Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:70

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
16/388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kostenbesluit, gezondheids- en welzijnswet voor dieren, hoogte van de kosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/388

11351

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik),

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd ter voorkoming van herhaling van overtredingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd).

Bij besluit van 18 augustus 2014 (kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving bij appellant in rekening gebracht.

Bij besluit van 6 april 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen het kostenbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn toenmalige gemachtigde mr. B. Smit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen

[naam 2] en [naam 3] .

Bij tussenuitspraak van 17 januari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:15) heeft het College verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak, ter herstel van de gebreken aan het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het kostenbesluit.

Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft verweerder bij besluit van 14 februari 2017 (wijzigingsbesluit) een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van appellant tegen het kostenbesluit ter herstel van vorengenoemde gebreken.

Appellant heeft een zienswijze ingediend naar aanleiding van het wijzigingsbesluit.

Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor de voorgeschiedenis en achtergrond van het geschil verwijst het College naar de hierboven genoemde tussenuitspraak.

2. Het College handhaaft hetgeen hij in voornoemde tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

3. Bij het besluit van 6 april 2016, zoals gewijzigd bij het besluit van 14 februari 2017 (tezamen het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar tegen het kostenbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat het bij appellant in rekening gebrachte bedrag voor de transportkosten met € 199,09 wordt verlaagd van € 997,57 naar € 798,48. Dit betekent dat de kosten van de bestuurlijke handhaving voor een bedrag van in totaal € 2.284,56 bij appellant in rekening worden gebracht. Na verrekening van de opbrengst van de verkochte kalveren van € 485,- en de reeds eerder door appellant betaalde, geschatte kosten ter hoogte van € 2.300,- is verweerder een bedrag van € 500,44 aan appellante verschuldigd.

4. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van appellant van rechtswege tevens betrekking op het wijzigingsbesluit.

5. Appellant voert aan dat uit het wijzigingsbesluit op geen enkele wijze valt af te leiden op welke manier verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek met betrekking tot de strekking van maatregel 1 van de last onder bestuursdwang van 17 december 2013 heeft hersteld. Verweerder geeft immers geen nadere motivering op grond waarvan het voor appellant duidelijk had moeten zijn dat maatregel 1 specifiek zag op de huisvesting van de kalveren. Verweerder heeft geen toezichtrapporten, die zijn opgesteld voorafgaande aan genoemde last, overgelegd waaruit dit blijkt. Verweerder lijkt in het wijzigingsbesluit louter een uitgebreidere uiteenzetting te geven van de relevante feiten en omstandigheden voorafgaand aan het meevoeren en opslaan van de drie kalveren.

6.1

Het College stelt vast dat verweerder in het wijzigingsbesluit de bij de hercontroles op 6, 7 en 9 januari 2014 door de toezichthouders aangetroffen situatie met betrekking tot de drie kalveren heeft beschreven op basis van de bevindingen in het toezichtrapport van 13 januari 2014. Daaruit heeft verweerder in het wijzigingsbesluit vervolgens geconcludeerd dat bij elk van genoemde controles sprake was van een overtreding van artikel 36, eerste lid, van de Gwwd wegens de wijze waarop deze kalveren waren gehuisvest in respectievelijk een veewagen en eenlingboxen. Dit betekent, aldus verweerder in het wijzigingsbesluit, dat bij elk van genoemde hercontroles niet was voldaan aan maatregel 1 van de last van 17 december 2013.

6.2

Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van het College niet nader gemotiveerd dat maatregel 1 (mede) ertoe strekte aan appellant op te dragen te voldoen aan de in de artikelen 3 en 4 van het Kalverenbesluit neergelegde huisvestingseisen voor kalveren en dat dit duidelijk voor appellant was of kon zijn, zoals overwogen in de tussenuitspraak van 17 januari 2017. De door verweerder in het wijzigingsbesluit gegeven motivering is geheel toegespitst op hetgeen na het opleggen van de last van 17 december 2013 door de toezichthouders is geconstateerd bij genoemde hercontroles, maar geeft geen redenen waarom moet worden aangenomen dat de bij deze last opgelegde maatregel 1 (mede) voornoemde strekking had. Die redenen zouden bijvoorbeeld kunnen blijken uit de bevindingen van de toezichthouders bij de controle die aanleiding is geweest voor het opleggen van deze maatregel en hetgeen in dat kader is gecommuniceerd met appellant, of andere gegevens die inzicht bieden in hetgeen verweerder ten tijde van het opleggen van de last precies beoogde te bereiken met deze maatregel. Voorts heeft verweerder in het wijzigingsbesluit in het geheel niet gemotiveerd waarom voor appellant duidelijk was of kon zijn dat maatregel 1 (mede) genoemde strekking had. Verweerder is er dan ook niet in geslaagd het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek met betrekking tot de strekking van maatregel 1 te herstellen.

6.3

Naar het oordeel van het College moet het er daarom voor worden gehouden dat deze maatregel niet (mede) de strekking had appellant op te dragen te voldoen aan de in de artikelen 3 en 4 van het Kalverenbesluit neergelegde huisvestingseisen voor kalveren en dat dit duidelijk voor appellant was of kon zijn. Nu verweerder wel van die strekking is uitgegaan, betekent dit dat verweerder zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant maatregel 1 niet, dan wel onvoldoende had uitgevoerd. Verweerder mocht dan ook niet tot toepassing van bestuursdwang overgaan, zodat de kosten van het meevoeren en opslaan van de kalveren niet ten laste van appellant mochten worden gebracht. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden te worden vernietigd wegens strijd met artikel 5:25, eerste lid, van de Awb, ingevolge welke bepaling de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

7. Nu onduidelijk is of verweerder bij het bestreden besluit het kostenbesluit heeft herroepen en daarvoor een nieuw kostenbesluit in de plaats heeft gesteld in verband met de gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar van appellant op het punt van de transportkosten, zal het College zekerheidshalve het kostenbesluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

8. Gelet op het vorenstaande komt het College niet meer toe aan de beoordeling van hetgeen verweerder in het wijzigingsbesluit heeft vermeld met betrekking tot de opbrengst van de kalveren en hetgeen appellant daartegen heeft aangevoerd.

9.1

Appellant heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Het College overweegt hierover het volgende.

9.2

Het beroep in deze zaak heeft uitsluitend betrekking op het onderdeel van het besluit op bezwaar van verweerder dat betrekking heeft op het (bijkomende) besluit waarbij verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang ter uitvoering van de aan appellant opgelegde last onder bestuursdwang bij appellant in rekening heeft gebracht en waarbij ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb het bezwaar van appellant tegen die last van rechtswege mede betrekking had op dat kostenbesluit. Het College is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met de bekendmaking van het kostenbesluit op

18 augustus 2014 en is geëindigd met de onderhavige uitspraak.

9.3

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure van rechtsbescherming bij het College die bestaat uit bezwaar en beroep in eerste en enige aanleg, die volgt op het (primaire) kostenbesluit dat is bekendgemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar (zie de uitspraak van de Grote Kamer van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, en de uitspraak van het College van 24 juni 2014, ECLI:NL:CBB:2014:234). Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit, behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

9.4

Sedert de bekendmaking van het kostenbesluit op 18 augustus 2014 zijn ten tijde van deze uitspraak drie jaar en zes maanden verstreken, waarvan 20 maanden gemoeid zijn geweest met de behandeling van het bezwaar. Dit betekent dat de hiervoor in 9.3 vermelde als redelijk aan te merken termijn is overschreden. Er doen zich geen omstandigheden voor op grond waarvan het College de overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd acht. Dit betekent dat de procedure één jaar en zes maanden te lang heeft geduurd. In de tussenuitspraak van 17 januari 2017 heeft het College meerdere gebreken geconstateerd in het kostenbesluit. Het College heeft daarop een bestuurlijke lus toegepast om verweerder de gelegenheid te geven een nieuw besluit te nemen ter herstel van genoemde gebreken. Mede als gevolg hiervan is de overschrijding van de redelijke termijn ontstaan. Het College overweegt, gelet op het voorgaande, dat in een geval als dit deze overschrijding volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Dat zou slechts anders zijn wanneer het College de redelijke behandelingsduur voor het beroep heeft overschreden. Dit is naar het oordeel van het College bij toepassing van een bestuurlijke lus in een geval als het onderhavige niet het geval, indien het College uitspraak doet binnen éen jaar na ontvangst van de mededeling van verweerder van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, met dien verstande dat binnen anderhalf jaar tussenuitspraak is gedaan. Die behandelingsduur is in dit geval niet overschreden, nu in het beroep van appellant binnen anderhalf jaar de voormelde tussenuitspraak is gedaan en niet later dan één jaar na ontvangst van de mededeling van verweerder van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld een einduitspraak is gedaan.

9.5

Uitgaande van een tarief van € 500,-- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellant recht heeft op € 1.500,-- schadevergoeding.

9.6

Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb (zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.12, ECLI:NL:HR:2016:252) verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,-- aan appellant.

10. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het kostenbesluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.252,50;

- veroordeelt verweerder om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.

S.C. Stuldreher M.S. van den Berg

de griffier is niet tot ondertekening in staat