Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:627

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
18/1975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing om uit het Verenigd Koninkrijk afkomstige garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen te erkennen.

Art 15 Richtlijn 2009/28

Art 76 Elektriciteitswet 1998

Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1975

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Eneco Energy Trade B.V., te Rotterdam, verzoekster (Eneco)

(gemachtigden: mr. drs. J.E. Janssen en mr. S.M. Dielemans-Goossens),

en

Minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister), verweerder

(gemachtigde: mr. F.W.J. van der Steen).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2018 (het primaire besluit) heeft CertiQ B.V. (CertiQ) namens de minister het verzoek van Eneco om 5753 uit het Verenigd Koninkrijk afkomstige garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen (Britse garanties van oorsprong) te erkennen afgewezen.

Eneco heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2018. Eneco heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, bijgestaan door M.J. van Basten, M. Bourakba en R. Frankfort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door R. Van Stein Callenfels. Na schorsing is het onderzoek voortgezet op 16 november 2018, Eneco heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, bijgestaan door L. Wiegers, directeur van Eneco, en M.J. van Basten, M. Bourakba en R. Frankfort. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door dr. ir. C.C. Krijger, P. van Daele, E.M. Ringnalda en D.J. Jans.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. CertiQ is een dochtermaatschappij van Tennet TSO B.V., de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit in Nederland. CertiQ geeft, in ondermandaat van de minister, Nederlandse garanties van oorsprong af voor in Nederland duurzaam opgewekte elektriciteit. In het Verenigd Koninkrijk wordt voor in het Verenigd Koninkrijk geproduceerde duurzame elektriciteit Britse garanties van oorsprong afgegeven door de Office of Gas and Electricity markets (Ofgem), de in het Verenigd Koninkrijk bevoegde autoriteit. Voor elke duurzaam opgewekte Megawatt per uur (MWh) wordt één garantie van oorsprong verstrekt.

3. In artikel 15, negende lid, van richtlijn 2009/28/EG van het Europees parlement en de raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (richtlijn 2009/28) is bepaald:

“9. De lidstaten erkennen de door andere lidstaten afgegeven garanties van oorsprong overeenkomstig deze richtlijn uitsluitend als bewijs van de in lid 1 en lid 6, onder a) tot en met f), bedoelde elementen. Een lidstaat mag een garantie van oorsprong alleen weigeren te erkennen, als hij gegronde twijfels heeft omtrent de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid of waarachtigheid daarvan. De lidstaten stellen de Commissie van deze weigering en de motivering ervan in kennis.”

5. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 76, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, dat als volgt luidt:

“Waar in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verwezen naar garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, worden garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit uitgegeven door onafhankelijke instanties in een andere lidstaat van de Europese Unie, die naar aard en strekking overeenkomen met eerstbedoelde garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, daarmee gelijkgesteld.”

6. Een en ander is nader uitgewerkt in de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit (de Regeling).

7. Eneco heeft in mei 2018 CertiQ verzocht om 5753 Britse garanties van oorsprong te erkennen, zodat zij die kan gebruiken om het aandeel hernieuwbare energie in de door Eneco in Nederland geleverde elektriciteit aan te tonen.

8. Bij het bestreden besluit heeft CertiQ namens de minister geweigerd om deze 5753 Britse garanties te erkennen, omdat de Nederlandse en Britse garanties van oorsprong niet naar aard en strekking overeenkomen. De garanties van oorsprong zijn volgens de minister verschillend, omdat in Nederland garanties worden afgegeven voor alleen de hoeveelheid duurzame elektriciteit die een installatie netto levert aan het net, terwijl volgens de Britse regeling garanties van oorsprong worden afgegeven voor de hoeveelheid duurzame stroom die aan het net wordt afgeleverd inclusief de hoeveelheid elektriciteit die de installatie zelf gebruikt.

9. Niet meer in geschil is dat het bij de installatie waar het in dit geding om gaat, het windpark Burn of Whilk, een eigen gebruik heeft van 0,18%. Namens de minister is op de tweede zitting verklaard dat op basis van de door Eneco geleverde gegevens dit percentage aannemelijk is.

10. Voorts is namens de minister verklaard dat hij zich niet verzet tegen het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe leidt dat de door Eneco aangeboden 5753 Britse garanties van oorsprong op korte termijn zullen worden erkend, omdat de Regeling de mogelijkheid biedt om garanties van oorsprong in te trekken. In artikel 27 van de Regeling is het volgende bepaald:

“ 1. De minister trekt garanties van oorsprong die in strijd met het bepaalde in deze regeling zijn afgegeven, in.

2 Indien de garanties van oorsprong, bedoeld in het eerste lid, al zijn afgeboekt, vermindert de minister het aantal garanties van oorsprong op de rekening van de rekeninghouder met het aantal ten onrechte afgegeven garanties van oorsprong.”

11. Als de minister bij het besluit op bezwaar - waarover op de tweede zitting is verzekerd dat dit voor 18 december 2018 genomen zal worden - de weigering om de Britse garanties van oorsprong te erkennen handhaaft en als in een daarop volgende beroepsprocedure zou worden geoordeeld dat dit besluit rechtmatig is, kan de minister met gebruikmaking van de in artikel 27 van de Regeling gegeven bevoegdheid de erkenning van de in dit geding aan de orde zijnde 5753 Britse garanties van oorsprong terugdraaien. Eneco is zich hiervan bewust en aanvaardt dit risico.

12. Gelet op het verhandelde ter zitting zal de voorzieningenrechter het verzoek van Eneco toewijzen en als voorlopige voorziening aan de minister opdragen om binnen veertien dagen na deze uitspraak over te gaan tot erkenning van de 5753 Britse garanties van oorsprong.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door Eneco gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1503,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 2 punten voor het verschijnen op de twee zittingen, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    draagt de minister op om binnen veertien dagen na deze uitspraak de door Eneco aangeboden 5753 Britse garanties van oorsprong te erkennen;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 338,- aan Eneco te vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van Eneco tot een bedrag van € 1503,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2018.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.B. van Zantvoort

Afschrift verzonden aan partijen op: