Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:8

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
16/1142
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Jonge landbouwers. Man al eerder bedrijf opgericht. Vrouw geen blokkerende zeggenschap. Beroep niet tijdig beslissen. Dwangsom bij niet tijdig beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1142

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: ing. P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en mr. J.F. Janmaat).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om extra betaling jonge landbouwers voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 13 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij brief van 17 maart 2017 heeft appellante gereageerd op het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 5 september 2017 heeft verweerder het bestreden besluit voorzien van een nadere motivering.

Bij brief van 22 september 2017 heeft appellante daarop gereageerd.

Bij brief van 19 december 2017 heeft het College partijen bericht dat het College voornemens is een nadere behandeling ter zitting achterwege te laten en het onderzoek te sluiten. Nadat partijen binnen de daartoe geboden termijn van twee weken niet te kennen hebben gegeven toch een nadere zitting te willen, heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Het College begrijpt hetgeen appellante heeft aangevoerd aldus dat zij het College verzoekt de hoogte van de dwangsom vast te stellen als bedoeld in artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge artikel 4:17 verbeurde dwangsom vast indien het beroep gegrond is. Artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt – kort gezegd en voor zover hier van belang – dat het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is verbeurt indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag (artikel 4:17, tweede lid, van de Awb). De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen (artikel 4:17, derde lid, van de Awb).

3. Bij brief van 15 november 2016, door verweerder op dezelfde datum ontvangen, heeft appellante verweerder in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een besluit op bezwaar. Op 13 december 2016 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Omdat appellante verweerder in gebreke heeft gesteld en heeft verzocht om vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom, heeft appellante belang bij beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

4. Appellante heeft bij brief van 15 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van (zaterdag) 25 juni 2016, dat – naar moet worden aangenomen – ook op die datum bekend is gemaakt. Uitgaande van deze bekendmaking nam de bezwaartermijn een aanvang op (zondag) 26 juni 2016. De laatste dag van de bezwaartermijn was maandag 8 augustus 2016 (artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb) en de beslistermijn begon op 9 augustus 2016 (artikel 7:10, eerste lid, van de Awb). Nu geen commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld, moest verweerder binnen 6 weken, dus uiterlijk op 20 september 2016 beslissen op het bezwaarschrift. Bij brief van 15 september 2016 heeft verweerder de termijn voor het nemen van een besluit op het bezwaarschrift op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb met maximaal 6 weken verlengd. Verweerder stelt weliswaar dat appellante medio september 2016 bij het bepalen van een hoorzitting heeft ingestemd met verder uitstel van de beslistermijn, maar appellante ontkent dit. Bij die stand van zaken en bij het ontbreken van een goede administratie van de kant van verweerder waaruit blijkt dat appellante daadwerkelijk met verder uitstel heeft ingestemd, moet het ervoor worden gehouden dat appellante niet met verder uitstel heeft ingestemd. Verweerder moest dus uiterlijk op

1 november 2016 beslissen. Het bestreden besluit dateert van 13 december 2016.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond.

6. Het College is, gezien het voorgaande, van oordeel dat verweerder appellante een dwangsom is verschuldigd. In aanmerking genomen dat appellante verweerder bij brief van 15 november 2016 in gebreke gesteld heeft en dat verweerder bij het bestreden besluit op
13 december 2015 op het bezwaar heeft beslist is, gelet op artikel 4:17, eerste lid en derde lid, van de Awb, 30 november 2016 de eerste dag en 13 december 2016 de laatste dag waarover de dwangsom is verschuldigd. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55c van de Awb zal het College de hoogte van de door verweerder aan appellante verschuldigde dwangsom dan ook vaststellen op € 280,- (14 dagen, € 20 per dag).

7. Het geschil draait vervolgens om de weigering van een jaarlijkse betaling voor jonge landbouwers als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013).

7.1

Appellante meent dat zij in aanmerking komt voor de betaling jonge landbouwers. Appellante is opgericht op 15 november 2011 en bestaat uit twee maten: de man en de vrouw. Zowel de man als de vrouw zijn in de Gecombineerde opgaaf 2015 als jonge landbouwer opgegeven.

