Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:622

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
17/897
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling nationale EZ-subsidies artikel 4.5.2. Subsidie voor installaties voor de productie van duurzame energie. Artikel 4.5.3 Subsidiabele kosten, artikel 4.5.5 Technische vereisten zonneboiler en artikel 4.5.9 Hoogte en berekening subsidiebedrag zonneboiler.

Artikel 4.5 Overgangsrecht. Vertrouwensbeginsel (nationaal).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/17 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/897

27307

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. E.C. Ruppert),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie op aanvraag van appellant voor een zonneboiler in het kader van de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling) vastgesteld op €2.660,00. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en de subsidie vastgesteld op € 2.726,00.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2018. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder was eveneens aanwezig ing. [naam 2] . Appellant en zijn echtgenote ing. [naam 3] zijn ter zitting verschenen zonder gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2

Appellant heeft op 14 augustus 2016 een subsidieaanvraag ingediend voor een zonneboiler in de zin van artikel 4.5.3 in samenhang met de artikelen 4.5.5 en 4.5.9 van de Regeling.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie vastgesteld op

€ 2660,00. In de bezwaarprocedure heeft de leverancier van appellant de energie-efficiëntieklassen en energie labels van de hygiëneboiler en de buffervaten overgelegd. Dit heeft geleid tot een herberekening van het subsidiebedrag. Bij het bestreden besluit heeft verweerder daarom het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de subsidie hoger, namelijk op € 2726,00, vastgesteld.

2.1

Appellant stelt dat de installatie waar hij subsidie voor heeft gevraagd, feitelijk een combinatie is van twee kleinere installaties die bekend zijn onder de meldcodes KA06524 en KA06462. Deze installaties hebben beide een apertuuroppervlakte van tussen de 5 m² en 10 m² en vallen onder de subsidiecategorie voor zonneboilers met een maximale apertuuroppervlakte van 10 m². De door appellant gebouwde installatie heeft dezelfde oppervlakte en samenstelling als de KA06524 en de KA06462 gezamenlijk. Omdat zijn installatie daardoor groter werd dan 10 m² heeft hij voorafgaand aan de aanvraag contact opgenomen met verweerder. Een medewerker heeft telefonisch aan hem concreet, ondubbelzinnig en zonder enig voorbehoud verklaard dat hij, ondanks dat de oppervlakte groter werd dan 10 m², voor de samengestelde combinatie een subsidie zou krijgen gelijk aan de optelsom van de subsidiebedragen voor de KA06524 en KA06462. Die optelsom leidt tot een hoger bedrag dan hij nu heeft gekregen. Appellant beroept zich daarom op het vertrouwensbeginsel en stelt dat de subsidie moet worden vastgesteld op € 3400,00. Voorts meent appellant dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat de subsidiebedragen voor exact dezelfde installaties, met dezelfde technische specificaties, per 1 januari 2017 zijn verhoogd. Omdat bovendien de termijn voor de indiening van een aanvraag is verlengd, zou als appellant met de indiening van de aanvraag had gewacht tot 1 januari 2017 de subsidie zijn vastgesteld op € 5094,00. Appellant wil dat op zijn aanvraag de voor hem gunstigere bepalingen van de gewijzigde Regeling worden toegepast.

2.2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de verleende subsidie correct is vastgesteld. Verweerder is daarbij uitgegaan van de subsidiecategorie voor een installatie met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 m², omdat de oppervlakte van de installatie 15,9 m² bedraagt. Voor installaties met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 m² geldt op grond van artikel 4.5.9 van de Regeling een andere berekenmethode dan voor installaties waar de apertuuroppervlakte minder dan 10 m² bedraagt. Als appellant de zonneboiler had verdeeld over twee afzonderlijke subsidieaanvragen, dan was ten minste één van deze aanvragen afgewezen, omdat de zonneboiler van appellant slechts één hygiëneboiler bevat. Het deel zonder hygiëneboiler, maar met buffervat, zou niet voor subsidie in aanmerking zijn gekomen, omdat dit deel geen zonneboiler is in de zin van artikel 4.5.5 van de Regeling. Het buffervat levert alleen ruimteverwarming en maakt geen warm tapwater. Ingevolge artikel 4.5.5, sub b, van de Regeling is vereist dat de zonneboiler of zonneboilercombi is bedoeld voor het maken van warm tapwater of voor het leveren van ruimteverwarming in combinatie met het maken van warm tapwater. Het standpunt van appellant dat hij voor zijn zonneboiler met een apertuuroppervlakte van 15,9 m² een subsidiebedrag moet ontvangen dat gelijk is aan de optelsom van de subsidiebedragen voor de zonneboilers KA06524 en KA06462 is dan ook onjuist.

