Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:75

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
16/1114
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen aanvraag gedaan om toewijzing betalingsrechten in Gecombineerde Opgave 2015 en te late aanvraag in de gewijzigde Gecombineerde Opgave. Geen kennelike fout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1114

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigden: mr. ing. J.L. Mieras en J.T. Fokkens),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: A.S. Bosma en mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellant om wijziging van zijn Gecombineerde Opgave 2015 afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting gaat het College uit van de volgende feiten.

1.1

Voor een weergave van het wettelijk regime voor de toekenning van steun aan landbouwers verwijst het College naar de overwegingen 1.1. tot en met 1.6 van zijn uitspraak van 6 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:68, te raadplegen op www.rechtspraak.nl).

1.2

Appellant heeft op 15 mei 2015 een Gecombineerde opgave 2015 bij verweerder ingediend. Het formulier voor die opgave bevat een rubriek “Regelingen”, waarbij als toelichting wordt gegeven: “Geef hieronder aan voor welke regelingen u in 2015 in aanmerking wilt komen, of waarvoor u uitbetaling wilt aanvragen”. De rubriek bestaat uit twee onderdelen: betalingsrechten en overige regelingen. Als toelichting op het onderdeel betalingsrechten wordt gegeven: “Wilt u in aanmerking komen voor toekenning van betalingsrechten? Geef dat hieronder aan, u kunt één van de drie mogelijkheden kiezen”. Vervolgens worden drie mogelijkheden genoemd: betalingsrechten aanvragen, aanvraag betalingsrechten uit de Nationale reserve voor starters en aanvraag betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers. Achter elk van die mogelijkheden staan de vakjes “Ja” en “Nee”. Appellant heeft bij al die vakjes “Nee” aangekruist. Ook bij het onderdeel “Overige regelingen” heeft hij overal “Nee” aangekruist. In de van de Gecombineerde opgaven 2015 van appellant deel uitmakende “Samenvatting Grondgebonden Subsidies” is onder het kopje “GLB/Betalingsrechten” na “Uitbetaling betalingsrechten en vergroeningsbedrag aangevraagd” vermeld: “n.v.t.”.

1.3

Appellant heeft bij brief van 27 mei 2016 verweerder verzocht een correctie door te voeren op de Gecombineerde opgave van 2015, in die zin dat daar waar bij de vraag “Uitbetalen Betalingsrecht” is aangegeven dat niet uitbetaald hoeft te worden, moet worden aangegeven dat wel uitbetaald moet worden.

2 Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om wijziging van de Gecombineerde opgave 2015 opgevat als een aanvraag voor toekenning en uitbetaling van betalingsrechten en uitbetaling van vergroeningsbetaling. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag na 10 juli 2015 is ontvangen en daarom te laat is ingediend.

3. Appellant voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte overweegt dat geen sprake kan zijn van een kennelijke fout, omdat appellant geen steunaanvraag heeft ingediend. Appellant heeft dit wel gedaan; hij is alleen vergeten om daarin aan te geven dat hij betalingsrechten en uitbetaling van betalingsrechten wilde aanvragen. Het is hem dan ook pas bij het invullen van de Gecombineerde opgave 2016 gebleken dat hem over 2015 geen betalingsrechten zijn toegekend. Hij is hier ten onrechte niet op gewezen. Appellant verkeerde in de veronderstelling dat hij over 2015 betalingsrechten had aangevraagd en mocht daar volgens hem ook van uitgaan, nu bij het uitprinten van het formulier gewaspercelen bleek dat onder het kopje “GLB/Betalingsrechten” stond dat hij 6,66 ha had opgegeven als subsidiabele oppervlakte en hetzelfde volgens hem vermeld is in de Gecombineerde opgave 2015 onder het kopje “GLB/Betalingsrechten”. Gelet daarop is het niet aanvragen van de toekenning en uitbetaling van de betalingsrechten onlogisch en te kwalificeren als een kennelijke fout. Appellant betoogt dat verweerder hem een herstelmogelijkheid had moeten bieden. Dit klemt volgens appellant te meer daar hij fruitteler is, in het verleden nimmer toeslagrechten heeft gehad en daardoor niet op de hoogte was van de van toepassing zijnde regels. Met de in geding zijnde afwijzing van betalingsrechten over 2015 wordt hem tevens de kans ontnomen om voor de komende jaren betalingsrechten te verkrijgen. Dit betekent voor hem een forse kostenpost, aldus appellant.

4 Vaststaat dat appellant in zijn op 15 mei 2015 ingediende Gecombineerde opgave 2015 expliciet heeft ingevuld geen aanvraag te doen voor toewijzing van betalingsrechten door bij de drie genoemde mogelijkheden betalingsrechten aanvragen, aanvraag betalingsrechten uit de Nationale reserve voor starters en aanvraag betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers het vakje “Nee” aan te kruisen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant met de door hem op 15 mei 2015 ingediende Gecombineerde opgave 2015 geen verzamelaanvraag en dus geen steunaanvraag heeft ingediend waarbij hij om toewijzing van betalingsrechten of uitbetaling hiervan heeft gevraagd (zie de uitspraak van het College van 6 maart 2017, hiervoor aangehaald en de uitspraak van het College van 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:195, te raadplegen op www.rechtspraak.nl).

4.1

Het beroep van appellant op het bestaan van een kennelijke fout in de door hem op

15 mei 2015 ingediende Gecombineerde opgave 2015 – in die zin dat duidelijk moet zijn geweest dat wel beoogd is betalingsrechten en uitbetaling hiervan aan te vragen – ziet eraan voorbij dat de vraag of sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 4 van Verordening 809/2014, gelet op de bewoordingen van dat artikel, eerst aan de orde is als een steunaanvraag is ingediend. Nu met de op 15 mei 2015 ingediende Gecombineerde opgave 2015 geen verzamelaanvraag en dus geen steunaanvraag is gedaan, is voor de beoordeling of sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 4 van Verordening 809/2014 in die Gecombineerde opgave 2015 geen plaats (zie de uitspraken van het College van 6 maart 2017 en van 24 mei 2017, hiervoor aangehaald).

4.2

Wat betreft de door appellant bij brief van 10 mei 2016 ingediende wijziging van de Gecombineerde opgave 2015 waarmee hij alsnog te kennen heeft gegeven in aanmerking te willen komen voor toewijzing van betalingsrechten, uitbetaling hiervan en vergroeningsbetaling, staat vast dat deze aanvraag na de uiterste datum (15 juni 2015) is ingediend en dat ook de termijn van 25 kalenderdagen is overschreden (10 juli 2015). Verweerder was dus gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten van appellant af te wijzen (artikel 24 van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met de artikelen 13 en 14 van Verordening 640/2014).

4.3

Voor zover appellant heeft betoogd dat verweerder hem had moeten waarschuwen dat hij had nagelaten om in de Gecombineerde opgave te verzoeken om uitbetaling van zijn toeslagrechten, miskent dit dat het de verantwoordelijkheid is van de aanvrager om duidelijk te maken dat hij uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst. Verweerder is niet verplicht om te treden in de motieven die een aanvrager kan hebben om geen uitbetaling te vragen.

4.4.

Het beroep dat appellant doet op onbekendheid met de toepasselijke regels kan niet slagen. Van een landbouwer-ondernemer die in aanmerking wenst te komen voor bedrijfstoeslag, mag verwacht worden dat hij zich goed informeert over de voorwaarden die gelden om voor die toeslag in aanmerking te komen. Naar verweerder terecht naar voren heeft gebracht had het, juist nu appellant een fruitteler is en niet eerder toeslagrechten had gehad, op de weg van appellant gelegen om voor de uiterste indieningstermijn van de Gecombineerde Opgave 2015 contact op te nemen met de RVO als er sprake was van onduidelijkheden met betrekking tot de aanvraag.

4.5

Voor zover appellant met zijn betoog dat hij door het niet toekennen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Zoals hiervoor is overwogen, was verweerder op grond van artikel 24 van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met de artikelen 13 en 14 van Verordening 640/2014, gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen, omdat deze te laat was ingediend. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging (zie de uitspraak van het College van 6 maart 2017, hiervoor aangehaald). Dat het bestreden besluit mogelijk nadelige gevolgen heeft voor de toekomst, in die zin dat appellant vanwege het bestreden besluit niet in aanmerking zal komen voor betalingsrechten na 2015, kan bij de beoordeling van het nu aan de orde zijnde besluit derhalve evenmin een rol spelen.

5 Naar het oordeel van het College heeft verweerder het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten terecht afgewezen, nu vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) alleen mogelijk is als het primaire besluit wordt herroepen. Daarvan is hier geen sprake.
Ook het betoog van appellant ten slotte dat verweerder de verschuldigde wettelijke rente moet vergoeden over de betalingsrechten over 2015 slaagt niet, nu, naar uit het voorgaande volgt, verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegewezen aan appellant. Mitsdien is geen uitbetaling toegekend die verweerder aan appellant verschuldigd is en is reeds om die reden geen wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:97 van de Awb verschuldigd.

6 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

w.g. C.J. Borman w.g. N.T. Zijlstra