7.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van blokkerende zeggenschap, omdat beide maten onbeperkt bevoegd zijn. Vanwege het door appellante ingenomen standpunt dat haar beide maten in de Gecombineerde opgaaf 2015 als jonge landbouwer zijn opgegeven, heeft verweerder bij het verweerschrift de motivering van het bestreden besluit in die zin gewijzigd dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat de man al vóór 2010 zeggenschap heeft verkregen in een landbouwbedrijf. Bij brief van 5 september 2017 heeft verweerder dit standpunt nader toegelicht. Ten aanzien van de vrouw heeft verweerder zich meer in het bijzonder op het standpunt gesteld dat zij niet als jonge landbouwer kan worden aangemerkt, omdat zij geen blokkerende zeggenschap heeft, nu zij en haar man beiden onbeperkt bevoegd zijn en zij de beslissingen van haar man dus niet kan blokkeren.

8. Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014 ). Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in, ten tijde hier van belang, het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014).

9. De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (zie artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Onder jonge landbouwers moet in de Uitvoeringsregeling hetzelfde worden verstaan als aangegeven in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) is bepaald dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-.

10. Zoals het College in de uitspraak van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:340) heeft overwogen, vormt artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel een precisering van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 en treedt deze niet buiten de grenzen van laatstgenoemde bepaling. Meer in het bijzonder heeft het College in die uitspraak overwogen dat het geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de uitleg van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014, inhoudende dat voor het uitoefenen van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap onvoldoende is dat de jonge landbouwer een niet-blokkerende stem heeft in de besluitvorming, maar dat niet kan worden vereist dat deze moet kunnen bewerkstellingen dat een bepaald besluit genomen wordt. Het College heeft in die uitspraak vervolgens overwogen dat met die uitleg in lijn is het in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel neergelegde vereiste dat de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft, omdat daarmee wordt bedoeld dat de jonge landbouwer een besluit op enig moment moet kunnen tegenhouden. Het betoog van appellante dat de uitleg die verweerder aan artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel geeft in strijd is met artikel 50 van Verordening 639/2014 slaagt dan ook niet.

11. Het College is met verweerder van oordeel dat de man niet kan worden aangemerkt als jonge landbouwer, omdat hij al eerder dan vijf jaar voorafgaand aan de eerste indiening van de aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling een landbouwbedrijf heeft opgericht en aldus niet voldoet aan het bepaalde in artikel 50, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013. Het College overweegt hiertoe als volgt.

11.1

Verweerder heeft in zijn brief van 5 september 2017 gewezen op het volgende. De man zat vanaf 1 januari 2002 samen met zijn broer in een maatschap. Volgens verweerder heeft deze maatschap in de Gecombineerde opgave 2009 opgegeven dat de man bedrijfshoofd is op het adres [adres 1] te [plaats 2] , dat dit bedrijf 37 ha grond, rundvee, paarden, schapen en 248 geiten heeft. Bij ‘melding bedrijfsoverdracht’ van 21 december 2009 heeft deze maatschap gemeld dat het bedrijf is overgedragen aan de man en dat de man het bedrijf per
1 januari 2005 feitelijk in gebruik heeft genomen. Volgens verweerder heeft de man in de jaren 2010 tot en met 2013 op eigen naam een Gecombineerde opgave ingediend. Met ingang van 2013 is deze opgave ingediend op het adres [adres 2] te [plaats 1] (het adres van appellante). Volgens verweerder is deze eenmanszaak op 1 november 2011 administratief opgevolgd door appellante. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat de broer van de man in 2009 een aparte Gecombineerde opgave heeft ingediend voor diens eigen bedrijf op het adres [adres 3] te [plaats 1] . Volgens verweerder voerden de man en diens broer twee afzonderlijke bedrijven. De in de Gecombineerde opgave 2009 opgegeven activiteiten van de man zijn serieuze landbouwactiviteiten en kunnen niet worden afgedaan als het hobbymatig houden van enkele schapen. Verweerder heeft op basis van deze gegevens vastgesteld dat er ten aanzien van de man al vóór 2010 sprake was van een landbouwbedrijf en dat sprake is van continuïteit in dat bedrijf. Dat er in 2011 een nieuw landbouwbedrijf is ontstaan wordt niet door deze gegevens ondersteund, aldus verweerder. Verweerder heeft geconcludeerd dat de man in de eenmanszaak als bedrijfshoofd al per definitie zeggenschap heeft gehad in een landbouwbedrijf, zodat hij al vóór 2010 zeggenschap heeft verkregen in een landbouwbedrijf.

