Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:658

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
17/1834
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wmg. Kwaliteitsimpuls verpleeghuizen. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar dat 5 instellingen hebben ingediend tegen de toekenningsbesluiten kwaliteitsimpuls aan 72 andere instellingen. Het College overweegt dat de 5 instellingen wel degelijk een rechtstreeks belang kunnen hebben bij de 72 toewijzingsbesluiten. NZa heeft echter geen onderzoek gedaan naar de concurrentiepositie van de 5 instellingen, noch de 72 begunstigde instellingen over de bezwaren van de 5 instellingen geïnformeerd. Het beroep is gegrond. NZa zal alsnog onderzoek moeten doen naar de concurrentiepositie van de 5 instellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2019/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1834

13950

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2018 in de zaken tussen

1. Stichting Zorggroep Charim te Veenendaal,

2. Stichting Inovum te Loosdrecht,

3. Noorderbreedte B.V. te Leeuwarden,

4. Stichting Zorgstroom te Middelburg,

5. WelThuis B.V .te Gouda,

appellanten (gemachtigden: mr. P.A.M. Broers en mr. Y.A. Maasdam),

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigden: mr. E.C. Pietermaat en mr. M.A.M. Verduijn).

Procesverloop

Bij besluiten van 5 juli 2017 heeft verweerster afzonderlijke tariefbeschikkingen genomen waarmee aan 72 zorgaanbieders bedragen ingevolge de Kwaliteitsimpuls verpleeghuizen zijn toegekend. Vervolgens heeft verweerster bij afzonderlijke tariefbeschikkingen van 18 juli 2017 ten aanzien van 70 zorgaanbieders de op 5 juli 2017 toegekende middelen om administratieve redenen verwerkt in de aanvaardbare kosten (budget) van deze betreffende zorgaanbieders.

Appellanten hebben eveneens verzocht om in aanmerking te komen voor toekenning van middelen in het kader van de zogenoemde kwaliteitsimpuls verpleeghuizen. Bij besluiten van 16 juni 2017 heeft verweerster afwijzend op deze verzoeken beslist.

Appellanten hebben vervolgens bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 5 en 18 juli 2017 (hierna: de toewijzingsbesluiten).

Bij besluit van 1 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft zij meegedeeld dat de toewijzingsbesluiten niet bij het verweerschrift zijn gevoegd omdat deze bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten. Wel zijn als bijlage 41 bij het verweerschrift bij wijze van voorbeeld afschriften van beschikkingen van 5 en van 18 juli 2017 gevoegd, waarin de naam van de zorgaanbieder en de cijfermatige gegevens zijn weggelakt.

Appellanten hebben daarmee ingestemd maar tevens het verzoek gedaan dat verweerster
– eventueel met een beroep op art. 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht – een overzicht overlegt met de namen van de zorgaanbieders en de daarbij behorende cijfermatige gegevens. Volgens hen is zo’n overzicht van belang voor de beoordeling van de vraag of zij als belanghebbenden bij de toewijzings-besluiten dienen te worden aangemerkt. De griffier van het College heeft appellanten bij brief van 29 juni 2018 bericht dat het College overlegging door verweerster van zodanig overzicht voorshands niet nodig acht.

Vervolgens hebben appellanten nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2018.

Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts zijn namens appellanten verschenen [naam 1] en [naam 2] .

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij de kwaliteitsimpuls verpleeghuizen waarop de aanvraag van appellanten betrekking heeft gaat het om een bedrag van € 100 miljoen dat in 2017 door de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) incidenteel beschikbaar is gesteld.

Een en ander houdt verband met diverse andere maatregelen om de kwaliteit van de verpleeghuiszorg te verbeteren. Zo heeft de staatssecretaris in 2015 het plan “Waardigheid en trots. Liefdevolle zorg voor onze ouderen” gelanceerd. In het kader van dat plan zijn structureel extra middelen beschikbaar gesteld voor dagbesteding van bewoners en deskundigheid van personeel.

Naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen motie over het manifest “Scherp op ouderenzorg” heeft de staatssecretaris in een brief van 13 januari 2017 aan de Kamer uiteengezet op welke wijze uitvoering aan dat manifest zal worden gegeven. Voorts heeft het Zorginstituut Nederland op 13 januari 2017 een kwaliteitskader voor de verpleeghuiszorg vastgesteld, waarin onder meer normen voor de personeelssamenstelling zijn opgenomen. Zorgaanbieders zijn gehouden om in overeenstemming met het kwaliteitskader te handelen.

De staatssecretaris heeft op basis van door verweerster en het Centraal Planbureau uitgevoerde (impact)analyses geconcludeerd dat structureel een bedrag van € 2,1 miljard extra benodigd is voor de verpleeghuiszorg om aan de eisen van het kwaliteitskader te voldoen. Voor het jaar 2017 is een eerste bedrag van € 100 miljoen structureel beschikbaar gesteld. Voor 2018 zijn de structurele extra middelen opgehoogd tot € 435 miljoen. Deze extra middelen zijn beschikbaar gesteld door de reguliere tarieven voor verpleeghuiszorg te verhogen.

2. Vooruitlopend op de (impact)analyses en de extra middelen die daaruit zouden voortvloeien heeft de staatssecretaris in 2017 eenmalig € 100 miljoen beschikbaar gesteld. Dit heeft de staatssecretaris in de hiervoor reeds genoemde brief aan de Kamer van 13 januari 2017 als volgt toegelicht:

“ (…) Het kwaliteitskader stelt een nieuwe en ambitieuze norm voor alle verpleeghuizen. Het is de verantwoordelijkheid van alle verpleeghuizen om hier onmiddellijk mee aan de slag te gaan. Dit in een situatie waarbij de zorgvraag en de zwaarte daarvan blijft toenemen de komende jaren. Daarom heb ik eerder aangegeven te zullen bezien of de middelen voor de verpleeghuiszorg structureel nog in lijn liggen met de toegenomen zorgzwaarte en de normstelling in het kwaliteitskader, zoals inmiddels vastgelegd door het Zorginstituut. Eerder was voorzien dat de NZa dit advies eind 2017 zou leveren. Dat zou te lang duren. Daarom zal ik uw Kamer hierover conform u verzoek, mede op advies van de NZa, eind februari nader informeren over de impact van het kwaliteitskader. Ik vind het echter belangrijk dat daar waar verbetering van kwaliteit het hardst nodig is, alvast kan worden begonnen. Hiervoor is in 2017 € 100 mln beschikbaar. Het voor zorgkantoren beschikbare Wlz-kader stijgt hierdoor van € 19,3 mld naar € 19,4 mld.

Belangrijk is dat de zorgkantoren eenduidig over de inzet van deze middelen besluiten. Ik ga in gesprek met de zorgkantoren om tot gezamenlijke uitvoering te komen. Dit alles onder de voorwaarde dat per verpleeghuis een beoordeling plaatsvindt over de eigen mogelijkheden en maatregelen ten aanzien van benutting van reserves, minimalisering van de overhead, betrokkenheid cliëntenraad en personeels-vertegenwoordiging en transparantie over de te nemen maatregelen en resultaten. (…)”

3. Bij brief van 19 april 2017 heeft de directeur-generaal Langdurige Zorg van VWS verweerster nader geïnformeerd over de incidentele kwaliteitsimpuls voor de verpleeghuiszorg. Deze brief vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

“ Deze 100 miljoen euro wordt beschikbaar gesteld via een landelijke geoormerkte ruimte naast de contracteerruimte voor het jaar 2017. De middelen zijn bedoeld voor een kwaliteitsimpuls voor zorgaanbieders die Wlz-zorg met verblijf leveren aan ZZP VV4 en hoger. Deze middelen kunnen ook worden ingezet op locaties waar naast zorg met verblijf, sprake is van de leveringsvorm volledig pakket thuis. Wlz-uitvoerders maken voor de inzet van deze middelen afspraken met zorgaanbieders.

Het proces dat wij hebben afgesproken, ziet er als volgt uit. De Wlz-uitvoerder en de zorgaanbieder dienen een tweezijdige aanvraag in. Aan de aanvraag dient een plan van aanpak ten grondslag te liggen met concrete maatregelen voor de te realiseren kwaliteitsimpuls op basis van een advies van Vilans. Vereist is dat het plan van aanpak is voorgelegd aan de cliëntenraad en de ondernemingsraad. Het vast te stellen tarief behoort bij een nog door u te ontwikkelen prestatiebeschrijving. Het tarief hiervoor zal worden vastgesteld als een lumpsum bedrag, onafhankelijk van de omvang van de productie. Op deze middelen vindt geen nacalculatie plaats.”

4. Op 12 mei 2017 heeft verweerster haar beleidsregels aangepast in verband met de verdeling van de kwaliteitsmiddelen.

In de artikelen 6 en 11 van de beleidsregel Budgettair kader Wlz 2017 is vanaf 12 mei 2017, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“ 6. Geoormerkte middelen

Naast de contracteerruimte (…) zijn er geoormerkte middelen voor innovatie en een kwaliteitsimpuls verpleeghuizen beschikbaar. (…)

Voor een kwaliteitsimpuls van de verpleeghuizen is landelijk incidenteel € 100 miljoen beschikbaar (zie Beleidsregel ‘Prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten’ en Beleidsregel ‘Prestatiebeschrijvingen en tarieven volledig pakket thuis’).”

“ 11.1 Uiterste indieningstermijn

11.1.1

Productieafspraken binnen de contracteerruimte

Het formulier waarin de productieafspraken 2017 tussen zorgaanbieder en Wlz-uitvoerder zijn vastgelegd (budgetformulier), moet vóór 1 november 2016 (budgetronde) bij de NZa worden ingediend. (…)

11.1.2

Innovatie (…)

11.1.3

Kwaliteitsimpuls verpleeghuizen

Aanvragen met betrekking tot de geoormerkte contracteerruimte Kwaliteitsimpuls (artikel 6) kunnen tot 30 juni 2017 door het zorgkantoor en de zorgaanbieder tweezijdig bij de NZa worden ingediend.

11.2

Gevolgen overschrijding uiterste indieningstermijn (…)

11.3

Eenzijdige verzoeken

11.3.1

Productieafspraken binnen de contracteerruimte (…)

11.3.2

Innovatie

Een eenzijdig verzoek voor innovatie als genoemd in artikel 6 wordt niet in behandeling genomen.”

In de beleidsregel Prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten (BR/REG-17137d, van 12 mei 2017) is in de artikelen 5.10 en 9 vermeld:

“ 5.10 Kwaliteitsimpuls verpleeghuizen

Om de kwaliteit van verpleeghuizen en daarmee de situatie voor cliënten en zorgmedewerkers aantoonbaar te verbeteren zijn er in 2017 incidentele middelen beschikbaar gesteld voor verpleeghuizen waar sprake is van urgente kwaliteitsproblemen. De focus van de middelen moet liggen op:

- De locaties van zorginstellingen waar verpleeghuiszorg wordt geboden die

verbetering van de kwaliteit het hardst nodig hebben;

- De inzet van extra benodigd personeel.

Zorgkantoren/Wlz-uitvoerders bepalen op basis van ingediende plannen door de zorgaanbieders hoe hoog het bedrag is dat de zorgaanbieder toegewezen krijgt. De prestatie kent een vrije beleidsregelwaarde. Er is voor deze prestatie € 100 miljoen beschikbaar. Voor de prestatie kan een lumpsum bedrag worden aangevraagd op basis van een tweezijdig ingediende aanvraag van zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder.”

“ 9. Kwaliteitsimpuls verpleeghuizen

Doel

Het doel van de kwaliteitsimpuls voor verpleeghuizen is om locaties van zorginstellingen waar verpleeghuiszorg wordt geboden waar sprake is van kwaliteitsproblemen, een steun in de rug te geven. De focus bij de verdeling van de middelen ligt op de verbetering van de kwaliteit en daarbinnen de inzet van extra benodigd personeel.

Grondslag en doelgroep

Zorgaanbieders die middels zzp of vpt zorg leveren aan cliënten die geïndiceerd zijn voor een cliëntprofiel vv4 t/m vv10.

Voorwaarden

- De cliënt beschikt over een Wlz-indicatie vv4 t/m vv10;

- Er is sprake van een urgent kwaliteitsprobleem; basisveiligheid in relatie tot

personeelsbezetting;

- Zorgaanbieder maakt een plan, dat beschrijft hoe de middelen worden ingezet. Dit plan is vormvrij;

- Het plan is ondertekend door OR, CR, VAR en bestuurder;

- Het plan moet worden goedgekeurd door het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder. Deze goedkeuring blijkt uit het ondertekeningsdocument van het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder;

- Er wordt in het proces volledige transparantie gevraagd;”

De artikelen 5.8 en 9 van de beleidsregel Prestatiebeschrijvingen en tarieven volledig pakket thuis (BR/REG-17136d, van 12 mei 2017) luiden:

“ 5.8 Kwaliteitsimpuls verpleeghuizen

Om de kwaliteit van verpleeghuizen en daarmee de situatie voor cliënten en zorgmedewerkers aantoonbaar te verbeteren zijn er in 2017 incidentele middelen beschikbaar gesteld voor verpleeghuizen waar sprake is van grote kwaliteitsproblemen en waar de basisveiligheid een impuls moet krijgen. De focus van de kwaliteitsimpuls moet liggen op:

- De locaties van zorginstellingen waar verpleeghuiszorg wordt geboden die

verbetering van de kwaliteit het hardst nodig hebben;

- De inzet van extra benodigd personeel.

Zorgkantoren/Wlz-uitvoerders bepalen op basis van ingediende plannen door de zorgaanbieder hoe hoog het bedrag is dat de zorgaanbieder toegewezen krijgt. De prestatie kent een vrije beleidsregelwaarde. Er is voor deze prestatie € 100 miljoen beschikbaar. Voor de prestatie kan een lump sum bedrag worden aangevraagd op basis van een tweezijdig ingediende aanvraag van zorgaanbieder en zorgkantoor/Wlz-uitvoerder.”

“ 9. Kwaliteitsimpuls verpleeghuizen

Doel

Het doel van de kwaliteitsimpuls voor verpleeghuizen is om locaties van zorginstellingen waar verpleeghuiszorg wordt geboden waar sprake is van kwaliteitsproblemen en waar de basisveiligheid een impuls moet krijgen, een steun in de rug te geven. De focus bij de verdeling van de middelen ligt op de verbetering van de kwaliteit en daarbinnen de inzet van extra benodigd personeel. Daarbij gaat het veelal om grote kwaliteitsproblemen.

Grondslag en doelgroep

Zorgaanbieders die middels zzp of vpt zorg leveren aan cliënten die geïndiceerd zijn voor een cliëntprofiel vv4 t/m vv10.

Voorwaarden

- De cliënt beschikt over een Wlz-indicatie vv4 t/m vv10;

- Er is sprake van een urgent kwaliteitsprobleem; basisveiligheid in relatie tot

personeelsbezetting;

- Er zijn onvoldoende mogelijkheden om de basisveiligheid op orde te krijgen;

- Zorgaanbieder maakt een plan, dat beschrijft hoe de middelen worden ingezet. Dit plan is vormvrij;

- Het plan is ondertekend door OR, CR, VAR en bestuurder;

- Het plan moet worden goedgekeurd door het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder. Deze goedkeuring blijkt uit het ondertekeningsdocument van het zorgkantoor/de Wlz-uitvoerder;

- Er wordt in het proces volledige transparantie gevraagd;

- De evaluatie van de inzet van de middelen loopt mee in het kwaliteitsverslag en
-plan dat locaties opstellen.”

5. Inmiddels hadden de zorgkantoren en Zorgverzekeraars Nederland sinds begin april 2017 alvast documenten op hun websites geplaatst, waarin werd toegelicht hoe een aanvraag voor kwaliteitsmiddelen kon worden gedaan. Daarin was bepaald dat de middelen beschikbaar zijn voor locaties waar verbetering van kwaliteit het hardste nodig is om daarmee de situaties voor cliënten en zorgmedewerkers te verbeteren, alsmede dat zorgaanbieders hun aanvraagformulier tot uiterlijk 1 mei 2017 bij het zorgkantoor konden indienen. Het selectieproces werd daarin als volgt omschreven:

Stappen en planning selectieproces

Stap

Omschrijving

uiterste datum

1. aanmelding

Zorgaanbieder meldt zijn locatie(s) aan bij het zorgkantoor via het aanvraagformulier

1-mei-17

2. beoordeling zorgkantoor, financiële toets

Het zorgkantoor toetst aan de hand van financiële criteria (zie bijlage 1) of zorgaanbieder in aanmerking zou kunnen komen voor een deel van de middelen; uiterlijk 12 mei doen zorgkantoren opgave van het aantal locaties/cliënten van zorgaanbieders die aan de eisen van de financiële toets voldoen

12-mei-17

3. scan Vilans, inhoudelijke toets

Zorgkantoor stuurt aanvraag naar Vilans. Vilans voert een probleemanalyse uit en maakt een quickscan van het kwaliteitsprobleem van de locatie(s)

19-mei-17

4. voorstel met maatregelen

Zorgaanbieder stelt een concreet voorstel met maatregelen op in de vorm van maximaal 2 A4, waaruit blijkt hoe deze maatregelen op korte termijn bijdragen aan een oplossing voor de kwaliteitsproblemen (en wat bewoners en personeel ervan merken); hierin is een samenvatting van de scan van Vilans opgenomen

26-mei-17

5. Marginale toets Vilans

Vilans doet een marginale toets op het voorstel met concrete maatregelen. Daarbij maakt Vilans gebruik van reeds beschikbare kennis en ervaring vanuit de ondersteuningsactiviteiten die zij uitvoeren richting locaties met kwaliteitsproblemen.

27-mei-17

6. aanvraag indienen door zorgaanbieder bij zorgkantoor

De aanvraag, voorzien van de quick scan en concreet voorstel (inclusief kostenplaatje en uitkomst marginale toets Vilans, zie stap 5) is ondertekend door CR, OR, VAR en RvB

1 week na oplevering quick-scan door Vilans, maar uiterlijk 30 mei 2017

7. toets door zorgkantoor

Zorgkantoor toetst of voldaan is aan de formele voorwaarden en stelt vast welke bedrag door de zorgaanbieder/locatie is aangevraagd

6-jun-17

8. definitieve vaststelling lijst gehonoreerde aanvragen

Zorgkantoren stellen na inhoudelijke toets door Vilans en de ontvangen aanvragen van zorgaanbieders definitieve lijst met gehonoreerde aanvragen vast en daarmee het maximumbedrag per cliënt.

9-jun-17

9. indiening NZa

Zorgaanbieder en zorgkantoor dienen de tweezijdig ondertekende aanvraag in bij de NZa

15-jun-17

In de in stap 2 bedoelde “bijlage 1” worden de zorgaanbieders aan de hand van hun weerstandsvermogen – op basis van het geconsolideerde jaarverslag 2015 en afgerond op 3 cijfers achter de komma – ingedeeld in drie categorieën. Het weerstandsvermogen is hierbij gedefinieerd als: eigen vermogen : totale omzet. Categorie 1 heeft een weerstandsvermogen van minder dan 0,100. Categorie 2 heeft een weerstandsvermogen tussen 0,100 en 0,250. Categorie 3 heeft een weerstandsvermogen van 0,251 of meer. In het document is neergelegd dat een zorgaanbieder die tot categorie 3 behoort geen aanspraak kan maken op de extra middelen.

6. Appellanten hebben, ieder voor één of meer locaties, aanvragen voor de kwaliteitsimpuls verpleeghuizen ingediend bij hun zorgkantoor. De zorgkantoren hebben hun aanvragen afgewezen omdat zij tot de hierboven bedoelde categorie 3 behoren. Vervolgens hebben appellanten op 7 en 8 juni – gelijkluidende – aanvragen ingediend bij verweerster. In hun aanvragen hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de voor de verdeling van de kwaliteitsmiddelen afgesproken regeling en in het bijzonder de gehanteerde financiële voorwaarde en de wijze waarop deze bestuursrechtelijk is ingebed, in strijd is met onder meer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de staatssteunregels.

7. Appellanten hebben voorts bezwaar gemaakt tegen de aan 72 zorginstellingen gerichte toekenningsbesluiten. In bezwaar hebben zij zich wederom op het standpunt gesteld dat de voor de verdeling van de kwaliteitsmiddelen afgesproken regeling en in het bijzonder de gehanteerde financiële voorwaarde en de wijze waarop deze bestuursrechtelijk is ingebed, in strijd is met onder meer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de staatssteunregels. Appellanten hebben voorts betoogd dat zij belanghebbenden zijn bij de toewijzingsbesluiten, omdat hun concurrentiebelang daarbij rechtstreeks is betrokken.

