Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:631

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
17/1519 en 17/1520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, actieve landbouwer, artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013, ingeschreven met landbouwactiviteit als nevenactiviteit, accountantsverklaring, fatale termijn, evenredigheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/1519 en 17/1520

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2018 in de zaak tussen

Landschapsbeheer [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E.T. de Jong),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. N.M. Brok).

Procesverloop

Bij besluiten van 30 mei 2017 en 9 juni 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder voor het jaar 2016 het verzoek om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling en de vergroeningsbetaling), de extra betaling jonge landbouwers en de graasdierpremie op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling), afgewezen.

Bij besluiten van 7 en 11 september 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder appellante terecht niet heeft aangemerkt als actieve landbouwer en daarom haar verzoek om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling, de extra betaling jonge landbouwers en de graasdierpremie voor het jaar 2016 terecht heeft afgewezen.

2. Verweerder heeft zich in de bestreden besluit en het verweerschrift - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat appellante niet uiterlijk op 15 mei 2016 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) stond ingeschreven met een hoofdactiviteit landbouw, maar alleen met een nevenactiviteit landbouw. Om met alleen een nevenactiviteit landbouw in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen, moet de betrokkene met een accountantsverklaring aantonen dat de landbouwactiviteiten een belangrijk deel van de totale economische activiteiten zijn. Appellante heeft geen accountantsverklaring ingediend en kan daarom volgens verweerder niet worden aangemerkt als actieve landbouwer. Verweerder heeft het verzoek om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling, de extra betaling jonge landbouwers en de graasdierpremie daarom afgewezen.

3. Appellante heeft - kort samengevat - aangevoerd dat zij zich er niet van bewust is geweest dat de volgorde van inschrijving van doorslaggevende betekenis was. Als het voor verweerder onduidelijk was of de landbouwactiviteit (bedrijfseconomisch) als voornaamste activiteit kon worden aangemerkt had hij om nadere informatie kunnen vragen. Nu kon appellante alleen nog in aanmerking komen voor uitbetaling indien zij een accountantsverklaring zou overleggen. Door het niet overleggen van de accountantsverklaring kan zij haar rechten voor het jaar 2016 niet te gelde maken en wordt zij onevenredig hard getroffen. Appellante acht dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit klemt volgens appellante temeer nu zij niet (tijdig) in de gelegenheid is gesteld haar aanvraag te completeren.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Artikel 9, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) bepaalt – kort gezegd – dat de lidstaten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria kunnen besluiten dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen: a) van wie de landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van hun totale economische activiteiten; en/of b) van wie de voornaamste activiteit of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is.

4.2

Om in het jaar 2016 in aanmerking te kunnen komen voor rechtstreekse betalingen moet een landbouwer of diens onderneming uiterlijk op 15 mei 2016, de uiterste datum voor het indienen van de Gecombineerde opgave 2016, staan ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Dit is bepaald in artikel 2.3, derde lid, van de Uitvoeringsregeling.

De landbouwer of diens onderneming moet ingeschreven staan met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit. Dit is bepaald in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling.

Eén en ander sluit aan bij het bepaalde in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014), waarvan het derde lid, ter uitvoering van artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1307/2013, bepaalt dat een landbouwactiviteit als voornaamste activiteit of ondernemingsdoel van een rechtspersoon wordt aangemerkt, indien deze als voornaamste activiteit of ondernemingsdoel is geregistreerd in het officiële bedrijvenregister of een gelijkwaardig officieel bewijsstuk van een lidstaat (zie de uitspraak van het College van 8 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:325).

4.3

Niet in geschil is dat appellante op 15 mei 2016 met de activiteit ‘Natuurbehoud’ met SBI-code 91042 als hoofdactiviteit stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Deze activiteit kan niet worden aangemerkt als landbouwactiviteit. Dat appellante feitelijk al jaren een landbouwbedrijf heeft en dat zij landbouwactiviteiten uitoefent, kan hieraan niet afdoen, omdat de inschrijving in het handelsregister bepalend is. De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor de correcte inschrijving van zijn bedrijfsactiviteiten in het handelsregister. Het belang van de rangorde van die inschrijving mag in redelijkheid voldoende duidelijk worden geacht. Naast het feit dat deze eis is gesteld in ook voor appellante kenbare regelgeving, heeft verweerder appellante er ook nog eens bij brief van 4 maart 2016 op gewezen dat zij mogelijk met een landbouwactiviteit als nevenactiviteit staat ingeschreven in het handelsregister van de KvK en dat zij, om in aanmerking te kunnen komen voor rechtstreekse betalingen, uiterlijk 15 mei 2016 de inschrijving moet aanpassen of door middel van een accountantsverklaring moet aantonen dat haar landbouwactiviteiten een belangrijk deel van de totale economische activiteiten zijn.

Verder is appellante er in de Gecombineerde opgave 2016 op gewezen dat zij volgens de KvK-gegevens niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit staat ingeschreven. Van een professionele marktdeelnemer zoals appellante mag worden verwacht dat zij ervoor zorgt dat zij tijdig op de juiste wijze in het handelsregister geregistreerd staat.

4.4

Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat appellante niet heeft voldaan aan de eis in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Appellante diende dan ook op andere wijze dan door middel van een inschrijving in het handelsregister aan te tonen dat zij in 2016 een actieve landbouwer was, namelijk door het indienen van een accountantsverklaring. Dit is bepaald in artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling.

4.5

Uit artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013, in samenhang gelezen met artikel 13, derde lid, van Verordening 639/2014 en artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling in onderlinge samenhang gelezen, leidt het College af dat bewijsstukken ten aanzien van het zijn van actief landbouwer, te weten bij een niet correcte inschrijving in het handelsregister van de KvK de accountantsverklaring, reeds bij het indienen van de verzamelaanvraag, althans uiterlijk voor het verstrijken van de kortingsperiode, overgelegd dienen te worden. In artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, van Verordening 809/2014 en artikel 4.2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat alle bewijsstukken die nodig zijn dan wel nodig geacht worden door de bevoegde autoriteit, voor de beoordeling van de aanvraag met de aanvraag moeten worden overgelegd. Uit artikel 4.2 van de Uitvoeringsregeling volgt dat de uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag in 2016 13 juni 2016 is. Het College is van oordeel dat uit de Verordeningen en de Uitvoeringsregeling volgt dat de uiterste termijn voor het indienen van de verzamelaanvraag een fatale termijn is, die eindigt bij het verstrijken van de kortingsperiode (zie ter vergelijking de uitspraak van 30 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:567).

4.6

Appellante heeft niet voor 13 juni 2016 een accountantsverklaring ingediend. Appellantes stelling dat verweerder haar niet (tijdig) in de gelegenheid heeft gesteld om aan deze voorwaarde te voldoen, kan het College niet volgen. In dit verband acht het College van belang dat verweerder aan de hand van zijn - onder 4.3 genoemde - brief van 4 maart 2016 appellante voldoende heeft geïnformeerd over haar positie en wat van haar verlangd werd. Voorts heeft appellante naar aanleiding van de in de Gecombineerde opgave 2016 opgeworpen vraag of zij met een accountantsverklaring kan aantonen dat de landbouwactiviteiten een belangrijk deel van de totale economische activiteiten zijn, het vakje ‘Ja, ik stuur de accountantsverklaring uiterlijk 15 mei 2016 naar RVO.nl’ aangevinkt. Desondanks heeft appelante een dergelijke accountantsverklaring niet aan verweerder doen toekomen, zodat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet heeft voldaan aan artikel 2.3 vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling.

4.7

Voor zover appellante met het betoog dat zij door het niet kunnen verzilveren van haar betalingsrechten en de graasdierpremie onevenredig zwaar wordt getroffen, een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en graasdierpremie vloeien rechtstreeks voort uit artikel 33, eerste lid, en artikel 43, negende lid, en artikel 52 van Verordening 1307/2013. Nu appellante niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om uitbetaling af te wijzen. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder terecht en op goede gronden het verzoek om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling, de extra betaling voor jonge landbouwers en de graasdierpremie voor het jaar 2016 heeft afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.

w.g. T. Pavićević w.g. L.N. Nijhuis