de opgelegde last. Verweerder mocht de kosten daarvan dan ook niet in rekening brengen bij appellant. Wat voor kosten waren gemoeid geweest met het treffen van de voorzieningen die in de last onder bestuursdwang stonden, valt thans niet meer na te gaan. Indien die kosten echter lager waren dan de nu gemaakte kosten, dan is zonder noodzaak tot een duurdere vorm van handhaving overgegaan. Ook in dat geval had verweerder eerst appellant in de gelegenheid moeten stellen zelf met lagere kosten het resultaat na te streven dat verweerder voorschreef. Verder voert appellant aan dat bij het medisch onderzoek in de opvang bij een groot deel van de katten geen ernstige aandoeningen zijn geconstateerd. Ook om die reden was er geen reden voor inbeslagname van de katten. Dat de woning van appellant zou worden ontruimd vormt daarvoor ook onvoldoende grond, aangezien het aan de eigenaar is om een nieuwe woonplek voor de katten te vinden. Niet valt in te zien dat appellant geen verblijfplaats voor de katten had kunnen vinden.

7. Het College is in de eerste plaats van oordeel dat op grond van de bevindingen die zijn beschreven in het toezichtrapport van 28 april 2015 en de bijbehorende foto’s vast is komen te staan dat appellant ten tijde van de controles op 13, 21 en 24 april 2015 onvoldoende uitvoering had gegeven aan de bij het besluit van 1 april 2015 aan hem opgelegde maatregelen. De toezichthouders hebben tijdens die controles geconstateerd dat de woning ernstig bevuild was en dat er een vieze penetrante lucht in de woning hing. Gelet op die bevindingen heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat appellant de opgelegde last niet was nagekomen voor zover die zag op de te nemen maatregelen 1 en 2 (zie punt 1.3). Ook ten aanzien van de derde maatregel heeft verweerder kunnen concluderen dat appellant deze niet was nagekomen. Appellant was ten tijde van de controles niet aanwezig in de woning. Er waren geen aanknopingspunten om aan te nemen dat hij een dierenarts had geconsulteerd. Ook naderhand is dat niet komen vast te staan. Daar komt bij dat het medisch onderzoek in de opvang het beeld bevestigde dat een groot deel van de katten medische zorg was onthouden. Dat bij een aantal katten, waaronder de pasgeboren kittens, geen medische afwijkingen zijn geconstateerd, doet daar niet aan af. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op de bevindingen tijdens de hercontroles, bevoegd was om de last op grond van artikel 5:21, aanhef en onder b van de Awb feitelijk ten uitvoer te (doen) leggen.

8. Verder heeft het College in de uitspraak van 17 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:421) overwogen dat uit artikel 5:21, aanhef en onder a van de Awb voortvloeit dat een last onder bestuursdwang erop is gericht om een einde te maken aan een overtreding en de gevolgen daarvan geheel dan wel gedeeltelijk ongedaan te maken. In de last dient het bestuursorgaan de herstelmaatregelen te omschrijven, maar daarbij de overtreder de ruimte te laten om het herstel op een (in voorkomend geval andere) geschikte wijze te bewerkstelligen. Voldoet de overtreder niet aan de last, dan is het bestuursorgaan op grond van artikel 5:21, aanhef en onder b van de Awb bevoegd om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen. Uit de wet vloeit niet voort dat het bestuursorgaan enkel de in de last omschreven maatregelen ten uitvoer mag leggen indien de overtreder niet heeft voldaan aan de last, of dat het bestuursorgaan reeds in de last beschrijft tot welk feitelijk handelen het in voorkomend geval zal overgaan. De rechtszekerheid verlangt wel dat een overtreder uit de last moet kunnen opmaken met welke gevolgen (financieel of anderszins) hij rekening moet houden. De overtreder moet, met andere woorden, kunnen inschatten welke risico’s hij loopt indien hij niet wil of kan voldoen aan de opgelegde last. De tenuitvoerlegging van de bestuursdwang dient daarnaast gericht te zijn op het beëindigen van de overtreding en in dat kader tevens proportioneel te zijn.

9. Gelet op de concrete feiten en omstandigheden van dit geval is het College van oordeel dat appellant kon inschatten dat er een risico was dat de katten zouden kunnen worden meegenomen en opgeslagen en dat het meevoeren en opslaan van de katten niet disproportioneel is. Duidelijk was namelijk dat de woning van appellant op 24 april 2015 zou worden ontruimd. Tenuitvoerlegging van de bestuursdwang in de woning van appellant was daardoor wat betreft de maatregelen 1 en 2 die zijn opgelegd op grond van de in de woning aangetroffen, ontoelaatbare huisvestingssituatie voor de katten geen reële mogelijkheid. Dat appellant zelf andere opvang voor zijn katten had kunnen regelen, zoals hij heeft gesteld, acht het College niet reëel. Appellant was immers ten tijde van de hercontroles niet aanwezig in de woning dan wel in de omgeving van de woning en na de ontruiming van de woning op 24 april 2015 is appellant enige tijd dakloos geweest. Op welke wijze appellant voor alternatieve huisvesting van de katten had willen zorgen is geenszins onderbouwd.

10. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel ten zijnen laste behoren te komen. Het College heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van appellant zouden behoren te komen. Appellant heeft de hoogte van het bedrag dat bij hem in rekening wordt gebracht niet betwist, zodat het College uitgaat van de juistheid van dat bedrag.

11. Gelet op het voorgaande zal het College het beroep tegen het bestreden besluit III ongegrond verklaren.

12. Gelet op punt 3 van deze uitspraak dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden. Verder veroordeelt het College verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie na zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit III ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.S. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2018.

w.g. S.C.S. Stuldreher w.g. L.N. Foppen