8. Verweerster heeft het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is het beroep van appellanten gericht.

9. Appellanten hebben – samengevat – aangevoerd dat zij ten onrechte in hun bezwaar niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het gaat hier niet om een “normale” inkoopprocedure maar om het verstrekken van een subsidie en het verlenen van staatssteun. Appellanten zijn belanghebbenden, nu de begunstigden van de toewijzingsbesluiten in hetzelfde marktsegment als appellanten actief zijn en die begunstigden en appellanten met elkaar concurreren om de gunst van dezelfde cliëntengroep. De concurrentie vindt bovendien aan de aanbodzijde van de markt plaats op het gebied van het aantrekken van investeringen en de werving van personeel. Nu appellanten door de solvabiliteitseis op oneigenlijke gronden van de middelen zijn uitgesloten, hebben zij een objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk en voldoende actueel belang bij de besluiten waarmee hun concurrenten extra middelen toegekend hebben gekregen. Appellanten hebben in dit verband voorts aangevoerd dat het in strijd met het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel is dat instellingen met een solvabiliteit van meer dan 0,25 op voorhand worden uitgesloten van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de middelen. Het hanteren van deze financiële drempel dient volgens appellanten te worden toegerekend aan verweerster.
Ter zitting hebben appellanten toegelicht dat uit de in de openbaarheid gekomen informatie ten aanzien van de toewijzingsbesluiten blijkt dat de verzorgingsgebieden van twee van hen in ieder geval overlap vertonen met één van de 72 begunstigde zorgaanbieders. Voorts betogen appellanten dat alle zorgaanbieders met elkaar concurreren op de aanbodzijde van de markt. Met de toewijzingsbeschikkingen zijn aan de begunstigde instellingen extra middelen toegekend, terwijl dergelijke middelen aan appellanten zijn geweigerd, aldus appellanten. Verweerster heeft dit betoog van appellanten niet gemotiveerd betwist.

10. Verweerster heeft in het bestreden besluit overwogen en in verweer verduidelijkt dat appellanten niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb bij de tariefbeschikkingen. Voorts heeft verweerster daarin betoogd dat het appellanten aan procesbelang ontbreekt om tegen deze tariefbeschikkingen op te komen omdat zij daarmee niet kunnen bewerkstelligen dat aan henzelf middelen uit de kwaliteitsimpuls worden toegekend. Appellanten kunnen hooguit bewerkstelligen dat de toekenning van kwaliteitsmiddelen aan andere zorgaanbieders (gedeeltelijk) wordt teruggedraaid. De door appellanten tegen de afwijzing van hun aanvragen voor kwaliteitsimpuls ingediende bezwaren worden separaat behandeld. Mocht in bezwaar dan wel in beroep alsnog worden geoordeeld dat appellanten in aanmerking dienen te komen voor de kwaliteitsimpuls dan zullen extra middelen worden toegekend zonder dat een herverdeling van reeds toegekend middelen dient plaats te vinden.

11. Het College overweegt het volgende.

Appellanten stellen dat hun belang rechtstreeks bij de toewijzingsbesluiten is betrokken (artikel 1:2, eerste lid Awb) en dat zij procesbelang hebben. Zij voeren daartoe aan dat zij concurrenten zijn van de bij de toewijzingsbesluiten begunstigde instellingen.

Appellanten hebben als concurrenten van de bij de tariefbeschikkingen begunstigde instellingen een eigen zelfstandig belang bij deze beschikkingen. Naar het oordeel van het College kunnen appellanten ook in het geval de procedures van appellanten tegen de afwijzing van de door hen verzochte kwaliteitsimpuls niet ertoe leiden dat aan hen alsnog extra middelen worden toegekend, vanuit diezelfde concurrentiepositie een rechtstreeks belang hebben bij de door hen verzochte vernietiging van de toewijzingsbeschikkingen. Zij kunnen daarmee immers bewerkstelligen dat de toekenning van kwaliteitsmiddelen aan andere zorgaanbieders (gedeeltelijk) wordt teruggedraaid zodat de concurrentieverhoudingen, indien en voor zover die door de toekenningen onrechtmatig zouden zijn verstoord, weer worden gelijkgetrokken. Verweerster heeft dat alles niet onderkend. In zoverre is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.

Verweerster heeft in bezwaar geen onderzoek gedaan naar de concurrentiepositie van appellanten. Evenmin heeft zij de 72 begunstigde zorgaanbieders over de bezwaren van appellanten geïnformeerd. In zoverre is het besluit tevens onzorgvuldig tot stand gekomen.

12. Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerster zal in het kader van de nieuwe beslissing op de bezwaren van appellanten tegen de toewijzingsbeschikkingen alsnog onderzoek moeten doen naar de concurrentiepositie van appellanten alsmede de begunstigde zorgaanbieders bij de procedure dienen te betrekken. Het College ziet geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus. Het College zal verweerster opdragen binnen vier maanden na de dag van verzending van de uitspraak opnieuw op de bezwaren van appellanten te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

13. Het College veroordeelt verweerster in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerster op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerster op aan appellanten het betaalde griffierecht van € 333,-- te vergoeden;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.503,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. J.A.M. van den Berk en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.

w.g. J.L. Verbeek w.g. J.M.M. Bancken