11.2

Appellante heeft in haar reactie van 22 september 2017 aangevoerd zich niet te herkennen in het door verweerder geschetste beeld van het bedrijf van de man. Door de overdracht in 2009 zijn de gegevens niet meer te controleren, omdat deze zijn geblokkeerd. De geschetste omvang van het bedrijf van de man komt appellante onwaarschijnlijk voor. Zij betreurt het dat verweerder heeft nagelaten de bewijsstukken in de vorm van een Gecombineerde opgave en stallijst toe te voegen. Appellante handhaaft haar standpunt dat de activiteiten van de man tot de vorming van appellante in 2011 als hobbymatig bestempeld moeten worden.

11.3

Naar het oordeel van het College heeft verweerder door middel van de ‘melding bedrijfsoverdracht’ van 21 december 2009 aangetoond dat de man in ieder geval in 2009 als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf heeft gehad. Appellante heeft niet betwist dat de man dit heeft gedaan in de vorm van een eenmanszaak. Dat de man voorafgaand aan de oprichting van appellante op 15 november 2011 slechts hobbymatig bezig zou zijn geweest en aldus geen sprake was van een landbouwbedrijf, heeft appellante op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, terwijl dit in de gegeven omstandigheden wel van haar mocht worden gevergd. Zij stelt slechts dat de door verweerder genoemde aantallen dieren haar onwaarschijnlijk voorkomen, maar heeft deze aantallen als zodanig niet ontkent, terwijl appellante daar evenmin andere aantallen tegenover heeft gesteld. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat appellante daarvoor uitsluitend aangewezen zou zijn op de systemen van verweerder, zodat de omstandigheid dat verweerder de door hem genoemde aantallen niet heeft voorzien van een nadere onderbouwing appellante in dit geval niet kan baten.

12. Het College is voorts met verweerder van oordeel dat de vrouw niet kan worden aangemerkt als jonge landbouwer, omdat niet is aangetoond dat zij in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag blokkerende zeggenschap had. Ten tijde van de aanvraag was in het handelsregister geregistreerd dat de man en de vrouw onbeperkt bevoegd zijn. Dit betekent, voor zover hier van belang, dat volgens de inschrijving in het handelsregister de man ondernemingsbeslissingen kon nemen, zonder dat de vrouw dit kon tegenhouden. Uit de inschrijving in het handelsregister blijkt dus niet dat de vrouw blokkerende zeggenschap heeft (vergelijk de uitspraak van 21 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:369). Voorts heeft appellante geen schriftelijke maatschapsovereenkomst, waarmee de blokkerende zeggenschap overeenkomstig artikel 2, aanhef en onder b, van de Beleidsregel kan worden aangetoond. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, de vrouw op grond van het huwelijksgoederenrecht daadwerkelijk langdurige zeggenschap zou hebben binnen appellante volgt het College niet, reeds nu appellante dat betoog op geen enkele wijze heeft uitgewerkt.

13. Vaststaat dat het bestreden besluit wat betreft de afwijzing van de aanvraag om extra betaling jonge landbouwers voor 2015 lijdt aan een motiveringsgebrek, zodat het in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb omdat appellante door het gebrek niet is benadeeld, nu zij ter zitting en bij brief van 22 september 2017 op die gewijzigde motivering heeft gereageerd.

14. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

15. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere zienswijze, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

  • -

    stelt de hoogte van de door verweerder verschuldigde dwangsom vast op € 280,-;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H. Bolt en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 januari 2018.

R.R. Winter de griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen