Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:628

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
18/1963
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten, vereiste afweging van belangen ontbreekt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/278 met annotatie van Meijden, D. van der
JBO 2018/278 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1963

16008

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 november 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] V.O.F., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van verzoekster

vastgesteld op 14.063 kilogram.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een

voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de voorzieningenrechter

dit verzoek afgewezen (ECLI:NL:CBB:2018:257).

Bij besluit van 26 juni 2018 is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Zij heeft

hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter (opnieuw) verzocht om een voorlopige

voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. De minister verhoogt (ter voorkoming van onbillijkheden van overwegende aard) het op die manier vastgestelde fosfaatrecht tot een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde omvang, indien kan worden vastgesteld dat het bedrijf behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur omschreven categorie van bedrijven (artikel 23, negende lid, van de Msw).

2.2

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wege van voorlopige voorziening haar toe te staan zich te gedragen alsof aan haar 6.576 kilogram is toegekend, gebaseerd op het vergunde aantal van 380 melk- en kalfkoeien en 244 stuks jongvee. Verzoekster heeft sinds 2005 het melkveebedrijf overgenomen. Haar bedrijfsvoering is ingericht en afgestemd op grondgebonden groei. Dit was volledig in overeenstemming met de toen relevante wettelijke bepalingen en ontwikkelingen. Aan verzoekster was het vergund 380 melk- en kalfkoeien en 244 jongvee te houden op de grondgebonden melkveehouderij. Door de introductie van het stelsel van fosfaatrechten is die capaciteit verdampt tot de op 2 juli 2015 gehouden 248 melkkoeien en 226 stuks jongvee. Het stelsel maakt inbreuk op artikel

1. van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Verzoekster draagt daardoor een individuele en buitensporige last. Zij heeft 2,5 miljoen euro geïnvesteerd in grondgebonden groei en kan het verlies niet opvangen. In het bestreden besluit is het beroep van verzoekster op artikel 1 EP afgewezen zonder daarbij alle omstandigheden te betrekken die daarbij van belang zijn. De beoordeling van artikel 1 EP zoals de minister inmiddels heeft toegezegd in de brief aan de Tweede Kamer van 14 september 2018 gaat waarschijnlijk maanden duren. Die tijd kan uit bedrijfseconomisch oogpunt niet worden afgewacht.

3. In de uitspraak van 7 juni 2018 is het volgende overwogen:

De voorzieningenrechter stelt voorop onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 2 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018;136) dat de verenigbaarheid van het fosfaatrecht met artikel 1 van het EP een besliscomponent vormt van verweerders besluitvorming en door hem in het lopende bezwaar dient te worden betrokken. De minister zal in dat verband moeten nagaan of de invoering van het stelsel van fosfaatrechten en strikte toepassing van de wettelijke knelgevallen in het individuele geval strijd oplevert met artikel 1 van het EP. Dat is het geval indien sprake is van een individuele disproportionele last.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit van 26 juni 2018 het bezwaar van verzoekster ongegrond heeft verklaard en het beroep van verzoekster op artikel 1 EP heeft afgewezen, zonder bij deze beslissing alle omstandigheden van haar geval te betrekken, zoals de door verzoekster gedane investeringsverplichtingen en haar financiële last.

Nu op dit punt de vereiste afweging van alle belangen en omstandigheden ontbreekt, voldoet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet aan de daaraan op het vlak van de motivering te stellen eisen.

4. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin dat verweerder wordt opgedragen binnen 14 dagen gemotiveerd te beslissen op verzoeksters bezwaren en daarbij alle door verzoekster naar voren gebrachte feiten en omstandigheden te betrekken.

5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verzoekster, zoals zij vraagt, bij wege van voorlopige maatregel toe te staan om zich te gedragen alsof haar toegekende fosfaatrecht wordt verhoogd met 6.576 kilogram. Zoals de voorzieningenrechter in de uitspraak van 7 juni 2018 heeft overwogen biedt het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening verzoekster niet de garantie (die zij zoekt) dat zij gevrijwaard zal zijn van vervolging als zij in 2018 meer mest produceert dan het primaire besluit haar toestaat.

6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en draagt verweerder op binnen veertien dagen na heden een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2018.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A.G.J. van Ouwerkerk