2.2.2

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel onderzoek verricht. Verweerder heeft daartoe navraag gedaan bij het klantcontactcentrum van verweerder. Volgens verweerder heeft appellant op 11 april 2016 telefonisch contact opgenomen met een vraag over de maximale jaaropbrengst. Een medewerker van verweerder heeft hierop appellant op 12 april 2016 teruggebeld. Uit de door verweerder van dit telefoongesprek opgemaakte telefoonnotitie blijkt niet dat appellant de vraag heeft gesteld of voor zijn zonneboiler met een apertuuroppervlakte van 15,9 m² een subsidiebedrag zou worden toegekend dat gelijk is aan de optelsom van de subsidiebedragen voor de zonneboilers KA06524 en KA06462, noch dat door de medewerker van verweerder hierover uitspraken zijn gedaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens verweerder daarom niet. Verweerder meent voorts dat ingevolge artikel 5.4 van de Regeling de regelgeving zoals deze luidde voor 1 januari 2017 van toepassing is op de aanvraag en de vaststelling van de subsidie van appellant.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1

De relevante wet- en regelgeving luidde ten tijde van belang als volgt.

Regeling nationale EZ-subsidies

“Artikel 4.5.3 Subsidiabele kosten

(…)

2. Voor een aanvraag van een natuurlijke persoon ten behoeve van een installatie bestemd voor de eigen woning komen in afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit, kosten in verband met installaties die uiterlijk drie maanden vóór indiening van de aanvraag, maar na 1 januari 2016, zijn gemaakt voor subsidie in aanmerking.

Artikel 4.5.5 Technische vereisten zonneboiler

Een zonneboiler, waaronder tevens begrepen een zonneboilercombi, is:

(…)

b. bedoeld voor het maken van warm tapwater of voor het leveren van ruimteverwarming in combinatie met het maken van warm tapwater;

(…)

Artikel 4.5.9 Hoogte en berekening subsidiebedrag zonneboiler

1. De subsidie voor een zonneboiler als bedoeld in artikel 4.5.5 bedraagt € 0,50 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van de zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van ten hoogste 10 vierkante meter en bedraagt € 0,25 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van de zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter.

(…)

3. De jaarlijkse zonne-energiebijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt voor zonneboilers bij een apertuuroppervlakte van meer dan 5 en ten hoogste 10 vierkante meter vastgesteld op 4427 kWh minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel XL, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart.

4. De jaarlijkse zonne-energiebijdrage, bedoeld in het eerste lid, voor zonneboilers bij een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter bedraagt het product van 1215 kWh, het totale collectoroppervlak van alle collectoren volgens de productkaart, het collectorrendement volgens de productkaart, en de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het vijfde lid.

(…)

Artikel 5.4. Overgangsrecht

Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt.”

3.2

Uit het beroep en hetgeen op de zitting is besproken, volgt dat appellant niet stelt dat verweerder, uitgaande van de categorie voor installaties met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 m², de subsidie onjuist heeft berekend. Appellant meent echter dat hij er op mocht vertrouwen dat deze berekenmethode niet zou worden toegepast, omdat voor de hoogte van de aan hem toegekende subsidie de subsidies voor de installaties met meldcodes KA06524 en KA06462, bij elkaar zouden worden opgeteld. Zoals het College heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 9 september 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:310) en 6 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:166) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Appellant heeft gesteld dat een medewerker van verweerder telefonisch aan hem concreet en ondubbelzinnig heeft verklaard dat er geen verschil is in de hoogte van de subsidie bij een aanvraag gebaseerd op een combinatie van twee van een meldcode voorziene installaties, te weten KA06524 en KA06462, en een gecombineerde installatie die dezelfde gezamenlijke oppervlakte en samenstelling heeft. Appellant kan niet aangeven op welke datum en met welke medewerker hij dit telefoongesprek heeft gevoerd. Verweerder heeft onderzocht wanneer en met welke medewerker appellant heeft gesproken en een telefoonnotitie overgelegd. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat uit deze telefoonnotitie niet blijkt dat aan appellant een dergelijke toezegging is gedaan. Ter zitting heeft verweerder bovendien verklaard dat de medewerker met wie appellant heeft gesproken niet bevoegd is een dergelijke toezegging te doen. Nu appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat aan hem deze toezegging is gedaan en ook anderszins het College hiervan niet is gebleken, slaagt het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet.

3.3

Met betrekking tot het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel, overweegt het College dat de Regeling per 1 januari 2017 is gewijzigd. Deze wijziging had onder meer het gevolg dat in artikel 4.5.3, tweede lid, de zinsnede “uiterlijk drie maanden” is vervallen en de in artikel 4.5.9, eerste lid, genoemde bedragen zijn verhoogd. Ingevolge artikel 5.4 van de Regeling blijft echter op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, de Regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt. Van een wijziging met terugwerkende kracht is hier geen sprake. Aangezien appellant zijn aanvraag op 14 augustus 2016 heeft gedaan, kon verweerder niet anders dan de Regeling toepassen zoals die op die datum gold. Dat de Regeling zoals die per 1 januari 2017 gold voor gevallen als die van appellant tot een hoger subsidiebedrag zou leiden, maakt dat niet anders. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

3.4

De conclusie is dat het beroep niet slaagt en ongegrond zal worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. B. Bastein en mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. S.M.M. Bolt-Hulsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2018.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. S.M.M. Bolt-Hulsen